Tagarchief: voortgezet onderwijs

De niet-vrijwillige vrijwillige ouderbijdrage.

De zomervakantie begint bijna. Eerst krijgen we echter weer het jaarlijkse schoolboekenbal. Ouders bevinden zich namelijk al jaren in de greep van de voortgezet onderwijs scholen en schoolboekenleveranciers ten aanzien van het verplicht al vóór de zomervakantie moeten betalen van iets wat wettelijk gezien totaal vrijwillig is: de ouderbijdrage. Immers: geen betaling van de ouderbijdrage betekent geen schoolboeken. Klagen daarover leverde meestal een ‘wij kunnen hier niets aan doen’ verwijzing van het kastje naar de muur op.

Er is echter verandering gaande, waarschijnlijk door de openlijke aandacht die hier de laatste jaren aan is gegeven. Ook richting en vanuit de politiek. Ik heb hier graag aan mee gedaan.

De knelgreep is ongedaan gemaakt, simpel door toevoeging van de aanvinkmogelijkheid: ‘Ik wil deze kosten niet via XXX betalen‘ op de website van de leverancier. Te vinden via de doorlink ‘Klik hier om belangrijke informatie te lezen over dit artikel‘, nadat je hebt ingelogd bij het account van je kind.

Vrijwillig betekent dat ouders mogen kiezen of zij de ouderbijdrage betalen. De vrijwilligheid van de ouderbijdrage is belangrijk omdat alle kinderen recht hebben op het onderwijs dat zij nodig hebben, los van de financiële situatie van de ouders.

Als de dwang er af is komt de factuur via de school zelf. Vrijwillig betekent echter niet dat je als ouder deze factuur automatisch niet moet betalen. Kijk daarom goed naar de factuur. Wat is belangrijk. Let daarbij op koppeling van kosten door school,  die het per onderdeel kiezen onmogelijk maken. Zie voor meer informatie Ouderbijdrage in het voortgezet onderwijs, op de website van de Onderwijsinspectie.

Is jouw school of schoolboekenleverancier nog niet zo ver, attendeer school hier dan op. Voor de schoolboeken voor komend jaar kun je dan bij school aangeven dat je graag wil dat school deze voor je bestelt, waarbij je nog even duidelijkheid geeft over de schoolvakken van je kind – zodat hier niets fout kan gaan.

Mededeling over de schoolkosten van jouw onderwijsinstelling
Dit zijn schoolkosten/services die worden geleverd of worden uitgevoerd door jouw onderwijsinstelling. Je onderwijsinstelling heeft het regelen van deze schoolkosten/services (incl. facturatie en inning van de vergoeding hiervoor) uitbesteed aan XXX. Daarom is met de betaling aan XXX, je betaling en bestelling van de schoolkosten/services met de onderwijsinstelling geregeld. Je hoeft dus niet meer te betalen aan je onderwijsinstelling. XXX zorgt voor verdere afhandeling van je betaling met je onderwijsinstelling. Voor het veilig stellen van je betaling gebruikt XXX de Stichting Derdengelden XX Beheer. Voor vragen over de uitvoering van de schoolkosten/services kun je terecht bij jouw onderwijsinstelling; jouw onderwijsinstelling zorgt voor de uitvoering ervan.”

De onderwijsinspectie heeft ook informatie over de vrijwillige ouderbijdrage op de basisschool online staan. Hier is vooral sprake van het vragen van geldelijke bijdrage voor iets ‘extra’s’, zoals de overblijf, de plusklas, een laptop of tablet of inschrijfgeld. In de WPO is in artikel 13 lid 1 onder e vastgelegd dat de schoolgids informatie bevat over de geldelijke bijdrage (ouderbijdrage), waarbij vermeld moet worden dat deze vrijwillig is. Controleer of dit zo is. Meld dit anders bij de MR of ouderraad. Zie daarvoor Ouderbijdrage in het basisonderwijs.

Ik heb eerder al geblogd over de speciale ouderbijdrage voor voltijds onderwijs aan hoogbegaafde kinderen. Deze blogs kunt u hier lezen.

Dorien Kok

 

Advertenties

Onderwijs uitgelegd: huiswerk

HuiswerkIn de meeste landen iets heel normaals, thuis huiswerk maken. Gemiddeld werk een Europees kind 4,8 uur per week thuis aan schoolwerk. In Nederland begint dat vaak in de bovenbouw* van de basisschool, met het leren gebruiken van je agenda. Op de ene school wordt dit serieuzer opgepakt – als voorbereiding op het voortgezet onderwijs, dan op de andere school.

De meeste leerlingen worden niet blij als je het over huiswerk hebt. Toch is huiswerk maken erg belangrijk. De vraag is echter of dit thuis moet gebeuren of op school.

Doel
Wat is het doel van het opgegeven huiswerk
– herhalen en oefenen;
– voorbereiden;
– inzicht geven of verdiepen;
– toepassen op andere situaties, implementeren;
– extra stimulans;
– ondersteuning bij achterstand of lager leertempo.

Er zijn enkele randvoorwaarden, die bepalen in hoeverre thuis-huiswerk  een positief effect heeft en de opbrengsten op maat zijn. Dat er aan deze randvoorwaarden wordt voldaan kan bepalend zijn voor de kansen die een kind heeft op een optimale onderwijsontwikkeling en op diens verdere (werk)leven. Die randvoorwaarden wil ik hier bespreken.

Het thuisfront
Globaal gezien hebben kinderen van ouders die hoger opgeleid zijn betere scores en een hogere onderwijsopbrengst. Hun kinderen blijken ook meer uren te maken ten aanzien van huiswerk. Ook de opvoeding speelt hierin een rol: wordt het kind bewust gestimuleerd en ondersteund. Is men thuis bewust bezig met de ontwikkeling van het taal- en denkniveau van het kind.

De verschillen hierin per gezin kunnen erg groot zijn: kunnen ouders wel stimuleren en ondersteunen – of kan dit bijv. door hun werk-, sociale- , culturele- of financiële situatie niet.

Het bestaan van voorschoolse- en vroegschoolse educatie is hier mede op gebaseerd.

Leeromgeving
In Nederland werkt een 15-jarig kind gemiddeld 5,8 uur per week thuis aan huiswerk. Is er genoeg tijd voor het kind om thuis huiswerk te maken. Zijn er tijdbeperkende factoren als werk, mantelzorg, sport of sociale verplichtingen. In hoeverre is er sprake van verstoorde leertijd door de invloed van social media, internet of vrienden.
Heeft het kind een rustige werkplek, waar het zich goed kan concentreren – zonder afgeleid te worden door rondhuppelende kleutertjes, ‘plingende’ telefoons of pratende mensen.
Heeft het kind de beschikking over de juiste materialen, van schrift om in te schrijven, rekenmachine tot laptop of computer met internetaansluiting.
Is er iemand die zegt: ‘neem even een pauze’, helpt bij het plannen of waar even mee gespard kan worden. Die uitleg wil geven als je een vraag niet snapt.
Kan het kind makkelijk zien wat zijn of haar huiswerk is. Zeker als het niet is opgeschreven.
Biedt school een alternatief als thuis niet geschikt is als leerplek.

Huiswerkvoorwaarden voor school
Wat is het doel. Is er voldoende zicht op wat werkt voor het kind. Is men er zich van bewust dat vaardigheden als plannen, systematisch werken en om kunnen gaan met tijd zich pas op volwassen leeftijd ontwikkelen. Heeft het kind genoeg leertechnieken onder de knie om leerstof op meerdere manieren te benaderen. Heeft het kind afdoende geleerd om te leren, hoe lang te leren. Meerdere keren kort leren levert immers meer op dan lang blokken op het zelfde huiswerk. Wat is de maximale leertijd van een kind, gebonden aan leeftijd en of het een langzame of snelle leerling is. Biedt school regelmaat in het huiswerk aan, wat een positief effect heeft op hoe lang een kind huiswerk maakt. Wordt er gecontroleerd of het huiswerk thuis gemaakt is en geeft men er een follow-up aan. In welke klas begin je met huiswerk – misschien is het slim om al te wennen aan ‘huiswerk’ in groep 3 (max. 10 minuten per keer) in plaats van in de bovenbouw. Is een school zich bewust van de eerder genoemde randvoorwaarden rond het thuisfront en de leeromgeving. Dit zijn vragen die een school zich moet stellen voordat ze beginnen aan het geven van huiswerk voor thuis.

Bewustzijn bij school
In hoeverre is de school per kind van bovenstaande persoonlijke factoren op de hoogte en kan men daar bij helpen. Leerlingen met een beperkt leervermogen of langzame leerlingen zijn daarbij meer gebaat bij huiswerk dan snelle en begaafde leerlingen. Mogelijk is de verwachting van potentiële ‘opbrengsten’ eigenlijk te laag of hoog door belemmerende factoren. Maatwerk is dus nodig. Heeft de hele klas daarbij hetzelfde nodig? Als een school zich hier niet van bewust is kan er een incorrect kindbeeld ontstaan, dat negatieve invloed heeft op diens toekomstige studie- en carrièrekeuzes.
In hoeverre legt school aan ouders en leerlingen uit wat werkt en wat niet. Wat school met het thuis-huiswerk wil bereiken. Waarin ze ouders en leerlingen kunnen helpen. Geeft school tools, informatie en wordt er gesproken over regels en afspraken. Vraagt school aan ouders en leerlingen om contact op te nemen als er (mogelijk) belemmerende factoren aanwezig zijn. Lijdt het kind en het gezinsleven niet onder de hoeveelheid schoolwerk.

Follow-up
De opbrengsten zijn groter als je er opbouwend commentaar op het gemaakte werk geeft, het bespreekt en cijfers geeft. Het zorgt er voor dat kinderen trouwer zijn in het maken van huiswerk. Geef je inzicht, remediëring, gebruik je een benadering die past bij de wereld van de kinderen van nu. Dit alles op die wijze dat een kind zelfvertrouwen opbouwt in het eigen leervermogen, in plaats van verliest.

Wordt er voor een kind aan die voorwaarden voldaan dan is thuis-huiswerk een optie.

Kortom: huiswerk is veel meer dan ‘pak allemaal je agenda’. Het is een kwestie van maatwerk per kind. Geef dus niet standaard huiswerk om het huiswerk geven, al helemaal niet aan elk kind hetzelfde. Onderzoek eerst per kind de randvoorwaarden.

In de media: ‘Spanje verklaart huiswerk de oorlog‘ AD -november 2016

*Aanvulling 4 december 2017 – Op een kwart van de basisscholen krijgen kinderen al in groep 3 of 4 huiswerk mee. Deskundigen noemen het onzin: “Huiswerk gaat boven de capaciteit van jonge kinderen.” RTLNieuws: Huiswerk in groep 3 of 4? Onzin, zeggen deskundigen.

Bron cijfers: OESO

Dorien Kok
http://I-CARUS.info

Twee werelden – #Toptalenten

Conferentie toptalentenAfgelopen maandag vond er een Conferentie Toptalenten plaats in Den Haag, georganiseerd door het Ministerie van OCW. Zo’n 400 leraren, schoolleiders en schoolbestuurders zouden zich samen buigen over de vraag hoe we ook de leerlingen die meer aankunnen het beste onderwijs kunnen bieden.

De staatssecretaris duidde op het podium via sheets waar we volgens hem staan met toptalenten in het onderwijs:

  • Verveling onder toptalenten gehalveerd
  • Meer aandacht voor toptalenten in het onderwijs
  • Leraren willen graag meer aandacht besteden aan toptalenten.

Aansluitend vond er op het podium een gesprek over toptalent plaats met 3 speciaal genodigde gasten van het ministerie: een leerling-Toptalent, Katinka de Korte – managing director Health & Public services bij Accenture en Peter van Dijk – rector Leidsche Rijn College.

Vanuit de zaal was het voor velen of we een in een andere wereld zaten dan de wereld aan gebeurtenissen op het podium. Het was alsof men zich op het podium bezig hield met een totaal andere realiteit dan die door de mensen in de zaal, in de praktijk, ervaren werd. Een andere praktijk dan die merkbaar is voor toptalenten. En de prangende vraag: ‘wat zijn nou eigenlijk echt toptalenten?’ bleef onbeantwoord. Die onbeantwoorde vraag bleef de hele dag de hoofdrol spelen in onderlinge gesprekken tussen de onderwijsprofessionals: wat is dit toch een gemiste kans. Met reden: hoe kun je zulke positieve cijfers geven als er:

  1. geen juiste definitie van toptalent is,
  2. een grote groep mensen is die totaal ontbreken in het rooskleurige verhaal.

Dat er kinderen gemist worden in dit verhaal is erg duidelijk als je kijkt naar de theoretische definitie van het Ministerie ‘Het ministerie rekent de top 20% best presterende leerlingen van een klas of groep tot de zogenaamde toptalenten’. Deze definitie sloot niet aan bij de praktijkervaringen van de zaal en is duidelijk een definitie die ontstaan is vanuit managementdenken, bedacht door mensen die ver afstaan van de dagelijkse praktijk, die oplossingen brengen die los staan van de werkelijke praktijk.

Wat is dan toptalent, volgens vele aanwezigen? Talent is een potentie, een kiem die kan uitgroeien tot iets moois. Iedereen heeft talenten, iets wat niet altijd meteen zichtbaar is op school. De meeste mensen ontdekken hun talenten pas later. Toptalent is dan dat je talent helemaal tot bloei kan brengen, wat iedereen potentieel op zijn of haar EIGEN niveau kan. School is in een ideale situatie een broedplek van talent, waar signalen opgevangen kunnen worden van een potentieel – als je weet hoe en waar je moet kijken. Het is dus frappant om te lezen dat 98% van de docenten nu speciale aandacht heeft voor toptalenten op de basisschool.

Verveling toptalenten gehalveerd

Dat lijkt heel mooi, dat het bewustzijn er is bij schoolleiders en docenten. Maar over wie hebben zij het? En hoe zien de leerlingen dat zelf?

‘Verveling onder toptalenten gehalveerd’, een bewering die de zaal niet herkende vanuit de praktijk.
Wat kan nog beter

Ten aanzien van de vraag  ‘zie je jezelf als toptalent’ zijn de cijfers helemaal niet rooskleurig (Bron: Rijksoverheid):

Meer aandacht

 

Terwijl de aandacht voor talent is toegenomen, blijkt de identificatie ermee door leerlingen juist afgenomen.

Deze sheet over identificatie was trouwens niet opgenomen in de presentatie van de staatsecretaris.

Andere sheet (helaas geen afbeelding gevonden bij MinOCW): ‘Meer leraren, maar lang niet alle, zijn tevreden over de ondersteuning op school.’ Basisonderwijs van 46 naar 67%, middelbare scholen van 20 naar 43%.

‘Laat je visie leidend zijn, niet de knelpunten’

Visie leidend

Het is kwetsend dat – ook al benoemt het ministerie ‘ieder kind heeft talenten, op heel veel vlakken’ het startpunt is dat er voor de andere 75-90% van de huidige leerlingen geen pure talentmaatwerktrajecten zijn en komen. Dat hun talenten niet gezien en begeleid worden omdat de ministeriële aandacht in de praktijk maar naar een kleine groep gaat, namelijk naar de goede presteerders. Naar kinderen die binnen het systeem al heel goed functioneren.

Maar wat te doen met de potentiële toptalenten die leerproblemen hebben, die anders leren dan het systeem nu biedt, die thuiszitten of helemaal uitgevallen zijn in het onderwijs? Wat met de potentiële toptalenten die richting diagnostiek en medicatie gestuurd worden en kleuters die zich al kort na hun intrede in het onderwijs aanpassen aan het systeem en hun creativiteit loslaten. Dit zijn de vragen die dagelijks vanuit de onderwijspraktijk naar voren komen. Van kinderen die in de knel komen. Die hun talenten in de verste verte niet kunnen ontwikkelen.

Maatwerkonderwijs betekent dat je de rode draad van de ontwikkeling van een kind volgt en daar op inspeelt, zonder te letten op leeftijd. Dat je hindernissen en muren weghaalt die  de natuurlijke groei van het kind belemmeren. Dat je niet praat óver het kind maar met het kind. Dat school een veilige omgeving is, ook voor als je anders bent of denkt. Dat je een kind niet veroordeelt tot het niveau van zijn zwakste vak. Dat onderwijs soms buiten de school moet plaatsvinden, in het belang van een kind. Dat je niet denkt als een manager, met economische en financiële belangen voorop, maar in termen van persoonlijke kansen en groei voor IEDER kind.  Iets waar het land Nederland later vanzelf de vruchten kan plukken. Dat je werkelijk werk maakt van je eigen slagzin: ‘Laat je visie leidend zijn, niet de knelpunten’.

Gemiste kans dus gisteren. Die visie was er niet. Er was sprake van een duidelijke  kloof tussen wat er gebeurde op het podium en de ervaring van de zaal en de praktijk.

Dorien Kok
http://I-CARUS.info

Met dank aan Mieke van Stigt, socioloog en pedagoog.

Op weg naar maatwerk in het onderwijs.

schoolIn een paar dagen tijd in februari 2016 veel onderwijs in het nieuws.

De NCRV uitzending van De Monitor: ‘Gebruik ADHD-medicatie in 10 jaar tijd verviervoudigd: hoe kan dit?’

2 dagen later in KRO’s Brandpunt: ‘Basisschoolleerlingen krijgen deze week hun schooladvies; het toegangsbewijs tot een middelbare school. Hoe komt het studieadvies echt tot stand?’

De dag erna meldt de staatsecretaris Sander Dekker via de NOS: ‘Scholier mag beste vak op hoger niveau gaan doen.’

NCRV De Monitor
De uitzending van De Monitor geeft een helder beeld over de druk van scholen die ouders voelen om hun kind medicatie te geven. Als een druk kind onhandelbaar wordt in de klas, worden ouders al snel gevraagd hun kind te laten testen op ADHD of wordt er zelfs druk uitgeoefend om medicatie te nemen. Docenten lieten op hun beurt weten dat zij zich onder druk voelen gezet omdat ze vanwege de hoge werkdruk minder tijd hebben voor drukke kinderen. Niet alleen ouders en docenten, ook jeugdpsychiaters voelen zich onder druk gezet. Ze kunnen soms niet anders dan een pil voorschrijven omdat andere behandelingen niet vergoed worden en ze de kinderen toch willen helpen.

De maatschappelijke druk is duidelijk voelbaar. Het inzicht van scholen op hun eigen verantwoording en het spiegelen van het eigen aandeel in de problematiek van het kind niet. Het probleem wordt bij het kind gelegd. Waarom kijken we niet verder dan het gedrag? Wat is de rol van ons systeem in de kindproblematiek en welk effect heeft onderwijs op het kind als het geen maatwerk is?

KRO Brandpunt
Het schooladviesverhaal: In Nederland worden leerlingen met elkaar vergeleken, in hokjes geplaatst. Voortgezet onderwijs (VO) scholen gebruiken dit voor hun toelatingsbeleid. Jij ben zwak, jij bent sterk. Maximaal 20% van de kinderen gaat naar VWO, 30% naar HAVO en de rest naar VMBO. Dat is al jaren een vast gegeven.

Volgens het nieuwe systeem worden alle leerlingen die nu in de brugklas zitten geplaatst op het adviesniveau van de basisschool (PO). Het VO heeft daar op papier totaal geen invloed meer op. In de praktijk blijkt dat VO scholen proberen het schooladvies te omzeilen (Bron: VOSABB).

Pedagogisch gezien is dit een slecht systeem, kinderen krijgen al jong te horen dat ze zwak zijn. Die toegewezen handicap nemen ze de rest van hun leven mee. Het systeem vloekt ook met de talentbenadering, die wel wenselijk is. Minimum doelen stellen en kijken of het kind dit haalt is een beter startpunt. Maatwerk dus.

Cito geeft zelf trouwens aan dat hun toetsen niet bedoeld zijn voor schooladvies en dat kinderen niet als zwak beoordeeld worden, maar als ‘relatief’ zwak.

Zorgelijk
Deze 2 uitzendingen: zorgelijk. Echter, eigenlijk geen nieuws – dit is namelijk al lang bekend. Het roept wel de vraag op: wie gaat hier nu eindelijk op ingrijpen? Wie gaat er staan voor deze kinderen en zorgt er voor dat deze praktijken stoppen?

NOS artikel
In het NOS artikel duidt staatsecretaris Sander Dekker dat scholen meer maatwerk moeten gaan leveren. Losse vakken op een hoger niveau volgen kan nu al wel, maar volgens Dekker gebeurt het nog veel te weinig.

Scholieren mogen het vak waar ze het beste in zijn (maximaal één vak dus), op een hoger niveau volgen. Staatssecretaris Dekker vindt dat niet elk kind precies in het vakje vmbo, havo of vwo past. Mooi dat hij dat ook ziet. Als een VMBO-leerling bijvoorbeeld goed is in talen, mag hij of zij Engels ook op HAVO-niveau volgen. Op het diploma moet straks ook te zien zijn wanneer een leerling een vak op een hoger niveau heeft gevolgd.

Echter, andersom geldt het niet: een scholier mag het slechtste vak niet op een lager niveau volgen. “Als je dat zou invoeren, heb je ook niet meer het recht om een vervolgopleiding te doen. De waarde van een diploma is een groot goed en dat moeten we vasthouden”, vindt de staatssecretaris. Een meerderheid in de Tweede Kamer was daar wel voor.

Maatwerkonderwijs
Maatwerkonderwijs is een term die ik al geruime tijd gebruik in mijn ambitie om het Nederlandse onderwijs voor kinderen zo te maken dat er ‘geen kind meer tussen wal en schip valt’ (een term uit het Passend onderwijs beleid), waarbij we het onderwijs inrichten op de talenten van kinderen en hun eigen leerbehoeften en leertempo. In Nederland is er geen sprake van maatwerkonderwijs. Voor mij aanleiding om bezig te zijn met de opstart van een eigen school. Ik wil laten zien dat het anders moet én kan.

Maatwerkonderwijs leidt naar mijn mening op naar vermogen van het kind. Er zijn kinderen met bijvoorbeeld een rekendeuk of talenknobbel. Het kind past dan niet perfect in een van de onderwijsstromen, op sommige gebieden is er sprake van een niveauverschil. Een kind krijgt hiermee een diploma die alleen het minimum aan potentie en kennis laat zien. Het kind wordt in het Voortgezet onderwijs ingedeeld op zijn of haar zwakste punt.

Maatwerkonderwijs betekent op alle gebieden je hoogste niveau kunnen aantonen en halen, zonder dat het systeem of zelf de wet je ontwikkeling remt of hindert.

Ik wil dus veel verder gaan dan het nieuwe aanbod voor een maatwerkdiploma. Ik sta hierin niet alleen. Waarom is het onderwijs voor kinderen in een primair en voortgezet deel gescheiden, met bij dat laatste ook het VWO, HAVO en VMBO? Waarom zijn de PO-raad en VO-raad samen niet één raad? Waarom is er geen individueel maatwerkonderwijsplan voor ieder kind? Waarom delen we kinderen in op leeftijd in plaats van per vak op niveau? Het zou toch zelfs mogelijk moeten zijn om op onderdelen over te stappen naar het VO, terwijl andere vakken nog op PO worden gevolgd. Op- en doorstroom, niet alleen bij de kinderen waarvan het wel zeker is dat ze het aankunnen, maar vooral bij de laatbloeiers of de wat ongeïnteresseerde pubers die later beginnen met echt werken.

Leren is grenzeloos. Het huidige onderwijssysteem staat echter vol met muren, is ook niet gericht op wat het om hoort te draaien: het kind.

Vragen aan de staatssecretaris
Staatsecretaris Sander Dekker zei, in antwoord op mijn vraag over knelpunten in het huidige onderwijs aan hem: ‘het is mooi om de onderwijsvoortgang aan te passen aan de leerlingen en ik ben ook voorstander van gepersonaliseerd leren. Dit dient echter wel vorm te krijgen binnen de kaders van de wet.’

Mijn vervolgvraag aan hem is nu: waaróm kunnen we de waarde van bijvoorbeeld een diploma niet veranderen, het maatwerkonderwijs vraagt hierom en: zijn wij er voor die wet of hoort die er voor ons te zijn? Weg met die muren en grenzen! Waar is men bang voor, dat alle kinderen toptalenten blijken te zijn en gaan excelleren? Lijkt me toch een mooi einddoel! 😉

Dorien Kok
http://DorienKok.nl

Reportage De Monitor 14 februari 2016
http://www.npo.nl/de-monitor/14-02-2016/KN_1676826

Reportage Brandpunt 16 februari 2016
http://brandpunt.kro.nl/seizoenen/2015/afleveringen/16-02-2016/fragmenten/de-selectiefabriek

NOS artikel ‘Scholier mag beste vak op hoger niveau gaan doen’ 17 februari 2016
http://nos.nl/artikel/2087381-scholier-mag-beste-vak-op-hoger-niveau-gaan-doen.html

 

 

Onderwijs onderzocht: Versnellen, ja of nee

VersnellingIn Nederland staan we huiverig tegenover versnellen. Doe maar gewoon, dan doe je al gek genoeg is het motto. Keuzes hierover worden vaak niet op feiten gebaseerd. Middelbare scholen zijn ook erg huiverig over versnellen, hebben het idee dat zij de problemen van de basisschool op hun bord geschoven krijgen – voor wie de keuze tot versnellen vaak gebaseerd is op ‘wij weten het ook niet meer’.

De meeste leraren blijken (onderzoek Southern & Jones, Townsend & Patrick) nauwelijks op de hoogte zijn van bestaande literatuur over dit onderwerp. Struikelblok voor leerkrachten in het voortgezet onderwijs is ook de angst voor isolatie van de leerling en emotionele problemen. De praktijk wijst daarbij uit dat er bij leerkrachten ook weinig kennis voorhanden is over dat niet elke leerling met hoge intelligentie capaciteiten ook goed presteert, door bijvoorbeeld motivatieproblemen of faalangst.

Je kunt in een klas alle lessen aanpassen en eigenlijk zo ‘intern’ versnellen, maar dat is voor de meeste kinderen geen passende oplossing. De argumenten om niet te versnellen liggen zogezegd vaak op het sociale en emotionele vlak.  De sociale omgeving aanpassen in dezelfde klas is echter veel moeilijker. Een jaar overslaan is dan juist een betere oplossing.

Ouders staan ook vaak alleen en ongesteund voor deze beslissing, kunnen ook weinig informatie vinden hierover.

CITO eindtoets 2006: van de leerlingen die meededen aan de Cito eindtoets (145.742) waren van 144.274 leerlingen de gegevens over geboortedatum en geslacht bekend. Van deze groep waren 150 leerlingen 2 of meer keer versneld (dwz 10 jaar of jonger op 1 oktober in de brugklas), 91 jongens en 59 meisjes, dat is 0,1%.

 (cijfers: Leonieke Boogaard)

In Nederland is er al 2 keer onderzoek gedaan naar dit onderwerp. Ook internationaal liggen er antwoorden, uit langdurend onderzoek. Deze onderzoeken geven een ‘ja’ voor versnellen. In 2003 verscheen er in Nederland via CBO/KUN en Drs Lianne Hoogeveen het onderzoeksrapport  ‘Jonge, versnelde leerlingen in het Voortgezet onderwijs: Hoe om te gaan met leerlingen die, door het versneld doorlopen van de basisschool, als (zeer) jonge leerling het voortgezet onderwijs binnen komen. Vragen die hierin gesteld en beantwoord worden:

– Horen ze eigenlijk wel thuis op een middelbare school
– Lopen ze meer risico om problemen te krijgen binnen het voortgezet onderwijs
– Vragen zij om specifieke begeleiding?
– Hoe zou je deze leerlingen dan kunnen begeleiden

Het rapport geeft duiding over hoe de zorg om deze groep leerlingen bij de docenten te verminderen en biedt handvatten voor de begeleiding. Het rapport is daarmee een aanrader voor leerkrachten uit het voortgezet onderwijs en voor ouders.

Tijdens haar opleiding tot Specialist in Gifted Education (2008) deed Leonieke Boogaard onderzoek naar hoe het (extreem intelligente) leerlingen in het voortgezet onderwijs verging nadat ze op de basisschool twee of drie keer versneld waren, zodat ouders die voor een zelfde moeilijke keus stonden wél informatie zouden hebben over de mogelijke gevolgen. 6 jaar na haar eerste onderzoek herhaalde ze de vragen. De gemiddelde leeftijd bij de start van het voortgezet onderwijs van haar onderzoeksgroep was 10 jaar en 4 maanden. De jongste was 9 jaar en 7 maanden, de oudste 10 jaar en 11 maanden. Om te mogen meedoen aan het onderzoek moesten ze op 1 oktober in de brugklas 10 jaar of jonger zijn. De leeftijd van de ondervraagde leerlingen die meededen aan het onderzoek varieerde van 10 tot 18 jaar, dwz zeggen van brugklas tot 1e jaars student. De grootste groep zat in klas 3, daarna de grootste groep (evenveel leerlingen ) in klas 2 en 5. Zowel de leerlingen uit haar onderzoek als hun ouders gaven aan dat in het voortgezet onderwijs de contacten met klasgenoten en het aantal vriendschappen meer en beter waren dan op de basisschool. De angst van veel docenten dat jonge leerlingen op sociaal gebied geen aansluiting zullen vinden lijkt dus ongegrond. Dit komt ook naar voren uit het feit dat leerlingen én ouders aangeven dat er geen problemen zijn met de reacties van klasgenoten op zulke jonge medeleerlingen. Bovendien blijkt het merendeel van deze kinderen ook in hun vrije tijd, bij sport, muziek en andere buitenschoolse activiteiten voornamelijk met (veel) oudere kinderen en volwassenen om te gaan.

Uit onderzoek (Silverman) blijkt dat duurzame vriendschappen gebaseerd zijn op wederzijdse interesses en waarden, niet op leeftijd en dat hoogbegaafde kinderen in het algemeen een grotere sociale competentie hebben en eerder psychologisch volwassen zijn dan hun niet-begaafde leeftijdgenoten.

Sommige kinderen en ouders gaven in het onderzoek van Boogaard ongevraagd aan dat de versnellingen erg goed zijn geweest voor hun sociale leven: “Het heeft mijn sociale leven omhoog geschoten”, “Nu heb ik vrienden van gelijk niveau en gelijke ontwikkeling”, Mijn dochter bloeide emotioneel op na de versnellingen”.

Op cognitief gebied gaat het met alle jongeren redelijk tot goed, waarbij opvalt dat leerlingen op scholen die extra programma’s en/of begeleiding hebben voor hoogbegaafde leerlingen (meestal in de vorm van Compacten en Verrijken) betere resultaten halen dan leerlingen op scholen waar geen extra aandacht is voor deze groep. De angst van sommige docenten dat het te zwaar zou zijn voor zulke jonge leerlingen wordt weersproken door het feit dat de leerlingen op één na allemaal meerdere buitenschoolse activiteiten hebben. Ze doen bijna allemaal aan één of meer sporten, vaak op heel hoog (soms nationaal) niveau. Ook doet het merendeel aan muziek, dans of toneel.

Op de vraag aan leerlingen en ouders of ze met de huidige kennis achteraf wéér voor twee of drie keer versnellen zouden hebben gekozen antwoordt het merendeel (ouders 81%, leerlingen 85%) volmondig ja. Niemand antwoordde nee! Degenen die geen ja zeiden wisten het niet omdat het zowel voor- als nadelen had in hun ogen. De meeste ouders geven aan dat je domweg geen andere keuze hebt als je wilt dat je kind gelukkig is. “Ze is er erg van opgeknapt, zag het leven niet meer zitten. Dat is na de tweede versnelling nooit meer voorgekomen”.

Zes jaar later werd nogmaals de vragenlijst voorgelegd. Van de 27 leerlingen die Boogaard terugvond hebben er 22 gereageerd (14 meisjes en 8 jongens). Van hen studeerden er 17 aan de universiteit, deden er drie een tussenjaar en werkten er twee. Nog steeds deden ze gemiddeld 8 uur per week aan sport en werkten de meesten naast hun studie gemiddeld 9 uur per week. Op de herhaalde vraag of ze met de, inmiddels uitgebreide achteraf kennis, weer dezelfde keuze zouden maken antwoordde weer niemand met nee. Ja werd gezegd door 82%, een meer genuanceerd ‘weet ik niet’ door de rest. Sommigen hadden liever nog vaker versneld.

In 2013 werd het onderzoek ‘A Nation Deceived: How Schools Hold Back America’s Brightest Students – A Nation Deceived highlights disparities between the research on acceleration and the educational beliefs and practices that often run contrary to the research’* gepubliceerd, die de voorgenoemde bevindingen bevestigen. Conclusies Nicolas Colangelo na 50 jaar onderzoek:
– versnellen is goed en effectief
– versnellen levert geen schade aan emotionele sociale ontwikkeling
– onderzoek kan zeer stevig gefundeerd aantonen maar vecht tegen de praktijk die het niet gaat toepassen
– onderzoek en praktijk komen niet bij elkaar vanwege het systeem van onderwijs, sociaal en emotioneel aspect en de politieke trend’iedereen gelijk’
– angst voor het onbekende
– uit onderzoek blijkt de nummer 1 overtuiging/angst heel sterk is: we zijn bang dat er sociaal emotionele problemen ontstaan bij het kind.

Let op, dit rapport bestaat uit 2 delen! Download hier. De informatie in Volume II vormt de basis voor de inhoud van Volume I

Conclusie: In de praktijk blijkt er weinig reden tot zorg. Versnelling blijkt een praktische en productieve manier om deze kinderen passend onderwijs te geven en hun prestatie-motivatie te verhogen. Ook op sociaal-emotioneel gebied blijken de versnelde leerlingen goed te functioneren. Wat van belang is dat er indien ingezet wordt op gestructureerde extra begeleiding, gebaseerd op vertrouwen. De houding van de mentor en leerkrachten is daarbij ook van groot belang. Erkennen dat deze kinderen ‘anders’ zijn en andere behoeftes hebben is daarvoor de basis, net zoals aandacht voor het hebben van een juist beeld over deze kinderen. Aanpassing van het programma kan bestaan uit het variëren van de verrijking van de lesstof, zodat deze uitdagend is tot – indien dit eerste niet afdoende blijkt – het aanbieden van een apart lesprogramma en/of individuele begeleiding. Een investering van leerkrachten en scholen ten aanzien van kennis over deze doelgroep is een must. Tolerantie en extra ‘ruimte’ voor deze kinderen is daarbij ook een vereiste. *

Met dank aan Wijssein – Sonja Morbé voor de vertaling van de conclusies van A Nation Deceived: How Schools Hold Back America’s Brightest Students

Aanvulling 7 april 2015:

‘Versnelling in het funderend onderwijs’ – een onderzoek van Onderwijs in cijfers

Onderwijs in Cijfers is een samenwerking tussen het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS), Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) en het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW).

“Sommige leerlingen in het primair onderwijs (po) en voortgezet onderwijs (vo) hebben behoefte aan extra uitdaging. Scholen kunnen dan, onder andere, een versnelde leerroute aanbieden.

In deze thema-analyse onderzoeken we de loopbaan van twee groepen versnelde leerlingen: herfstkinderen en leerlingen die versneld hebben, maar geen herfstkind zijn. We gaan in op hoeveel en welke leerlingen versnellen, hoe succesvol deze leerlingen zijn in hun verdere schoolloopbaan en de effecten van versnellen voor de ontwikkeling van kinderen.”

Lees hier verder.

Lees ook:

Onderwijs uitgelegd: DL en DLE, wat kun je daar als ouder mee

Onderwijs uitgelegd: Doortoetsen

Dorien Kok

Verschil in snelheid van informatieverwerking tussen tienerjongens en -meisjes.

Snelheid van informatieverwerking is een factor die belangrijk is voor veel schoolse taken. Op een schooldag worden leerlingen met veel informatie geconfronteerd, en de snelheid en efficiëntie waarmee ze die verwerken is medebepalend voor hoe goed zij kunnen presteren. Er is onderzocht of er tijdens de vroege adolescentie verschillen zijn tussen jongens en meisjes in de efficiëntie waarmee ze informatie kunnen verwerken. Deelnemers aan het onderzoek waren 306 adolescenten uit de brugklas en derde klas van het voortgezet onderwijs (respectievelijk 13 en 15 jaar oud). Zij maakten een zogenaamde substitutie taak, waarin ze een letter-cijfer koppeling leren en binnen een gegeven tijdsinterval zoveel mogelijk van deze letter-cijfer koppelingen invullen. De resultaten lieten zien dat leerlingen uit de derde klas beter op deze taak presteerden dan leerlingen in de brugklas. Onafhankelijk van leeftijd waren meisjes beter in deze taak dan jongens. Daarnaast was er een effect van opleidingsniveau: leerlingen van het vwo presteerden beter dan leerlingen van de havo. Schoolcijfers waren niet gerelateerd aan de snelheid van informatieverwerking. Hieruit blijkt dat niet de schoolcijfers, maar de leerling-karakteristieken zoals leeftijd, geslacht en opleidingsniveau voorspellend zijn voor de efficiëntie waarmee informatie wordt verwerkt.

Dit is de samenvatting van het artikel van Dekker et al in Frontiers in Psychology 2013.

Dekker, S., Krabbendam, L., Aben, A., de Groot, R. H. M., & Jolles, J. (2013). Coding task performance in early adolescence: A large-scale controlled study into boy-girl differences. Frontiers in Psychology, 4:550. doi: 10.3389/fpsyg.2013.00550

Download hier gratis het onderzoek. Sanne promoveerde op 1 november 2013 onder andere op dit onderzoek (VU).

De blog van Jelle Jolles over dit onderzoek is hier te lezen.

Oproep ouders/scholen vervolgonderzoek dyslexie en hoogbegaafdheid UU

Universiteit UtrechtAan de Faculteit Sociale Wetenschappen van de Universiteit Utrecht is in september 2012 een grootschalig onderzoek gestart naar dyslexie bij hoogbegaafde kinderen. Dyslexie is een aanhoudend en ernstig probleem met de technische leesvaardigheid. Eén van de grootste problemen met betrekking tot hoogbegaafdheid is dat veel van deze kinderen (te) laat of helemaal niet worden herkend. Dit probleem is vooral nijpend wanneer kinderen niet alleen hoogbegaafd zijn, maar ook een specifiek leerprobleem hebben, zoals dyslexie. Hierdoor blijft veelal adequate ondersteuning voor deze kinderen uit. Dit onderzoek wordt mede uitgevoerd om hier verandering in te brengen.

Naar verwachting krijgen hoogbegaafde kinderen met dyslexie doorgaans pas echt problemen wanneer zij een vreemde taal gaan leren. Voor dit onderzoek zijn we daarom op zoek naar kinderen die aankomend schooljaar in de eerste of de tweede klas van het voortgezet onderwijs zitten (geboren tussen 1999 en 2002). Kinderen van alle niveaugroepen kunnen in aanmerking komen om deel te nemen aan het onderzoek. De specifieke onderzoeksgroepen die gevormd gaan worden zijn (1) hoogbegaafd/dyslexie, (2) hoogbegaafd, (3) dyslexie en (4) gemiddeld/geen leerproblemen.

Bij de deelnemende leerlingen zullen een aantal testjes worden afgenomen, om zo meer zicht te krijgen op hun intelligentie en lees- en spellingvaardigheid in het Nederlands en Engels. Daarnaast zal worden gekeken naar onderliggende factoren, zoals geheugen en algemene taalvaardigheid. Het onderzoek vindt thuis of op school plaats en zal per kind in totaal ongeveer 1,5 uur duren. De testdatum en locatie worden in overleg met de ouders/school vastgesteld. Het onderzoek zal worden uitgevoerd door een orthopedagoog in opleiding die beschikt over de benodigde ervaring met het afnemen van deze testen. Sommige kinderen zullen recent al zijn gescreend of onderzocht door een officiële instantie. Indien deze gegevens bruikbaar zijn voor dit onderzoek, kan de testafname worden ingekort.

Na afloop kunnen de ouders en/of de leerkracht, indien gewenst, een overzicht van de onderzoeksresultaten krijgen, inclusief advies. Op basis van de onderzoeksresultaten kunnen echter geen  diagnoses gesteld worden. Mochten wij duidelijke aanwijzingen vinden voor een leerstoornis en/of hoogbegaafdheid, dan zullen we het kind doorverwijzen naar een onderzoeksinstituut voor (verkort) aanvullend of vervolg onderzoek.

Alle gegevens die bij dit onderzoek worden verkregen, zullen als vanzelfsprekend anoniem worden verwerkt. Door deel te nemen aan dit onderzoek kunt u als school niet alleen een bijdrage leveren aan de wetenschap, maar ook indirect (hoog)begaafde kinderen met leerproblemen helpen. Wij hopen daarom dat we op uw medewerking mogen rekenen!

U kunt zich aanmelden door het aanmeldingsformulier op te sturen naar hbdys@uu.nl of door het aanmeldingsformulier in te vullen op onze website[1]. Mocht u vragen hebben, dan kunt u contact opnemen door een mail te sturen naar S.vanViersen@uu.nl of E.H.Kroesbergen@uu.nl.

Met vriendelijke groet,

Lilian Kalee (stagiaire), MSc. Sietske van Viersen en Dr. Evelyn Kroesbergen

Let op!

Ouders: Voor de individuele kinderen geldt dat we het liefst hebben dat er ooit al intelligentie en/of dyslexieonderzoek is gedaan. De ervaring leert dat er anders later toch veel kinderen moeten worden uitgesloten. Ook als de geldigheid van het onderzoek al is verlopen, is het nog steeds van toegevoegde waarde voor ons.

Scholen: De eisen die we stellen aan scholen is dat er dyslexiescreening wordt gedaan (in ieder geval in de 1e en 2e klas). Op basis van deze screening is het voor ons gemakkelijker om kinderen te selecteren voor de verschillende onderzoeksgroepen. Verder hebben scholen met alle niveaus (vmbo, havo, atheneum, gymnasium) onze voorkeur. Wellicht moeten we op een later punt nog op zoek naar meer hoogbegaafde kinderen, dit kan dan via de categorale gymnasia.