Tagarchief: Tweede Kamer

Brief aan de Tweede kamer, betreffende de knelpunten in het VMBO.

Lisette vdBLisette van den Beld wist niet wat haar overkwam toen ze op 10 mei een reactie op het Jeugdjournaal op haar Facebookpagina zette.

“Ik keek vandaag naar het Jeugdjournaal, het item over de Cito-toets wekte zoveel wrevel op bij mij dat ik ze gemaild heb.”

In haar bericht aan het Jeugdjournaal: “De VMBO leerling is zwaar ondergewaardeerd in onze samenleving en wordt maar gepusht om door te stromen naar havo/hbo en zonder het te beseffen werken jullie daar ook aan mee.”

In het filmpje over de Cito-toets was er vooral aandacht voor kinderen met een vwo-advies. Kinderen met een vmbo-advies zouden daar een rotgevoel van kunnen krijgen. Haar verzoek aan het Jeugdjournaal: “Help vmbo-leerlingen ook eens door hun prestaties in beeld te brengen! Wat is onze maatschappij zonder vakmensen als bouwvakkers, verzorgenden, monteurs, winkelmedewerkers, tuinmannen??” 

Haar brief aan het Jeugdjournaal maakte in heel Nederland wat los, zo ook  bij de redactie van het Jeugdjournaal. Ronald Bartlema,  Chef Nos Jeugdjournaal stuurde een brief terug en kwam op de school van Lisette filmen voor de volgende uitzending. Ook de kranten pikten haar schrijven op.

Het bericht van Lisette op Facebook is tot vandaag ruim 37.000 keer gedeeld. Bijna 13.000 reacties op Facebook, die aangaven dat ze haar boosheid begrepen en deelden. Voor Lisette een goede reden om zich ook tot de politiek te wenden, in de hoop dat er vanuit alle politieke partijen aandacht en actie komt om de knelpunten uit het VMBO aan te pakken en op te lossen. Ze deelt in de brief ook de met collega’s gedeelte visie over hoe de knelpunten verbeterd kunnen worden.

Hieronder de brief die ze vandaag verzonden heeft:

Betreft: Knelpunten VMBO

Geachte heer, mevrouw,

Sinds mijn afstuderen in 1997 werk ik in het onderwijs en al in het eerste jaar heeft het toenmalige (i)VBO nu VMBO BBL/KBL mijn hart gestolen. Ik ben gestart als docent scheikunde in het VSO maar de laatste 8 jaar werk ik fulltime als leerlingbegeleider op een grote VMBO school. Hier ligt mijn hart en is mijn overtuiging gegroeid dat alle leerlingen recht hebben op waardering en trots moeten kunnen zijn op zichzelf.

De laatste jaren echter is het overheidsbeleid en de maatschappij zodanig veranderd dat het voor deze groep leerlingen en scholen steeds moeilijker wordt om zich staande te houden. Dat dit gevoel breed gedragen wordt in de maatschappij bleek wel toen mijn brief aan het Jeugdjournaal (d.d. 10-05-2017) massaal gedeeld werd via Facebook (ruim 34.000 keer gedeeld, ruim 77.000 likes en bijna 14.000 reacties) en werd opgepikt door diverse media. Sinds die dag zie ik steeds meer aandacht voor het VMBO en het belang van vakmensen in de media. Op 14 juni, de dag van de examenuitslagen, zag ik zelfs Sander Dekker een variant op mijn woorden gebruiken.

De reden dat ik deze brief naar alle partijen uit de Tweede Kamer schrijf is dat ik hoop dat er vanuit alle politieke partijen aandacht en actie komt om de knelpunten uit het VMBO aan te pakken en op te lossen. Uiteraard heb ik, samen met mijn collega’s, ook een visie hoe onderstaande knelpunten verbeterd kunnen worden. Ik zal mij hieronder echter beperken tot het puntsgewijs benoemen van een aantal knelpunten met daarachter een toelichting waarom de VMBO’s en de leerlingen hierin vastlopen of knel zitten.

1. De beeldvorming in de maatschappij: Vanuit de huidige politiek is er heel veel aandacht voor excellentie. Leerlingen moeten meer mogelijkheden krijgen tot doorstromen, het resultaat van de eindtoets moet steeds hoger en het schooladvies vanuit het PO naar het VO mag naar boven bijgesteld worden na een onverwacht hogere score op de eindtoets (naar beneden bijstellen mag niet!), hoog scorende scholen worden beloond en in de media is er vooral aandacht voor hoge en dus goede prestaties. Aandacht voor de cognitief zwakkere leerling met een beneden gemiddeld IQ die binnen zijn/haar mogelijkheden heel goed presteert is er bijna niet. Door de veranderende maatschappij hebben de VMBO’s steeds meer een negatief imago gekregen. Ouders hebben hierdoor vaak moeite het advies VMBO te accepteren, vooral wanneer het advies basis/kader is. Vanuit het PO komen veel geluiden dat groep 8 docenten veel moeite hebben deze gesprekken te voeren met ouders als zij een hoger niveau willen/verwachten. Er ligt veel druk op de docent om een hoger advies uit te brengen.

2. De bindende schooladviezen vanuit het PO en het niet mogen terugkoppelen vanuit het VO: Er is geen discussie over het advies dat een basisschool meegeeft aan een kind. Het advies is bindend en wordt overgenomen door het VO. Krijgt een kind een hoger niveau advies dan op grond van het leerlingvolgsysteem (6 jaar voortgang zichtbaar) aannemelijk is, dan is de kans zeer groot dat de leerling na 1 of 2 jaar het niveau op het VO niet aan kan. Een Mavo-leerling van een MHV-school zal dan gevraagd worden de overstap te maken naar het kaderniveau op een VMBO-school. Deze leerling heeft het niveau niet kunnen waarmaken en moet overstappen naar een andere school. Vanuit de privacywetgeving mag een VO school deze informatie niet terugkoppelen naar de PO school waar deze leerling vandaan komt. Op deze manier krijgt een PO school geen zicht op het feit of de niveau advisering goed verloopt en ontneem je de groep 8 docenten de kans hiervan te leren en met ouders te spreken over niveau advisering vanuit hun ervaring vanuit eerdere jaren.

3. Het onderbouwrendement: Het onderbouwrendement wordt al sinds jaar en dag gemeten, in kaart gebracht en beoordeeld door de inspectie. Een voldoende onderbouwrendement houdt in dat de leerlingen volgens verwachting vanuit het PO doorstromen naar bepaalde niveaus in de bovenbouw van het VO. Het gaat hier vooral om meetbare cijfers en prestaties. Als VMBO-school strijden wij constant voor een hoger onderbouwrendement. Een frustrerende bezigheid wanneer daarbij de omstandigheden van een kind niet worden meegenomen. Ik kan u als leerlingbegeleider vertellen dat de omstandigheden van een VMBO-leerling “gemiddeld genomen” ongunstiger zijn dan die van een leerling op een MHV-school. Er is voldoende wetenschappelijk onderzoek die dit ook zal bevestigen. “Passend onderwijs” zou gunstiger zijn omdat de verantwoordelijkheid van het onderbouwrendement bij het PO komt te liggen. De advisering van het PO blijkt gemiddeld genomen (over alle niveaus in het VO) goed uit te pakken. Gemiddeld genomen betekent dat er wel wat verkeerde adviezen zijn maar gemiddeld genomen is de advisering goed. U begrijpt toch ook dat de pijn dan haast wel bij het VMBO moet liggen? Terugkoppelen over de voortgang van deze leerlingen mag niet, de overheid accepteert deze verkeerde adviezen als acceptabel? De VO school en dan met name het VMBO kunnen vanwege de (beperkende) cognitieve mogelijkheden van de leerling deze leerling niet altijd op het (te)hoge niveau houden. Een leerling “stroomt af” naar een lager niveau en het onderbouwrendement van een school wordt lager, deze VO school wordt hier weer op afgerekend door de inspectie met een negatieve beoordeling op dat punt.

4. De “afstromende” leerlingen moeten zich inschrijven op een school waar het lagere niveau wordt aangeboden, dit noodzakelijke overstappen kent ook vele knelpunten: Bij mij op school betekent dit elk jaar zo’n 20-25 aanmeldingen voor leerjaar 3 en 10-15 aanmeldingen voor leerjaar 2. In onze regio zijn 5 VMBO-scholen waar 80 – 100 leerlingen herplaatst moeten worden. Nadat wij hebben vastgesteld of de aangemelde leerlingen terecht naar ons zijn verwezen proberen we de toelaatbare leerlingen zo veel mogelijk te plaatsen. Helaas komt voor dat sommige vakrichtingen al helemaal gevuld zijn door de leerlingen die al bij ons op school zitten. De leerling die zich aanmeldt voor leerjaar 3 is dus afhankelijk van de overgebleven plaatsen. Hierdoor gebeurt het vaak dat als de gekozen afdeling vol zit, een leerling theoretisch wel geplaatst kan worden maar dan op een afdeling die niet past bij deze leerling. Voorbeeld: een leerling heeft affiniteit met zorg & welzijn, deze afdeling zit vol maar er is wel plaats bij de afdeling bouw. Deze leerling kan daar praktisch gezien niet geplaatst worden omdat de slagingskans nihil is voor een leerling die op een afdeling zit waar het geen affiniteit mee heeft. Omdat er aan praktijklokalen een maximaal aantal leerlingen zit vanwege de inrichting van het aantal werkplekken en we te maken hebben met veiligheidsregels kan er niet “nog even een leerling bij” en voor 4-5 leerlingen kun je geen extra klas opzetten omdat je daar als VMBO de financiële middelen niet voor hebt. Dit zorgt voor veel verdrietige reacties bij de niet-geplaatste leerlingen en hun ouders, maar ook een groot gevoel van onmacht bij zowel de school waar de leerling naar toe wil als de school waar de leerling vandaan komt.

5. Geen heldere landelijke procedure voor de zij-instroom: De aanmelding zij-instroom komt pas laat op gang, de toeleverende scholen vinden deze gesprekken lastig, ouders en leerlingen willen vaak nog extra tijd om te bewijzen dat ze het wel halen op de huidige school en wachten lang met aanmelden. Hiervoor zijn geen landelijke beleidsregels en geen wettelijke kaders behalve de wet op passend onderwijs die VMBO scholen dwingt deze geschikte leerlingen aan te nemen of te verwijzen naar een andere geschikte school met plek. Tussen de verschillende regio’s zijn grote verschillen qua organisatie van het zij-instroom beleid. Voor 1 mei maakt elke school zijn formatieplan voor het nieuwe jaar, het gros van de aanmeldingen voor zij-instroom komt nadat de formatieplannen al klaar zijn. Het komt voor dat er op geen enkele school meer passende beschikbare plekken zijn voor deze leerlingen in de regio en dan? Daar lopen de VMBO scholen vast. Ook hier stel ik vast dat er in het overheidsbeleid niet nagedacht is over het VMBO.

6. Het aanbod van MBO-niveau 1 en 2 opleidingen wordt steeds minder (vaak de route na het behalen van een diploma VMBO BBL of als een diploma niet haalbaar blijkt): Leerlingen kunnen na het verlaten van het VMBO (al dan niet met diploma) niet altijd meer de richting volgen waar hun hart ligt omdat deze niveaus steeds minder keuze bieden. Gevolg hiervan is dat deze groep een opleiding moet gaan doen waarvoor ze niet gemotiveerd zijn, ik hoef niet uit te leggen dat als er geen motivatie is, de slagingskans ook kleiner is. Halen ze het wel en hebben ze na die demotiverende periode op school nog de energie om een niveau 3 opleiding te starten dan kiezen ze vaak iets totaal anders waarmee de aansluiting niet soepel loopt qua vakinhoud. Zeker voor deze groep leerlingen is dat lastig vanwege hun cognitieve niveau.

7. Opwaartse druk en de effecten daarvan: Naast de al eerder genoemde effecten van de opwaartse druk (knelpunten zij-instroom, onderbouwrendement, PO adviezen) is er een marktwerking rondom het onderwijs ontstaan. Er zijn veel particuliere bureaus opgericht gericht op de verschillende knelpunten voor ouders. Voorbeeld 1: Vanuit diverse persoonlijke overwegingen kiezen steeds meer ouders voor een kindercoach in plaats van dat ze naar de gespecialiseerde Jeugd GGZ gaan als hun kind vastloopt. Kindercoach is geen beschermd beroep en de kwaliteit van deze bureaus zijn zeer divers. De dynamische driehoek school-ouders-leerling worden door de minder goede bureaus niet altijd in een goed evenwicht gebracht en de resultaten die behaalt worden voldoen vaak niet aan het doel dat gesteld werd en noodzakelijk was voor een verdere, betere schoolgang. Voorbeeld 2: De wildgroei van particuliere huiswerkbegeleiding-instituten. Voorbeeld 3: de Cito-training bureaus, de leerling leert de beste strategie hoe hij/zij de citovragen moet beantwoorden. De uitkomst zegt in dat geval dus niets meer over de kennis van deze leerling. De citoscore valt hoger uit en de leerling krijgt een opgehoogd advies dat niet altijd reëel is. Voorbeeld 4: het verkrijgen van een dyslexie- of dyscalculie verklaring, het percentage leerlingen met een verklaring is heel erg hoog. Het programma Rambam heeft in een reportage nog laten zien hoe makkelijk deze soms worden afgegeven. 
Aan een aantal van bovenstaande voorbeelden hangt een flink kostenplaatje dat door veel ouders uit het VMBO niet betaald kan worden omdat deze groep ouders gemiddeld vaak een lager besteedbaar inkomen heeft. De leerlingen uit gezinnen met een hoger besteedbaar inkomen hebben hier profijt van waardoor de kansen van de leerlingen steeds verder uiteen lopen.

8. De aandacht die naar de score van de CITO eindtoets uitgaat: Elk jaar komt CITO met een persbericht over hoe de eindtoets gemaakt is. Dit wordt opgepakt door de media en overal in de media verschijnen deze cijfers. De CITO eindtoets is een toets die test waar een leerling staat qua cognitie, dit is geen prestatiemeter. Een cognitief zwakke leerling heeft uiteraard een lagere eindscore voor deze toets. De gemiddelde score van elke school wordt gepubliceerd in diverse lijsten waar de kwaliteit van de scholen opgezocht kan worden. Uit een gemiddelde citoscore van een school kan echter helemaal geen kwaliteitsoordeel gehaald worden. Een school die een cognitief zwakkere leerling populatie heeft zal altijd zwakker scoren dan een school met een grote groep hoog intelligente leerlingen. Het kan zijn dat de eerstgenoemde school hun leerlingen wellicht tot zeer goede prestaties kan krijgen in verhouding tot de cognitieve mogelijkheden van deze leerlingen. De school met een populatie van hoog intelligente leerlingen kan, ondanks een hoog gemiddelde, toch onder verwachting scoren. Waarom dan toch die aandacht voor CITO elk jaar?

9. Erkenning kennis en deskundigheid van schoolmedewerkers: In de wet op passend onderwijs houdt een school altijd de zorgplicht. Dit betekent dat als een leerling het niet redt op de huidige school en de school handelingsverlegen is, de school samen met de ouders op zoek gaat naar een passende geschikte plek voor deze leerling. Vroeger werd de kennis en de deskundigheid van medewerkers op school zelden in twijfel getrokken en begrepen ouders dat het overstappen soms noodzakelijk was voor een verdere goede ontwikkeling van hun kind. Tegenwoordig zijn er zoveel (zelfbenoemde) deskundigen te vinden via het internet/sociale media dat er een steeds grotere groep ouders is die meer vertrouwen hebben in wat zij lezen van deze deskundigen, dan vertrouwen in de mensen die dagelijks met hun kind werken. Het gevolg is vaak dat ouders en school niet op 1 lijn staan en dat een leerling te lang op een plek blijft die in sommige gevallen zelfs beschadigend is voor deze leerling. Als ouders niet inschrijven op een passende plek of geen stappen ondernemen voor de noodzakelijke hulp kun je als school niets meer dan deze leerling zo goed mogelijk ondersteunen terwijl je handelingsverlegen bent. Dit soort situaties vragen ook veel van het incasseringsvermogen van de klasgenoten en de docenten.

10. De grote hoeveelheid veranderingen die het VMBO heeft gehad en nog krijgt, de werkdruk de financiële druk die dit oplevert: Het vernieuwd VMBO is dit jaar ingevoerd, de docenten zijn in hun taakuren (niet lesgebonden taken) heel hard aan het werk om voor dit vernieuwde VMBO hun lessen te schrijven. Dit vergt echter zoveel tijd en overleg dat de werkdruk door een combinatie van passend onderwijs en de steeds voortdurende veranderingen omhoog schiet. Docenten krijgen vaak extra taakuren voor het organiseren van alles rondom het vernieuwd VMBO, hierdoor zijn zij minder beschikbaar voor het geven van lessen. Een docent die minder lessen geeft is duurder voor de school. Maar hoeveel docenten kun je minder lessen laten geven? Voor het vernieuwd VMBO moeten ook de praktijklokalen aangepast worden en moet er veel nieuw materiaal aangeschaft worden. Al die veranderingen geven veel financiële druk op de VMBO’s die straks door deze druk genoodzaakt zijn keuzes te maken en afdelingen te sluiten. Het sluiten van afdelingen zorgt er weer voor dat minder leerlingen een opleiding kunnen volgen waar zij affiniteit mee hebben en dus voor gemotiveerd zijn. Ongemotiveerde leerlingen zorgen weer voor meer werkdruk bij docenten en een kleinere diplomakans bij de leerlingen.

11. Moet het vernieuwde VMBO het programma aanpassen aan de leerlingen die te laat afstromen naar VMBO. Doordat de afstroom zolang mogelijk wordt tegengegaan stromen binnenkort de leerlingen te laat in. In het vernieuwd VMBO worden de praktijkvakken al in leerjaar 2 gegeven en het praktijkexamen al in leerjaar 3 gedaan. Instromen in leerjaar 3 wordt hierdoor steeds complexer. De docenten moeten dan voor elke zij-instromer een programma op maat maken.
12. De LWOO-gelden: Een andere zorg is de verandering van de LWOO gelden. Nu krijgt een school voor een leerling die extra aandacht nodig heeft nog gelden voor de gehele schoolperiode, straks is dat alleen nog maar voor het eerste leerjaar. Door de verminderde financiële ruimte kun je deze groep leerlingen niet meer de extra steun bieden die zij zo hard nodig hebben.
De VMBO’s zitten klem, klem in de regelgeving, klem in het beeld dat de maatschappij van het VMBO heeft, klem qua financiën, klem in het passend onderwijs dat ze heel graag willen bieden maar niet altijd kunnen bieden en de VMBO docenten zitten klem in de enorme werkdruk die door al dit bovenstaande veroorzaakt wordt. VMBO docenten kiezen vaak heel bewust voor dit type onderwijs, maar wat ik om mij heen zie gebeuren is dat docenten de moed verliezen en steeds minder plezier hebben in hun werk. Het is ook steeds lastiger om docenten te vinden en de docenten die wel beschikbaar zijn op de arbeidsmarkt kiezen liever voor een schooltype als VMBO-t, havo en vwo.

Ik wil u vragen: Laat dit niet langer gebeuren. Zorg dat u beleid maakt waarbij de VMBO’s gehoord en begrepen worden en zorg ervoor dat deze knelpunten verdwijnen door een solide en betrouwbaar beleid waarbij de VMBO scholen ook financieel de ruimte krijgen de verschillende vakrichtingen open te houden. Ga eens kijken op een VMBO en praat met het team i.p.v. met een overkoepelende organisatie of een (vaak duurbetaalde) adviseur die alles vanaf een bureau ver van de werkvloer bedenkt. Ik nodig u van harte uit om eens op mijn school rond te kijken en in gesprek te gaan met mij en mijn collega’s over de knelpunten in het VMBO. Zowel de VMBO leerlingen als de collega’s die dagelijks zorgen voor deze leerlingen verdienen het om waardering te krijgen.

Vriendelijke groet,

Lisette van den Beld
Leerlingbegeleider VMBO

(Blog van Dorien Kok)

Klik op onderstaande afbeelding om het interview met Lisette in het dagblad De Gooi- en Eemlander te lezen. 

Schermafdruk Lisette

 

 

 

100 jaar vrijheid van onderwijs en noodzaak tot modernisering.

Op 17 mei (2017) ging ik op uitnodiging naar het door de VARO, de Vereniging van advocaten en rechtsbijstandverleners in het onderwijsrecht, georganiseerde symposium ter gelegenheid van 100 jaar onderwijsvrijheid.

Centraal stond de vraag de vraag of het voor de gewenste modernisering van de vrijheid van onderwijs (artikel 23*) noodzakelijk is om het juridische begrip “richting” op te geven zoals staatssecretaris Dekker propageert in zijn wetsvoorstel ‘Meer ruimte voor nieuwe scholen’.

Na een juridische inhoudelijke deel van het programma volgde een inhoudelijk debat: is het inderdaad nodig om het begrip ‘richting’ los te laten om te voldoen aan de eisen van de onderwijsconsument (leerlingen, met hun ouders/verzorgers als hun vertegenwoordigers) van nu. Wat zijn de gevolgen hiervan voor de onderwijskwaliteit in Nederland, als gevolg van versnippering van het onderwijsaanbod. Vormt ‘Meer ruimte voor nieuwe scholen’ een bedreiging voor bestaande scholen.

Ik was, samen met Pieter Huisman (bijzonder hoogleraar onderwijsrecht en lid van de Onderwijsraad), Roelof Bisschop (politicus voor de SGP en directeur in het voortgezet onderwijs) en Guido Bastiaans (initiatiefnemer van een nog te starten VO school in Utrecht dat zich speciaal richt op duurzaamheid) uitgenodigd om inzichten te delen in het debat waarmee VARO het symposium afsluit. Ik kon als voorzitter en initiatiefnemer van stichting Omniumscholen een mooi inkijkje geven in de hindernissen en knelpunten waartegen wij als stichting in de afgelopen jaren zijn aangelopen. Dit omdat ik al lange tijd intensief betrokken bent bij de oprichting van een nieuwe school, dat bovendien een heel nieuw concept is en ik het huidige onderwijsbestel van binnenuit heb leren kennen. Roelof Bisschop bleek helaas op het laatst verhinderd.

Annejet Swarte (stafjurist College Rechten van de Mens) vertelde als eerste spreker over de vrijheid van onderwijs vanuit het perspectief van de onderwijsvrager. Ze gaf ons onder andere een inkijk in de oordelende taak van het College van de Rechten van de Mens en de uitgangspunten in de gelijkebehandelingswetgeving. Daarbij sprak ze ook over uitsluiting op grond van handicap of chronische ziekte. Beoordeling over ‘gelijke behandeling’ gebeurt in individuele zaken.

Ze informeerde de aanwezigen over recente ontwikkelingen zoals de invoering passend onderwijs en de ratificatie van het VN-verdrag handicap** – die de Nederlandse overheid mede ondertekent heeft. Het woord inclusief in artikel 24 van het VN-verdrag gaf een mooie uitwisseling over in hoeverre het onderwijssysteem in Nederland als inclusief te beschouwen is. De meningen over wat dit artikel in de praktijk betekent zijn verdeeld.

Ten aanzien van vrijheid van onderwijs (artikel 23 in de grondwet) berichtte ze vanuit de praktijk van het College dat onderwijsconsumenten belemmeringen ervaren. De nieuwe wet vanuit het wetsvoorstel ’Meer ruimte voor nieuwe scholen’ lijkt geen volgen te hebben voor de toepassing van de gelijkebehandelingswet.

Frans Mulder (BMC) belichtte als tweede spreker het wetsvoorstel ‘Meer Ruimte voor Nieuwe Scholen’ vanuit het perspectief van de besturen. De vraag was of hij ons mee kon nemen naar de situatie waarin het wetsvoorstel ‘Meer ruimte voor nieuwe scholen’ is aangenomen en toe kon lichten wat er dan allemaal is veranderd. Dit was niet mogelijk, omdat het aangepaste ontwerp niet openbaar is tot dat het kabinet het naar de Tweede Kamer stuurt. Het ontwerp zoals we dat nu kennen is van januari 2016 (internetconsultatie).

Startpunt van zijn betoog werd daarom ‘het zou best deze kant op kunnen gaan’. Zijn verwachting is dat het aangepaste ontwerp niet controversieel is en nog dit jaar in behandeling wordt genomen. De Tweede Kamer wacht het wetsvoorstel nu dus af. Vraag is of het mislukken van de formatie hier invloed op heeft. Er ligt voorlopig geen wijziging in de planning, er zijn echter ook geen garanties op een goede afloop.

Frans duidde als voorbeeld van het op slot zitten van het huidige systeem met dat er in de afgelopen 10 jaar maar rond de 10 nieuwe scholen voor voortgezet onderwijs gestart zijn. Weinig dus. Er is voor het waarom een directe link te leggen naar de hoge stichtingsnormen, de prognose of directe meting, dat er van bekende richtingen al veel aanwezig is en dat er eigenlijk nog discussie is over wat richting inhoudt, wat de waarde van een bepaalde richting is in de samenleving en in hoeverre deze geworteld is in ons maatschappij.

Staatssecretaris Sander Dekker heeft dus gelijk als hij zegt dat het systeem op slot zit. De huidige prognosesystematiek meet daarbij ook niet de daadwerkelijke belangstelling, wat soms op een eigenlijk oneerlijke nee voor een start uitloopt. Daarbij is er ook geen kwaliteitcheck op nieuwe scholen.

De basis voor het huidige onderwijslandschap ligt in keuzes die gebaseerd zijn op een werkelijkheid die in vroegere tijden actueel was, waarin maatschappelijke verzuiling en bezuinigingspolitiek een grote rol speelden. Er ligt nu, naar mijn mijn mening, een nieuwe werkelijkheid – de wereld is veranderd. Net meer dan de helft van de Nederlandse bevolking belijdt nog een geloof, toch zijn er maar 3 niet-confessionele richtingen in het onderwijs – met daarnaast 10 confessionele.

Er is in Nederland een zoektocht gaande naar ‘lege plekken’ in de richtingszuilen, voor bijvoorbeeld initiatieven met een pedagogisch of didactisch concept. Dit levert soms optelsommen aan richtingen op, zoals bijvoorbeeld een recent aanvraag in Almere – die trouwens afgewezen is: islamitisch, hindoestaans, protestants-christelijk én rooms-katholiek.
Als alternatief spreken nieuwe initiatieven met bestaande besturen om vanuit BRIN ‘leenheerschap’ toch te kunnen starten. Dat kan een goed alternatief zijn, was het niet dat er dan risico is op verwatering van het nieuwe onderwijsconcept, omdat de leenheer natuurlijk invloed wil hebben op wat men in huis haalt.

De nieuwe plannen hebben gevolgen voor de belanghebbenden (ouders etc.), de samenwerking in de regio, de huisvesting van scholen en de gemeenten. Er worden eisen gesteld aan bestuurders, er komt een uitnodigingsplicht voor overleg in de regio en een procedure voor ouderverklaringen. Onderwerpen waar nog veel vragentekens en onduidelijkheden over zijn en bezwaren tegen de mogelijke invulling daarvan. Er komt een toets op groei na de start en er is sneller sprake van sluiting bij onvoldoende kwaliteit. De procedure zal naar verwachting korter zijn dan nu. Het begrip richting vervalt als bepalende factor voor de bekostiging, er blijft alleen een onderscheidt tussen openbaar en bijzonder onderwijs over. Daarnaast spelen verwachte leerlingaantallen en kwaliteitseisen een grote rol.

Dat laatste is een lastige. Is het aan de staat om te bepalen wat kwaliteit is of aan de betrokkenen zelf. Het is goed dat politiek zich met het onderwijs bemoeit waar het over het stelsel gaat, de huidige discussie over de kwaliteit van leraren duidt echter dat het werkveld invulling van kwaliteit mogelijk anders ziet dan de politiek. Hoe ver moet politieke bemoeienis gaan over kwaliteit als je het hebt over vrijheid van onderwijs. Er ligt natuurlijk een verantwoording tot een zekere bemoeienis vanuit de grondwet en de investering van geld uit de samenleving.
Het nieuwe startdocument zorgt er voor dat nieuwe initiatieven goed na denken over hun kwaliteiten, plannen en invulling, echter de beoordelende partij – de onderwijsinspectie – is geen onafhankelijk orgaan. Er moet dus een helder kader komen rond de beoordeling van de onderwijsinspectie ten aanzien van het startdocument.

Er zijn naast de kwaliteitstoets van de inspectie nog meer vraagtekens: de samenhang naar stichtingsnormen en huisvesting ontbreekt nu nog: thema’s die eigenlijk onlosmakelijk verbonden zijn met de succesfactor van de voorgestelde wijzigingen. Er zijn nog ook vragentekens over de ruim gestelde rol van de Minister ten aanzien afwijzing van een aanvraag. Wat te doen met krimpgebieden, ‘laatste school van richting’, overvolle regio’s. Hoe beschermen we de huidige scholen -mede in verband met de vergrijzing-, in hoeverre zijn scholen bereid tot samenwerking/bundeling van krachten en het loslaten van het concurrentengevoel. Gaan bestaande scholen zich meer profileren om te blijven bestaan en hun basis aan kwaliteit verhogen. De kwaliteitstoets kan een prikkel vormen voor bestaande scholen om te werken aan hun kwaliteit, waarbij de wensen van ouders en leerlingen worden meegenomen. Hetzelfde geldt voor innovatie.

Veel redenen tot twijfel over de nieuwe plannen, maar ook bijval voor de doorbreking van het huidige stelsel. Nu is het afwachten. Is er genoeg politiek en maatschappelijk draagvlak voor de plannen. Grote vraag is ook: gaat het iets oplossen. En wat dan. Zien we nu ook grotere en meer beren op de weg dan de praktijk zal laten zien of klopt onze aarzeling.

Dorien Kok
http://DorienKok.nl

* Artikel 23 grondwet. De Nederlandse Grondwet

** Artikel 24 VN-Verdrag handicap. De Staten die Partij zijn erkennen het recht van personen met een handicap op onderwijs. Teneinde dit recht zonder discriminatie en op basis van gelijke kansen te verwezenlijken, waarborgen Staten die Partij zijn een inclusief onderwijssysteem.

#TK2017: partijstandpunten over onderwijs aan hoogbegaafden

Tweede kamerUPDATES
22 februari: Zie SGP
23 februari: zie PVV
24 februari: zie Ondernemerspartij
27 februari: zie Forum voor Democratie
1 maart: zie CDA
2 maart: zie PvdA en Piratenpartij
10 maart: zie SP
14 maart: zie D66

In een eerder blog van juni 2010  (“PvdA: ‘Hoogbegaafde kinderen kosten klauwen vol geld’”) schreef  ik over de toenmalige standpunten van de politieke partijen in Nederland ten aanzien van onderwijs voor hoogbegaafde kinderen.

Voor de verkiezingen van 2012 deed ik dit opnieuw. Dit keer niet via directe navraag bij de partijen maar via de blog van onderwijsjournalist Ronald Buitelaar, die de onderwijsparagrafen van de verkiezingsprogramma’s heeft verzameld.

Op 15 maart 2017 gaan we weer naar de stembus. Wat is nu de stand van zaken?

Excellentie
In het algemeen pakt het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap onderwijs aan hoogbegaafden op via het thema ‘Excellentie’.

Het gevaar voor hoogbegaafden ten aanzien van de benadering vanuit excellentie is dat vele hoogbegaafde leerlingen niet excelleren en niet gezien en geholpen worden. Hoogbegaafd betekent immers niet altijd dat er sprake is van excelleren. Voorkomende problemen zijn oa leerproblemen, faalangst en onderpresteren, maar ook misdiagnoses spelen een rol. Andersom betekent het feit dat een kind excelleert absoluut niet dat het ook hoogbegaafd is. Excelleren betekent immers eigenlijk alleen maar uitblinken. Veel thuiszitters blijken hoogbegaafde leerlingen te zijn.

Kosten
Staatsecretaris Sander Dekker heeft in april 2016 in antwoord op vragen van Kamerlid Siderius aangegeven dat het onderwijs voor hoogbegaafde leerlingen net als voor andere leerlingen vrij toegankelijk en kosteloos moet zijn. De samenwerkingsverbanden passend onderwijs moeten op papier voorzien in een passend aanbod voor elke leerling, ook voor hoogbegaafde leerlingen.

In de praktijk blijkt dit nog steeds niet altijd zo te zijn. Ouders wordt bijvoorbeeld bij de voordeur van school verplicht om te tekenen voor de betaling van de ouderbijdrage om toegang tot dit onderwijs te krijgen voor hun kind of worden verwezen naar regulier onderwijs als ze de bijdrage niet langer kunnen of gezien bovengenoemde kostenbesluit niet (langer) willen betalen. Ouders durven hiervoor niet hardop aan de bel te trekken, omdat scholen en besturen dan zeggen de speciale afdelingen/scholen mogelijk te sluiten.

Ouders zijn doorgaans diegene bij wie de rekening voor extra begeleiding of onderzoek door experts op de mat valt. Als ze daarvoor draagkrachtig genoeg zijn tenminste, anders staan ze met lege handen. Dit versterkt de ongelijkheid in het onderwijs.

Expertise
Ook missen veel scholen en samenwerkingsverbanden nog de expertise rond deze leerlingen, waardoor maatwerk lastig te verkrijgen is. Problemen worden ook nog te vaak verkeerd uitgelegd, bijvoorbeeld vanuit diagnostiek. Het is daarnaast belangrijk dat deze kinderen niet per se als zorgleerling moeten worden gezien, maar dat het besef er komt dat er maatwerk geleverd moet worden om deze (eigenlijk gewoon alle) kinderen hun natuurlijke ontwikkeling te laten volgen. De maatschappelijke kosten van het niet (h)erkennen van hoogbegaafdheid zijn daarbij hoog, zeer hoog. Zo hoog dat de kosten van eventuele extra begeleiding daarbij in het niet vallen.

Extra aandacht voor passend onderwijs aan hoogbegaafden is dus echt nodig.

Huidige vragen aan de politiek
Concreet zijn de volgende twee vragen met toelichting gesteld aan de deelnemende partijen*:
1. Programma’s en speciaal onderwijs voor hoogbegaafde kinderen moet worden ondersteund. Ziet uw partij dit ook zo en hoe gaat u dit concreet invullen.
2. Hoe ziet uw partij de problematiek rond de extra kosten voor ouders en het tekort aan benodigde expertise.

Partijprogramma’s
Daarnaast heb ik de partijprogramma’s bekeken op het het onderwerp onderwijs in het algemeen, talentontwikkeling, maatwerk, thuiszitters en natuurlijk hoogbegaafdheid.

Hieronder vindt u een samenvatting van de inhoud van de partijprogramma’s per partij benoemd, op volgorde van het kiesnummer. Een eventuele reactie op bovengenoemde vragen wordt daar ook bij elke partij benoemd. Ik heb de partijen die niet reageerden na 14 dagen een herinnering gestuurd.

VVD
“De VVD vindt dat ieder kind de beste kansen verdient om zijn talenten te ontwikkelen. De jeugd heeft immers de toekomst. Om ervoor te zorgen dat onze kinderen in alle opzichten kunnen meedoen in de samenleving is het van levensbelang dat zij goed onderwijs krijgen. Goed onderwijs helpt hen bovendien om zich te ontplooien tot mensen met verantwoordelijkheidsbesef en respect voor ieder individu. Ook biedt goed onderwijs iedere leerling – ongeacht zijn afkomst – kennis van en inzicht in de Nederlandse samenleving en rechtstaat. Goed onderwijs sluit aan bij de arbeidsmarkt en stimuleert ondernemerschap. Ons land heeft een goed opgeleide beroepsbevolking nodig die alle talenten optimaal benut, van jong en oud. Talent zit volgens de VVD niet alleen in de hersens maar ook in de handen. Goede vaklui brengen ons land verder, of je nu loodgieter bent of advocaat.

De VVD vindt dat onderwijs in het teken moet staan van de leerling. Scholen moeten het beste uit iedere leerling zien te halen. Dat kan alleen als de overheid de kwaliteit van het onderwijs centraal stelt. De VVD tolereert niet dat kinderen ondermaats onderwijs krijgen.

Talent krijgt in het onderwijs te weinig kans. Met tal van onderwijsvernieuwingen is geprobeerd om gelijk te maken wat niet gelijk is. Leerlingen moeten als gevolg daarvan te veel  ́passen in het systeem’. De VVD wil dat omdraaien, zodat het systeem zich weer aanpast aan de leerling. Alle individuen zijn immers verschillend, zowel in achtergrond als in ambities en talenten. De VVD kiest voor beter onderwijs om de eisen die aan toekomstige generaties gesteld worden voor te zijn. De VVD investeert daarom 2,5 miljard euro extra in het onderwijs.

De VVD wil ruim baan geven aan het gymnasium, en hoogbegaafdheid moet serieus worden genomen in het onderwijs: bijzonder talent verdient bijzondere aandacht.”

Het complete verkiezingsprogramma van de VVD is hier te vinden.”

PvdA
“Onderwijs is een cruciale waarde in de vormende jaren van kinderen en jongeren. Zij leren stap voor stap de wereld kennen en kunnen in deze periode het gemakkelijkst en gretigst nieuwe dingen leren. Zij moeten in die jaren alle kansen krijgen om zich kennis en vaardigheden eigen te maken, en hun persoonlijkheid, hun wereldbeeld en hun interesses te vormen. Een gunstige, inspirerende start blijft een leven lang doorwerken. Ouders en verzorgers hebben hierin een grote verantwoordelijkheid, en daarnaast is het onderwijs van onschatbare waarde.

Het ene kind ontwikkelt zich sneller dan het andere, doordat talenten uiteenlopen maar ook doordat de sociaaleconomische achtergrond per kind verschilt. In het gehele onderwijs moeten we dan ook de hindernissen wegnemen voor kinderen die met een achterstand beginnen, en recht doen aan ‘laatbloeiers’ die in een ander tempo leren dan gemiddeld. Behalve kennisoverdracht en cognitieve ontwikkeling moeten ook persoonlijke, sociaal- emotionele ontplooiing en burgerschap deel uitmaken van het onderwijs. Dit vereist uitstekend onderwijs voor iedereen, juist ook voor kinderen die van huis uit minder meekrijgen, en juist ook in de meest kwetsbare wijken. Zo draagt het onderwijs bij aan de vorming van zelfstandige en autonome burgers die volwaardig aan de samenleving kunnen deelnemen.”

Het woord hoogbegaafd(heid) komt niet voor in het partijprogramma van de PvdA.

UPDATE 2 maart: Schriftelijke reactie publieksvoorlichting PvdA  op gestelde vragen betreffende hoogbegaafdheid:

2017-pvda-antwoorden

Het complete verkiezingsprogramma van de PvdA is hier te vinden.

PVV
De woorden onderwijs en hoogbegaafd(heid) komen niet voor in het partijprogramma van de PVV.

UPDATE 23 februari: Schriftelijke reactie publieksvoorlichting PVV op gestelde vragen betreffende hoogbegaafdheid:
20170223-pvv-antwoordHet complete verkiezingsprogramma van de PVV is hier te vinden.

SP
“Passend onderwijs is nu teveel knellend onderwijs. Het speciaal onderwijs blijft gegarandeerd voor leerlingen met een (ernstige) beperking, gedragsproblemen of zeer lage intelligentie. We investeren in specifieke leerprogramma’s met kleine klassen en voldoende ondersteuning. Speciale programma’s voor hoogbegaafden worden beschermd.

De ouderbijdrage wordt begrensd en is altijd vrijwillig, alle kinderen moeten kunnen meedoen aan activiteiten. Scholen die hiermee sjoemelen worden beboet.”

UPDATE 10 maart: Schriftelijke reactie SP via beleidsmedewerker Petra Schijvenaars op gestelde vragen betreffende hoogbegaafdheid:
20170310 SP Antwoorden #TK2017

Het complete verkiezingsprogramma van de SP is hier te vinden. Het kamerstuk waar de SP in haar antwoord naar verwijst is hier te lezen.

CDA
“Goed onderwijs is de belangrijkste investering in het land dat wij willen doorgeven. Onze ouderen hebben ons land opgebouwd, maar onze kinderen zijn de toekomst. Het is onze taak om hen thuis en op school goed voor te bereiden op hun rol en plek in de samenleving en de wereld daarbuiten. Goed onderwijs biedt alle kinderen en jongeren de kans om hun talenten te ontwikkelen en uit te groeien tot volwaardige en betrokken burgers.

Ondanks de belofte van ‘passend onderwijs’ voor alle kinderen is het aantal thuiszitters nauwelijks afgenomen.

Omdat ieder kind recht heeft op onderwijs is het idee achter het passend onderwijs op zich goed; de praktijk is echter veel te bureaucratisch, te weinig gericht op preventie en daardoor niet effectief. Te veel kinderen zitten alsnog thuis in plaats van op school. Wij willen dat scholen meer mogelijkheden en middelen krijgen om maatwerk te bieden, zowel voor kinderen die meer zorg nodig hebben als voor kinderen die meer uitdaging nodig hebben. Daarbij staat het belang van het kind altijd centraal in de toewijzing van budgetten.”

Het woord hoogbegaafd(heid) komt niet voor in het partijprogramma van het CDA.

UPDATE 1 maart: Schriftelijke reactie publieksvoorlichting CDA op gestelde vragen betreffende hoogbegaafdheid:

tk2017-cda-antwoorden

Het complete verkiezingsprogramma van het CDA is hier te vinden.

D66
“Goed onderwijs is, naast het gezin waarin je opgroeit, de aanjager van kansen en de motor van persoonlijke groei en ontplooiing. Een leven lang. Door onderwijs vergroot je niet alleen je kennis en ontwikkel je taal-, reken- of vakman vaardigheden: onderwijs bereidt je ook voor op een leven in een samenleving waarin er oog is voor de ander en waar mensen in staat zijn zelf goede keuzes te maken.

Talent en inzet zijn de enige factoren die het succes van het individu bepalen. Ongeacht je afkomst, kansen voor de toekomst.

Stimuleer getalenteerde leerlingen:
Uit vergelijkende onderzoeken blijkt keer op keer dat zwakkere leerlingen zich dankzij het Nederlandse onderwijsstelsel goed ontwikkelen. Dat is iets om trots op te zijn en op voort te bouwen met onze agenda van kansengelijkheid. Tegelijkertijd zijn wij veel minder goed in het ontwikkelen van de meest getalenteerde leerlingen en studenten. Wij zijn ervan overtuigd dat toptalent alleen maar belangrijker wordt voor het economisch en maatschappelijk succes van Nederland in een globaliserende wereld. Daarom wil D66 dat specifieke programma’s, zoals plusklassen en honoursprogramma’s, ruimschoots beschikbaar en toegankelijk zijn. Daar waar een kleine school deze niet kan aanbieden moet er met scholen in de buurt en de gemeente gezocht worden naar oplossingen. Daarnaast nemen we barrières weg, bijvoorbeeld door minderjarige leerlingen die naar de universiteit gaan, net als ieder ander toegang tot het sociaal leenstelsel te geven.

Passend onderwijs – voor achterblijvers én hoogbegaafde leerlingen:
Elk kind heeft recht op onderwijs op zijn of haar eigen niveau, binnen de eigen mogelijkheden. Of leerlingen nu achterblijven of juist hoogbegaafd zijn, of achterblijven omdát ze hoogbegaafd zijn: D66 wil hun leerrecht wettelijk verankeren. Voor kinderen die extra zorg nodig hebben, zijn extra budgetten beschikbaar. D66 wil het toekennen van deze budgetten eenvoudiger maken. Een aanvraag door school en ouder moet in principe voldoen. Passend onderwijs moet ook voorzien in specifieke behoeften van leerlingen met beperkingen. In sommige gevallen is en blijft speciaal onderwijs door vakspecialisten noodzakelijk.

Thuiszitten is nooit een acceptabel alternatief. De recente invoering van passend onderwijs verplicht schoolbesturen om samen te werken in het aanpassen van het onderwijs aan de onderwijsbehoefte van de leerling. Zo kunnen meer leerlingen in het regulier onderwijs blijven en wordt schoolverzuim tegengegaan. De ontstane samenwerkingsverbanden voor passend onderwijs zullen de komende jaren hard moeten werken om het aantal thuiszitters terug te dringen. Extra aandacht is nodig voor het vergroten van de betrokkenheid van de ouders en het beperken van de administratieve belasting van ouders en leraren.

Koester bijzonder talent:
D66 koestert jong sportief, creatief en ondernemend talent. Deze talenten lopen soms tegen de inflexibele structuur van het schoolse leven aan, ondanks de inzet van bijvoorbeeld Topsport Talentscholen (LOOT) of creatieve opleidingen zoals conservatoria. D66 wil dat we voor deze talenten flexibel omgaan met onderwijstijd en -doelen. Wij streven ernaar de mogelijkheden voor sportieve en creatieve talenten in het onderwijs te optimaliseren.”

UPDATE 14 maart: Schriftelijke reactie Irene van den Broek van D66  op gestelde vragen betreffende hoogbegaafdheid:
D66 20170314 #tk2017
Het complete verkiezingsprogramma van D66 is hier te vinden.

ChristenUnie
“Het onderwijs dat je geeft, is bepalend voor het land dat je bouwt. Onderwijs biedt kansen en perspectief. Nederland heeft dankzij de onderwijsvrijheid een wereldwijd uniek en sterk onderwijssysteem, met een grote diversiteit aan scholen. Ouders kunnen kiezen voor het onderwijs dat aansluit bij de opvoeding en levensovertuiging. De ChristenUnie staat pal voor de vrijheid van onderwijs.

Ieder kind is anders, gemiddelde kinderen bestaan niet. Iedereen heeft het recht om zijn of haar talenten te ontwikkelen: of je nu goed bent in taal en rekenen of juist met je handen. Of je nu veel of weinig beperkingen hebt. De ChristenUnie wil investeren in de toekomst van onze kinderen en kleinkinderen.

Uitval voorkomen: Een goede begeleiding van de overgang naar een volgende school, omdat het risicomomenten zijn voor schooluitval en leerproblemen.
Inclusief en passend onderwijs: Ieder kind heeft het recht om mee te doen.
Er komt meer ruimte voor maatwerk voor kinderen met een beperking of chronische ziekte, bijvoorbeeld om lestijden aan te passen.
Zorgbudget direct via scholen: Schoolbesturen zijn verantwoordelijk voor een passende plek voor iedere leerling. Daarom worden de zorgbudgetten directer ingezet op school.”

Het woord hoogbegaafd(heid) komt niet voor in het partijprogramma van de ChristenUnie.

Het complete verkiezingsprogramma van de ChristenUnie is hier te vinden.

GroenLinks
“Kansrijk onderwijs: Het onderwijs wordt gedomineerd door het economisme. Vanaf jonge leeftijd worden kinderen opgeleid tot producten voor de arbeidsmarkt. De vroege selectie begrenst de kansen van kinderen. Afkomst bepaalt welke opleiding zij volgen. Er gaat iets grondig fout als de talenten van jongeren worden verspild en zij hun dromen niet kunnen najagen.

GroenLinks wil kansrijk onderwijs met scholen waarin kinderen opgroeien tot zelfbewuste en nieuwsgierige volwassenen die vol zelfvertrouwen hun weg vinden in de moderne samenleving. Ieder kind is anders en ontwikkelt zich anders. Jonge mensen moeten op ieder schoolniveau, van vmbo tot vwo, van mbo tot universiteit, het beste uit zichzelf kunnen halen. We willen inclusieve scholen waar leerlingen hun eigen ontwikkeltempo kunnen volgen, waar ze leeftijdsgenoten met verschillende achtergronden ontmoeten en waar leerkrachten trots kunnen zijn op hun vak. Laatbloeiers krijgen een tweede, derde, en als het nodig is, een vierde kans.”

Het woord hoogbegaafd(heid) komt niet voor in het partijprogramma van GroenLinks.

Het complete verkiezingsprogramma van GroenLinks is hier te vinden.

SGP
“De overheid moet er op toezien dat alle kinderen onderwijs krijgen. Als ouders door middel van thuisonderwijs aan de leerplicht willen voldoen, dan dient de overheid die keuze te accepteren en te respecteren. Wel ziet zij er door periodieke controle op toe of dit thuisonderwijs aan basale wettelijke vereisten voldoet.

Ouders en docenten verdienen ook volop ruimte en vertrouwen om het onderwijs in vrijheid in te richten. Zo is het niet aan de overheid om te bepalen wat excellent onderwijs is. Dat is namelijk niet neutraal vast te stellen.

Het woord hoogbegaafd(heid) komt niet voor in het partijprogramma van de SGP.

UPDATE 22 februari: Schriftelijke reactie SGP via beleidsmedewerker G. Leertouwer op gestelde vragen betreffende hoogbegaafdheid:2070222-sgp-antwoordenHet complete verkiezingsprogramma van de SGP is hier te vinden.

Partij voor de Dieren
“Goed en toegankelijk onderwijs vormt het fundament van een vrije, democratische samenleving. Een samenleving bloeit alleen als iedereen, ongeacht zijn of haar afkomst, de kans krijgt zich te ontwikkelen en de opleiding te volgen die past bij zijn of haar vermogens. Toegankelijkheid van het onderwijs is een kernwaarde die te allen tijde onze verdediging verdient – en sinds de afschaffing van de basisbeurs zelfs weer moet worden bevochten.

Scholen moeten niet worden afgerekend op cijfers, maar op de daadwerkelijke ontwikkeling van de leerling. De rekentoets wordt afgeschaft en doorstromen naar een volgende opleiding wordt makkelijker gemaakt in plaats van moeilijker. Onderwijs moet niet alleen gericht zijn op het ontwikkelen van cognitieve vermogens maar op de ontplooiing van álle menselijke vermogens, inclusief sociale, emotionele, motorische en creatieve vermogens.

Leraren, leerlingen en ouders krijgen veel meer autonomie bij het bepalen van prioriteiten. Geen onderwijs dat gebaseerd is op standaardisatie, controle, concurrentie en zakelijke managementmodellen.

Onderwijs wordt toegesneden op de menselijke maat. Daarbij gedijen zowel leerlingen als leraren.”

De Partij voor de Dieren is tegen bezuinigingen in het passend onderwijs: “Door te bezuinigingen op passend onderwijs dreigen kinderen de extra begeleiding kwijt te raken die voor hen zo broodnodig is om onderwijs te kunnen volgen. Duizenden kinderen zitten thuis en raken in een isolement doordat is bezuinigd op passend onderwijs. We moeten veel meer investeren in aangepaste les- programma’s, zodat geen kind tussen wal en het schip valt. Ook programma’s en speciaal onderwijs voor hoogbegaafde kinderen worden ondersteund.”

Het complete verkiezingsprogramma van de PvDD is hier te vinden.

50Plus
“In het primair onderwijs wil 50PLUS de klassen verkleinen en het aantal lesuren per docent verminderen. De indirecte taken verminderen, waardoor er meer aandacht voor de leerling is. 50PLUS ziet voor- en nadelen van bijzonder onderwijs en wil hier graag een publiek debat over. 50PLUS is geen voorstander van het ‘passend onderwijs’.”

Het woord hoogbegaafd(heid) komt niet voor in het partijprogramma van 50Plus.

Het complete verkiezingsprogramma van 50Plus is hier te vinden.

OndernemersPartij
“De jeugd heeft de toekomst en de toekomst van ons land ligt in handel en ondernemen. De OndernemersPartij vindt het van wezenlijk belang dat de jeugd al op jonge leeftijd onderwezen wordt in de mogelijkheden van goed ondernemerschap en zij ondernemerstalent zo vroeg mogelijk wordt ontdekt en gestimuleerd. Aanstormende jonge ondernemers moeten optimaal worden begeleid door onderwijs en bedrijfsleven.

Teneinde het onderwijs betere aan te laten sluiten bij de ondernemerspraktijk is het van belang dat ondernemersorganisaties een wettelijke stem krijgen bij de vaststelling van het curriculum. In de overleggen op onderwijsniveau zal daarom het bedrijfsleven hierin standaard vertegenwoordigd moeten zijn.”

Het woord hoogbegaafd(heid) komt niet voor in het partijprogramma van de Ondernemerspartij.

UPDATE 24 februari: Schriftelijke reactie Ondernemerspartij via lijsttrekker Hero Brinkman op gestelde vragen betreffende hoogbegaafdheid:
20170224-ondernemerspartij-antwoorden

Het complete verkiezingsprogramma van de Ondernemerspartij is hier te vinden.

VNL
“De kwaliteit in het basis- en voortgezet onderwijs moet omhoog. Op school staat kennisoverdracht dus weer centraal. Individualiseer het onderwijs: geef leerlingen de ruimte om te werken op eigen niveau.”

Het woord hoogbegaafd(heid) komt niet voor in het partijprogramma van VNL.

Het complete verkiezingsprogramma van Voor Nederland is hier te vinden.

Denk
“Het onderwijs stelt individuen in staat om hun talenten te ontplooien, waardoor het onderwijs van nu de toekomst van morgen is. Voor DENK is het van belang dat die toekomst voor iedereen dezelfde mogelijkheden biedt, ongeacht de afkomst, de grootte van de portemonnee of de opleiding van de ouders. DENK wil daarom maatregelen nemen om iedereen in het onderwijs gelijke kansen te bieden. Kinderen die zicht hebben op een hoger schooladvies, moeten de kans krijgen om zich ook op een hoger niveau te bewijzen. Het is van belang dat kinderen van verschillende niveaus samen met elkaar leren in brede scholen en brede (brug-)klassen. Kinderen die wat meer moeite hebben met leren, krijgen zo de kans om zich op te trekken aan kinderen die dingen wat sneller oppakken.”

Het woord hoogbegaafd(heid) komt niet voor in het partijprogramma van Denk.

Het complete verkiezingsprogramma van Denk is hier te vinden.

Nieuwe Wegen
“Alle kinderen in Nederland hebben recht op goed onderwijs en op goede begeleiding en zorg. Als het aan Nieuwe Wegen ligt keert de menselijke maat terug in het onderwijs. Het Nederlandse onderwijssysteem wordt weer een voorbeeld voor de wereld. Te allen tijde dient de leerling centraal te staan en niet het behalen van zoveel mogelijk rendement. Het geld volgt de leerling en niet andersom. Onderwijs en jeugdhulp/jeugdzorg zouden als een ritssluiting met elkaar verbonden moeten zijn. Passend Onderwijs slaagt als kinderen les krijgen binnen een veilige omgeving. Dat lukt alleen als jeugdhulp en jeugdzorg op de juiste plaats preventief kan helpen. De afstand tussen jeugdzorg en onderwijs is te groot. Elke school voor Primair Onderwijs, Voortgezet Onderwijs en Middelbaar Beroepsonderwijs heeft een centrum voor jeugdhulp of jeugdzorg.”

Het woord hoogbegaafd(heid) komt niet voor in het partijprogramma van Nieuwe Wegen.

Het complete verkiezingsprogramma van Nieuwe Wegen is hier te vinden.

Forum voor Democratie
“Niets is belangrijker voor de toekomst van ons land dan goed onderwijs. Een drastische verbetering van het basis- en middelbaar onderwijs is noodzakelijk. Hiervoor zijn geen ingewikkelde ‘hervormingen’ nodig – eerder het omgekeerde: rust in de tent en veel ruimte aan scholen en onderwijsinstellingen om zelf te bepalen wat het beste is voor de leerling. De focus moet liggen op de kwaliteit van het onderwijzend personeel – en kwaliteit wordt dan ook beter beloond. Basisonderwijs naar Fins model – het meest succesvolle basisonderwijs ter wereld, waar onderwijs op maat wordt geboden aan élk kind, en waar volop tijd en ruimte bestaat voor creatieve vakken én voor persoonlijke ontwikkeling. Versoepeling Wet Passend Onderwijs: niet alle kinderen zijn gebaat bij een oplossing in een reguliere basisschool. Aan leerkrachten worden daardoor soms onmogelijke eisen gesteld, terwijl het bovendien ten koste gaat van de kwaliteit in de klas.”

Het woord hoogbegaafd(heid) komt niet voor in het partijprogramma van Forum van Democratie.

UPDATE 27 februari: Schriftelijke reactie Forum voor Democratie via kandidaat-Kamerlid Suzan Stolze – van Rijn op gestelde vragen betreffende hoogbegaafdheid:

20170227-antwoorden-fvd

Het complete verkiezingsprogramma van Forum van Democratie is hier te vinden.

De Burger Beweging
“De Burger Beweging wil in lijn met het Fins / Scandinavisch voorbeeld het huidige basis, voortgezet en middelbaar onderwijs systeem vereenvoudigen door één openbare basisschool systeem van tien jaar in te voeren. Het middelbaar onderwijs willen we vervangen door één openbare school voor algemeen vormend onderwijs en één openbare school voor middelbare beroepsopleidingen. De duur van het middelbaar onderwijs is drie jaar. Het is de bedoeling dat zoveel mogelijk in iedere woonwijk met ongeveer 10.000 inwoners deze drie schooltypen aanwezig zijn.

Het vakkenpakket van deze nieuwe scholen zal voor een groot deel bestaan uit wat nu op de bestaande scholen wordt gegeven, met daarnaast essentiële aanvullingen die meer ruimte creëren voor persoonlijke (talent)ontwikkeling en zorgen voor minder prestatiedruk. Belangrijk onderdeel van het onderwijs is leren zelf nadenken en met respect voor de aarde en alles wat daar op leeft, met elkaar en mensen van andere culturen samen te leven. Docenten, ouders en leerlingen krijgen op lokaal niveau in hoge mate vrijheid om dit zelf in te vullen en een werkwijze te vinden waarbij met behulp van moderne hulpmiddelen en onderwijsmethoden zoveel mogelijk wordt ingespeeld op de behoefte en interesse van de leerlingen zelf. De kunst is datgene te vinden waardoor een kind positief geraakt wordt en geboeid door raakt, dan wordt leren interessant.”

Het woord hoogbegaafd(heid) komt niet voor in het partijprogramma van De Burger Beweging.

Het complete verkiezingsprogramma van De Burger Beweging is hier te vinden.

Vrijzinnige Partij
“Voor het onderwijs betekent de vrijzinnige politiek een “basis op orde”-beleid, dat gericht is op een forse verhoging van het kennisniveau van iedereen om zo het doel “Nederland kennisland” waar te kunnen maken. Vrijzinnige politiek staat voor onderwijs, op de wijze waar onderwijs oorspronkelijk voor bedoeld is: jonge mensen een basis voor hun eigen ontplooiing geven. Veilige nieuwe technologie wordt ingezet om leraren kansen te geven leerlingen te laten excelleren, ieder op haar of zijn niveau.Vrijzinnige politiek betekent verbinden en daarmee vrijheid van onderwijs en het bevorderen van diversiteit in alle geledingen.”

Het woord hoogbegaafd(heid) komt niet voor in het partijprogramma van de Vrijzinnige Partij.

Het complete verkiezingsprogramma van de Vrijzinnige Partij is hier te vinden.

GeenPeil
“Er is geen partijprogramma, er zijn geen standpunten en er is geen verkiezingsfolder. Bij GeenPeil bepalen de leden de standpunten. Elke week, voor iedere stemming, bij alle voorstellen.”

De woorden onderwijs en hoogbegaafd(heid) komen niet voor op de website van GeenPeil.

De website van GeenPeil is hier te vinden

Piratenpartij
“Kinderen moeten op school worden voorbereid op de toekomst. Het moet mogelijk zijn om thuisonderwijs te volgen, er kunnen veel bijzondere omstandigheden zijn om te kiezen voor thuisonderwijs. Er moet wel toetsing zijn om te garanderen dat kinderen op niveau blijven of kunnen komen. De educatie van jonge kinderen is gericht op basis van individuele ontwikkeling en ervaringsgericht leren. Samenwerking tussen universiteiten en lager onderwijs”

Het woord hoogbegaafd(heid) komt niet voor in het partijprogramma van de Piratenpartij.

UPDATE 2 maart: Schriftelijke reactie Gertjan Kleinpaste van de Piratenpartij  op gestelde vragen betreffende hoogbegaafdheid:

tk2017-piratenpartij-antwoorden

Het complete verkiezingsprogramma van de Piratenpartij is hier te vinden.

Artikel 1
“Kwalitatief onderwijs is cruciaal, naarmate we een grotere kennis economie en maatschappij worden. Ons onderwijs is internationaal hoog aangeschreven. Toch zijn er nog teveel drempels om iedereen mee te laten doen en op het niveau dat past. Er komt ondersteuning van initiatieven richting persoonlijker leren, mede door digitale oplossingen.”

Het woord hoogbegaafd(heid) komt niet voor in het partijprogramma van Artikel 1.

Het complete verkiezingsprogramma van Artikel 1 is hier te vinden.

Niet Stemmers
De woorden onderwijs en hoogbegaafd(heid) komt niet voor op de website van Niet Stemmers.

De website van Niet Stemmers is hier te vinden.

Libertarische Partij
“Onderwijs is geen recht maar een persoonlijke keuze. De LP is daarom voor het privatiseren en decentraliseren van onderwijs. Doordat de politiek betaalt, is er veel bureaucratie in het onderwijs en werkt het niet efficiënt. Leren gaat het beste als een leerling vanuit zichzelf gemotiveerd is om te leren. De LP is daarom tegenstander van centraal opgelegde leerdoelen, gestandaardiseerde toetsen en bindend schooladvies. Wij zijn voorstander van democratisch onderwijs, dat werkt vanuit intrinsieke motivatie, en tegenstander van het verbod op thuisonderwijs. De LP wil af van de zorgplicht voor scholen. Overleg tussen leerling, ouders en school over het vinden van passend onderwijs voor de leerling is een goede zaak. De verantwoordelijkheid daarvoor ligt niet bij de school maar bij de ouders, zolang de leerling zelf nog niet duidelijk aangeeft hoe hij/zij wil leren. Voor leerlingen die veel liever in de praktijk leren dan op de middelbare school moet het mogelijk worden om dat te doen. Bedrijven zouden dus ook volwaardig onderwijs moeten mogen aanbieden. En als een jongere liever aan het werk gaat dan dat hij onderwijs volgt, dan moet dat ook mogelijk zijn. Het is namelijk niet mogelijk om níet te leren. Jongeren leren voortdurend en 75% van wat ze leren, leren ze buiten school. Je verzamelt maar een klein deel van je kennis op school. Ieder kind is van nature nieuwsgierig aangelegd. Het reguliere onderwijs remt deze natuurlijke nieuwsgierigheid af. Roosters, toetsen en schoolbellen zijn allemaal bedoeld om producten af te leveren. Terwijl het doel moet zijn om de natuurlijke nieuwsgierigheid aan te wakkeren, door kinderen vrij te laten om hun eigen nieuwsgierigheid na te jagen. We hebben als samenleving veel meer aan een grote verscheidenheid aan kennis dan aan een situatie waarin iedereen dezelfde kennis heeft.”

Het woord hoogbegaafd(heid) komt niet voor in het partijprogramma van de Libertarische partij.

Het complete verkiezingsprogramma van de Libertarische partij is hier te vinden.

Lokaal in de Kamer
“Kwalitatief goed basisonderwijs voor alle kinderen, in alle kernen. De term “passend” onderwijs moet slaan op de individuele leerling. Ouders krijgen meer zeggenschap over plaatsing van hun kind op speciaal onderwijs. Reguliere basisscholen krijgen meer en aangepaste ondersteuning bij het aanbieden van speciaal onderwijs.”

Het woord hoogbegaafd(heid) komt niet voor in het partijprogramma van Lokaal in de Kamer.

Het complete verkiezingsprogramma van Lokaal in de kamer is hier te vinden.

Jezus Leeft
Complete onderwijsprogramma: Het maximale aantal kinderen op scholen dient te worden teruggebracht naar 500 kinderen per school. Daarbij dient thuisonderwijs te worden gestimuleerd en gesubsidieerd. Het individuele kind dient maximale persoonlijke aandacht te krijgen, tijdens de hele periode dat het kind onderwijs ontvangt.

Het woord hoogbegaafd(heid) komt niet voor in het partijprogramma van Jezus Leeft.

Schriftelijke reactie Jezus Leeft op gestelde vragen betreffende hoogbegaafdheid: “Ieder kind heeft recht op gelijk onderwijs.” Het verzoek om een meer concrete beantwoording van de vragen leverde een e-mailblokkade op.

Het complete verkiezingsprogramma van Jezus Leeft is hier te vinden.

StemNL
Bij StemNL mag je als kiezer meeschrijven aan het partijprogramma.

De woorden onderwijs en hoogbegaafd(heid) komen niet voor op de website van StemNL.

De website van StemNL is hier te vinden:

MenS en Spirit/Basisinkomen Partij/V-R
De kieslijst Mens en Spirit / Basisinkomen Partij / Vrede en Recht is een samenwerkingsverband tussen verschillende partijen. Zij hebben de krachten gebundeld om één lijst te vormen.

Mens en Spirit: vormen van onderwijs te stimuleren, waarin de ontwikkelingsbehoeften en authenticiteit van elk kind centraal staan.

De woorden onderwijs en hoogbegaafd(heid) komen verder niet voor op de website van MenS, Spirit/Basisinkomen en Partij/V-R.

Websites: MenS en Spirit & Basisinkomen partij & Vrede-Recht

Vrije Democratische Partij
Geen informatie online, geen e-mailadres* voorhanden.

Dorien Kok
http://DorienKok.nl

Aanvulling 15 maart van ‘Stichting Hoogbegaafd!’:
“Lees hier over het Regenboogakkoord en beantwoord de vraag : ‘welke partij zet zich volgens jou het beste in voor het welzijn van hoogbegaafden als onderdeel van de totale diversiteit in Nederland?'”

Instemmingsrecht ouders voor zorg op school.

UPDATE 25 november 2016 en 7 februari 2017 staan onderaan.

Oktober 2016. Als ouder hoop je serieus genomen te worden op de school van je kind en ga je er van uit dat men er zich van bewust is dat je als ouder kennis hebt over hoe jouw kind in elkaar zit en wat diens behoeften en noden zijn. Je wilt daarbij het beste onderwijs voor je kind.

Soms heeft een kind extra ondersteuning nodig, is het een zo geheten ‘zorgleerling’. School stelt dan een document op, een onderwijsperspectief/OPP, waarin staat welke onderwijsdoelen een kind kan halen en wat een kind kan leren op school. Wat is haalbaar op school, wat zijn de toekomstverwachtingen voor de arbeidsmarkt en kan het kind hier goed op worden voorbereid. Ouders willen hier natuurlijk over meepraten.

Ten aanzien van zorg in de school is er  veel veranderd na de afschaffing van het zogeheten ‘rugzakje’ en de komst van Passend onderwijs. Spraken we in de tijd van de rugzakregeling nog over een handelingsplan, nu hebben we het over uitstroomperspectief (wat gaat een kind in de toekomst na school doen) en een handelingsdeel (welke ondersteuning biedt een school). Met de afschaffing van de rugzakregeling verdween ook het instemmingsrecht van de ouders op het handelingsgedeelte. Deze werd vervangen door ‘op overeenstemming gericht overleg’, wat staat voor er wel over praten maar geen instemmingsrecht.

Dat het instemmingsrecht van de ouders verdwenen is is natuurlijk niet goed. Dat besefte kamerlid Loes Ypma zich enkele jaren geleden ook. Ouders moeten natuurlijk als volwaardige gesprekspartner kunnen meedenken over de zorg en ondersteuning van hun kinderen op school. Het is dus volledig logisch dat het handelingsdeel (ondersteuning en zorg van het kind) van het ontwikkelingsperspectief na overeenstemming met ouders wordt vastgesteld. Dit resulteerde in een motie (11 april 2013), gesteund door Michel Rog (CDA) en Paul van Meenen (D66), die nu pas uitvoering krijgt in de regering.

Op 12 oktober 2016 is het door Staatsecretaris Sander Dekker (Onderwijs) geleverde wetsvoorstel ‘Ouders moeten hun instemming kunnen geven aan de zogeheten ontwikkelingsperspectief van hun kind’ besproken in de Tweede kamer. De staatsecretaris heeft geen bezwaar tegen de wet.

Het is goed voor een kind als ouders en school positief contact hebben. Zowel voor op school als thuis. Door te praten vanuit een situatie van gelijkwaardigheid in de samenwerking tussen ouders en school is de kans op het vinden van oplossingen natuurlijk veel groter. Dit wetsvoorstel doet ook recht aan de betrokkenheid die ouders hadden in de tijd van het ‘rugzakje’. Daarmee wordt ook de positie van de ouders versterkt.

Klinkt als een wetsvoorstel dat zonder tegenstand aangenomen gaat worden. Het gaat immers over het belang van het kind en in het verleden was dit recht er. Helaas is dit niet zo. Sommige politieke fracties, ook die van de staatsecretaris zelf, zien juist nadelen:

Straus (VVD) en Bisschop (SGP) vragen zich af of dit wetsvoorstel wel nodig is, omdat zij geen signalen krijgen over dat er problemen zijn. Volgens Bruins (Christenunie) ligt het probleem in dat het op overeenstemming gericht overleg niet werkt. Hij waarschuwt ook dat er bijkomende administratieve lasten zijn, die hij niet ten laste van de scholen wil laten zijn. Beertema (PVV) denkt dat het instemmingsrecht de autonomie van de leerkracht aantast. Siderius (SP) ziet extra kosten en wil niet dat de scholen daar voor opdraaien.

De kamer stemt op 25 oktober 2016 over het wetsvoorstel en de moties. Zaak is nu dat ouders aan de fracties én de onderwijsraden, die ook negatief aankijken tegen het wetsvoorstel, laten weten dat het wetsvoorstel aangenomen MOET worden. Dat de voordelen van instemmingsrecht ver boven de hierboven benoemde nadelen uitstijgen. Dat zaken als kosten en administratieve lasten GEEN voorrang moeten krijgen op de rechten van kinderen. Dat deze wet gelijke rechten geeft als in de tijd van een ‘rugzakje’ en dat een ongelijke machtsverhouding niet in het belang van het kind is. Maar vooral ook om een signaal af te geven dat er in het onderwijs echt sprake van problemen is, dat het in de praktijk een feit is dat je als ouders – als kindexperts – niet als volwaardige gesprekspartner mee mag (of mocht) denken over de zorg en ondersteuning van je kind op school, wat negatieve effecten had of heeft voor je kind.

Petitie ‘Ouders beslissen samen met de leraren over zorg op school’

Update 25 november 2016: de motie is aangenomen in de Tweede kamer. Nu moet de Eerste kamer er nog over beslissen.

20161025-stemmingsuitslag-l-ypma-instemmingsrecht

Update 7 februari 2017:  Het wetsvoorstel dat bepaald dat ‘het handelingsdeel (specifieke maatregelen om de leerling op maat ondersteuning te bieden) van het ontwikkelingsperspectief (een document dat school moet vaststellen voor elke leerling die extra ondersteuning nodig heeft) pas kan worden vastgesteld nadat de school daarover met de ouders overeenstemming heeft bereikt’ is aangenomen in de Eerste kamer.

Met dit wetsvoorstel wordt de positie van alle ouders – ook van de ouders die soms minder gehoord worden – op dezelfde manier geregeld.
Bedankt Eerste kamer en in de Tweede kamer SP, PvdD, PvdA, GroenLinks, D66, 50PLUS, Klein, Groep Kuzu/Öztürk, Houwers, ChristenUnie en het CDA.

Dorien Kok
http://DorienKok.nl

Met dank aan Wanda Glebbeek.

Er gebeuren mooie dingen in Den Haag. #onderwijs

Tweede kamer7 juli was een mooie dag voor het onderwijs in Nederland.

De motie van Tjitske Siderius (SP) over ‘mogelijkheden om bovenregionale voorzieningen die zowel zorg als onderwijs aanbieden te financieren’ is aangenomen.

Haar constatering dat ‘specifieke doelgroepen onderwijsgerechtigde minderjarigen (zoals een deel van de hoogbegaafde leerlingen) geheel of gedeeltelijk verblijven binnen een zorginstelling, maar uitgesloten zijn van het volgen van onderwijs, omdat de financiering van de combinatie van zorg en onderwijs niet of zeer slecht is geregeld’ is een terechte constatering.

Een behandeltraject met een combinatie van zorg en onderwijs kan voor veel leerlingen de weg terug zijn richting het (reguliere) onderwijs,

De regering gaat nu onderzoeken hoe gecombineerde onderwijs-zorgorganisaties goed gefinancierd kunnen worden.

Met ruime meerderheid is in die nacht in de Tweede Kamer ook de motie rond onderwijsvrijheid in belang van leerrecht aangenomen (motie Rog/Ypma).

Enkele duizenden kinderen zijn thuiszitters of krijgen zonder overheidsbekostiging bij particuliere instellingen passend onderwijs. Er zitten ook kinderen ‘verplicht’ ziek thuis, omdat ze niet niet welkom zijn op school. Dit is een gevolg van dat schoolbesturen zich niet houden aan hun zorgplicht ten aanzien van bij hen ingeschreven leerlingen en het onderwijs niet gericht is op een ononderbroken ontwikkelingsproces.

Onderwijs op een andere locatie dan school kan een (tijdelijke) oplossing kan bieden voor leerlingen die op dit moment geen onderwijs volgen en thuis zitten of dreigen thuis te komen zitten.

Schoolbesturen zijn vaak huiverig om maatwerkoplossingen te bieden voor leerlingen waarbij een deel van het onderwijs wordt verzorgd op een andere locatie dan de school die van overheidswege wordt bekostigd, terwijl die samenwerking de doelmatige inzet van de beschikbare middelen kan bevorderen.

Ouders, school, samenwerkingsverband en inspectie willen samen wel een passende oplossing willen bieden voor deze kinderen, maar het wettelijk kader of angst ze soms tegenhoudt.

De motie van Michel Rog (CDA) en Loes Ypma (Pvda) verzoekt het kabinet te bevorderen dat schoolbesturen en samenwerkingsverbanden ten behoeve van het leerrecht van kinderen, samenwerken met externe (particuliere) onderwijs- en zorgaanbieders, waarbij leerlingen die (deels) maatwerk ontvangen op een andere locatie dan de school waar zij staan ingeschreven, ook in aanmerking komen voor bekostiging.

Deze motie geeft mogelijkheden voor bekostiging onderwijs van kinderen die nu knel zitten in systeem, zoals bijvoorbeeld (dreigende) thuiszitters. Er komt nu dus ruimte voor passend onderwijs via bijvoorbeeld particuliere onderwijsaanbieders, op kosten van regulier onderwijs.

Beide moties moet meer maatwerk in het onderwijs mogelijk maken.

Dorien Kok
http://DorienKok.nl

Kamerbrief over toptalent in het funderend onderwijs

 

Sander DekkerIn deze brief Ruim baan voor toptalent van 2 september zet staatssecretaris Sander Dekker zijn visie uiteen op het stimuleren van toptalent in het basisonderwijs en voortgezet onderwijs. Hij agendeert daarbij verschillende denkrichtingen en ideeën die hij de komende periode samen met leerlingen, ouders, leraren, schoolleiders, bestuurders en het bedrijfsleven wil toetsen en verder wil uitwerken. De staatssecretaris wil deze partijen en de Tweede Kamer ook nadrukkelijk uitnodigen om hierover het debat aan te gaan en een inbreng te leveren. Zijn streven is voor 1 maart 2014 een plan van aanpak uit te brengen waarin hij de nader uitgewerkte maatregelen presenteert.

“Kamerbrief over toptalent in het funderend onderwijs” PDF document

 

 

 

Over nieuwe richtlijnen AD(H)D

Op vrijdag 24 juni ben ik naar een rondetafelgesprek geweest inzake AD(H)D problematiek. Deze werd georganiseerd door Lea Bouwmeester, lid van de Tweede Kamer voor de PvdA en voorgezeten door Maaike Baggerman, stagiaire Tweede Kamerfractie PvdA en student Vraagstukken van Beleid en Organisatie.

Medio februari heeft Lea Bouwmeester schriftelijke vragen gesteld aan de minister van VWS (Volksgezondheid, Welzijn en Sport), naar aanleiding van een rapport van de ‘Stichting Nederlands Comité voor de Rechten’ (Scientology kerk). De Kamervragen richtten zich vooral op diagnose en medicatie, dit mede op basis van de publiekelijke aandacht voor de zogenoemde ‘AD(H)D-epidemie’ en de publieke mening dat artsen te gemakkelijk diagnosticeren en medicatie voorschrijven. De antwoorden op deze Kamervragen zijn hier terug te vinden.

Lea Bouwmeester wilde ook antwoorden uit het veld van patiënten, ouders, experts, ervaringsdeskundigen, wetenschappers en artsen. Daarbij heeft zij een enquête uitgeschreven voor ouders en patiënten, zodat hun perspectief op het thema duidelijk op tafel zou komen. Deze enquête is inmiddels afgerond. De PVDA is nu bezig met het verwerken van de resultaten hiervan.

De hoofdvraag is: moet er iets veranderen in de richtlijnen die er nu liggen voor AD(H)D? De minister van VWS schreef in haar antwoord op de Kamervragen oa het volgende over de huidige richtlijnen van AD(H)D “De multidisciplinaire richtlijn ADHD (2005) stelt dat de behandeling van ADHD in het algemeen op twee pijlers berust: medicatie en gedragstherapeutische / psychosociale behandeling. Er is tevens een medicatieprotocol ADHD beschikbaar op de website van het Landelijk Kenniscentrum Kinder- en Jeugdpsychiatrie. Methylfenidaat, het middel dat als eerste wordt ingezet bij de medicamenteuze behandeling van ADHD, is uitgebreid wetenschappelijk onderzocht bij kinderen. Het medicatieprotocol ADHD is in maart 2010 geactualiseerd en gebaseerd op de laatste wetenschappelijke inzichten.”

Voorlopige conclusie van Lea Bouwmeester half april was: ‘De bestaande richtlijn AD(H)D is te vrijblijvend.’

Zowel privé als beroepsmatig een eigen visie en mening hebbende rond het thema AD(H)D heb ik mij aangemeld voor een rondetafelgesprek, waarop uitnodiging volgde. Het verzoek was 3 punten aan te leveren rond het gespreksthema waarvan ik vond dat deze besproken moesten worden. Dit geeft ruimte voor een brede discussie, wat goed is. Voor mij waren de 3 punten:

1. diagnosticeren

2. medicatie

3. passend onderwijs

Omdat je in een rondetafelgesprek, doordat je het verloop niet kunt voorspellen, niet altijd alles kunt vertellen wat je wilt vertellen had ik mijn punten na de uitnodiging ook schriftelijk toegelicht.

Gelieve in mijn verslag AD(H)D te lezen als ADHD en ADD.

1. Diagnosticeren

‘If you look like a duck, walk like a duck and you talk like a duck . . . you must be a duck.’ Wie kent deze uitdrukking eigenlijk niet. Voor mij gaat deze ook op voor dit thema. Iets is niet altijd wat het lijkt. Dit filmpje laat dit ook heel duidelijk zien. Dit betekent dat er voor mij terug moet worden gegaan naar de basis. Wat is AD(H)D eigenlijk: een optelling van – deels of volledig aanwezige – kenmerken, die echter ook naar een andere conclusie kunnen leiden dan naar AD(H)D. Dus geen onweerlegbare zaak zoals door bloedonderzoek is aan te tonen, maar een optelling van meningen. En meningen kunnen soms niet kloppen. Meningen, maar ook wetenschappelijke bevindingen, veranderen ook steeds. Dit blijkt ook uit het feit dat we nu al toe zijn aan de 5e uitgaven van de DSM. Ik wil hiermee absoluut niet impliceren dat AD(H)D niet bestaat. Daarbij ook ruimte latend voor de scheiding ADHD en ADD.

In mijn werk met kinderen (zie http://I-CARUS.info) constateer ik dat heel veel kinderen tot het zijn van een ‘duck’ beoordeeld en veroordeeld worden, voordat ze officieel in het onderzoekscircuit zitten. Dit door oa de maatschappelijke en onderwijs omgeving. Dat is een kwalijke zaak. Daarbij kan er door vroege diagnoses (ieder kind ontwikkelt zich op een eigen manier en tempo) een etiket op een kind belanden dat niet terecht is en schadelijk. Een fout etiket geeft immers geen passende hulp, maar mogelijk zwaardere schade.

De gevolgen hiervan zijn soms desastreus! Kinderen die in het speciaal onderwijs belanden en daar nog verder afglijden omdat de (onderwijs)omgeving helemaal niet meer passend is. Dat oa is mijn werkpraktijk – die kinderen weer terughalen in het reguliere onderwijs en onterechte etiketten verwijderen. De verhalen van ouders en kinderen zijn soms hartverscheurend en de littekens bij hun groot. Het kind wordt bekeken op etiket(ten) ipv signalen. Signalen die daarbij verkeerd gelezen worden omdat de visie DSM IV gericht is.

Soms is er sprake van hyperactiviteit, onoplettendheid en/of impulsiviteit zonder dat er sprake is DSM IV/permanente problematiek. Soms zijn signalen ook geen problemen, zijn het alleen signalen van dat er is iets anders bij dit kind. Anders betekent echter niet minder of slecht. Anders kan zijn omdat er – zoals genoemd werd in het rondetafelgesprek – sprake is van bijvoorbeeld een hechtingsstoornis of hoogbegaafdheid. Je spreekt dan van ADHD kenmerken door een andere achtergrond, waarbij er geen aanleiding is meteen te zeggen dat de problemen permanent van aard zijn. Om met de woorden van een aanwezige moeder te spreken: kijk achter het gedrag van het kind.

Vroegsignalering is wel goed, kijken naar wat je ziet en hulpverlening opzetten als er negatieve gevolgen uit de signalen voort komen of verwacht worden. Een etiket moet geen vereiste zijn voor hulpverlening, wat nu eigenlijk wel zo is. Ouders en scholen moeten nu vaak lang wachten op hulp door procedures.

Aan te bevelen is een bredere ingang van de diagnose instellingen, waarbij er niet DSM IV op de voordeur staat, maar signalering. Ook achter de deur een brede visie en expertise, er zijn immers veel meer vogelsoorten dan de ‘duck’. De achterdeur niet alleen DSM IV, maak daar een andere uitgang van zodat het kind kan gaan door de deur die hem of haar echt past en geef het de ook de kans om ook weer via de voordeur te vertrekken als het achteraf niets in het gebouw te zoeken had.

Niet iedere huisarts is een vogel expert, om het zo maar te noemen, en het spreekt dus vanzelf dat de taak van de huisarts ophoudt bij de constatering dat het een vogelachtige is. Het is mooi als de huisarts kan aangeven dat het mogelijk een watervogel is, of juist geen watervogel, het kennen van de complete vogel encyclopedie is echter niet zijn taak – daarmee schiet je aan de functie van de huisarts voorbij. Hetzelfde geldt wat mij betreft voor de medicatie instelling.

In een breed spectrum kijken naar een kind: waarom ontwikkelt het zich zo – met respect voor het eigen tempo en de eigen manier van groei. En respect voor de ouder als expert over het kind.

Niet de signalen als alleen negatief uitleggen maar ook de talenten ervan zien: het zijn vaak kinderen (en volwassenen) die erg creatief zijn – in denken en doen, vol energie aan de slag gaan, willen groeien en vooruit willen. Zich kunnen hyperfocussen en kunnen daardoor in zeer korte tijd tot bijzondere prestaties kunnen komen. Deze kenmerken passen echter niet altijd in het patroon dat de maatschappij volgt op het gebied van onderwijs, werk en dagelijks leven. Wat ook besproken is die middag is wat er na de diagnose gebeurt. Sommige kinderen komen met meerdere etiketten de diagnose instelling uit. De praktijk laat zien dat je voor ieder etiket bij een ander adres moet zijn, wat het kind niet ten goede komt. Voor scholen is dit ook niet duidelijk. Door op basis van signalen te werken ipv etiketten – diagnoses DSM IV overlappen elkaar immers en de oorzaak van de problemen liggen niet altijd in DSM IV – kan de hulpverlening beter opgezet worden. Ouders sjokken van adres naar adres, waar ze mogelijk tegengestelde adviezen krijgen en niet de eenduidigheid en ondersteuning die ze zo hard nodig hebben!

2. Medicatie

Zoals bedoelt met het rondetafelgesprek geef ik over het thema AD(H)D, waarbij dus ook medicatie mijn mening en visie, zoals anderen dit ook gedaan hebben in dit gesprek. Mijn mening is persoonlijk en wijst andere meningen niet af als onjuist. Wel of geen medicatie is een persoonlijke keuze, waarbij ik wel wil aangeven dat dit op jonge leeftijd niet een keuze is die het kind zelf maakt; de beslissing wordt voor het kind genomen, de gevolgen – positief en/of negatief – zijn echter voor het kind.

Zoals gezegd in het antwoord van de Minister van VWS op de Kamervragen over AD(H)D is de aanpak van AD(H)D in Nederland vooral gebaseerd op medicatie en gedragstherapeutische / psychosociale behandeling. Dat is niet goed gezien bovengenoemde (ad 1. Diagnosticeren) en omdat er nog steeds niets bekend is over lange termijn gevolgen van het gebruik van medicatie. Het aantal gebruikers van AD(H)D medicijnen stijgt explosief. In 2006 steeg het met 30 procent vergeleken met het jaar ervoor. Dat geeft terechte vraagtekens.

Wat ook speelt is helaas de praktijk dat sommige scholen, waarvan een moeder getuigde in het rondetafel gesprek, druk uitoefenen richting medicatie gebruik, zonder dat er een diagnose gesteld is! Een punt is ook de basis voor de hoeveelheid medicatie die moet worden voorgeschreven Waar de een in het rondetafelgesprek sprak van een standaard waarbij het gewicht van het kind de basis vormt, geeft de ander aan dat dit kan leiden tot over- of ondergebruik van de medicijnen.

Er is een grotere kans dat kinderen gaan experimenteren met alcohol en drugs. Ook is het risico wat groter dat ze met de politie in aanraking komen door diefstal of vechtpartijen. De medicijnen lijken dus ook ongewenste effecten te hebben op het gedrag. Uit onderzoek bleek dat dit dus niets van doen heeft met de diagnose zelf, er werden AD(H)D gediagnosticeerden met medicatie gebruik en niet-gebruik met elkaar vergeleken.

Kinderen die Ritalin gebruiken worden korter en blijven lichter van gewicht; gemiddeld 2,5 centimeter korter en ongeveer 2 kilo lichter. Het achterblijven in de groei werd aanvankelijk beschouwd als het gevolg van AD(H)D, maar dat bleek niet het geval. De bijsluiter waarschuwt voor oa hartproblemen en een mogelijk grotere kans op zelfmoord.

Daarbij opgeteld dat uit de onderzoeken duidelijk wordt dat behandeling van AD(H)D met medicijnen niet effectiever is dan gedragstherapie is medicatie niet mijn eerste keuze. Mogelijk is dit voor anderen wel zo.

In het rondetafelgesprek is zowel over medicatie als alternatieven of een combinatie hiervan besproken.

Een aanwezige neurofeedback specialiste, met ervaring met ADHD in persoonlijk levenssfeer, gaf aan goede succes hiermee behaald te hebben. Ik ben niet bekend met neurofeedback, ken ook niemand met positieve of negatieve ervaringen hierover. Ik kan dus niets zeggen hierover. Het is denk ik wel de energie en tijd waard om te kijken naar deze optie. Het zelfde geld voor voeding, waar voor anderen een antwoord ligt. Deze optie is alleen genoemd, niet uitgebreid besproken tijdens het rondetafelgesprek.

Waar ik wel iets over kan zeggen is de aanpak om kinderen inzicht geven in de problematiek van de signalen en hun tools geven om hier mee om te gaan, om zo beter te kunnen functioneren thuis, op school en in de overige maatschappij. Dit vanuit mijn beroepsachtergrond en dus dagelijkse praktijk. Ik begeleid kinderen die hyperactief, onoplettend en/of impulsief zijn, tegen (leer-)problemen aanlopen thuis en op school.

Aanpak vanuit de basis van bewustwording van de problematiek zoals hyperactiviteit en impulsiviteit is samen met het kind kijken wanneer dit van toepassing is, waarom en hoe het kind hierover controle kan krijgen door die bewustwording en door het geven van tools die het kind na oefening zelf kan toepassen. Inzicht geven dus. Voor een kind is het eigen gedrag de norm, spiegeling is daarom nodig. Je laat dan het etiket los en kijkt naar de praktische problematiek met een oplossingsgerichte houding.

Onoplettendheid, concentratie- en automatiseringsproblematiek is iets wat ook veel speelt bij deze kinderen. Voor deze onderwerpen geldt hetzelfde, waarbij hun manier van denken en leren – die vaak visueel is – een grote rol speelt. Hun talent voor hyperfocussen kan hier ook een grote rol bij spelen.

Dat gezegd hebbende zit ik eigenlijk meteen bij mijn 3e onderwerp:

3. passend onderwijs

Ik had hier graag uitgebreid over gesproken, helaas stond de tijdsfactor dit niet toe. Ik ben dus achteraf blij dat ik mijn punten ook al schriftelijk had toegelicht.

Wat ik had willen zeggen is het volgende: Ik constateer vanuit mijn praktijk en ervaringen dat het onderwijs voor deze kinderen veelal niet passend is. Niet alleen de methodes en de toepassing hiervan in de klassen, maar ook de onderwijs inrichting zelf (oa grote klassen, bottom up onderwijs, het non-visuele leersysteem). Wat ik een zeer groot gemis vind is dat expertise bij leerkrachten ontbreekt over kinderen die deze signalen vertonen. De neiging is er om als leerkracht zelf al de diagnose te stellen en kinderen meteen te beoordelen en veroordelen en daardoor het oog niet meer te richten op het kind en diens signalen juist af te lezen. Dit is oa een gevolg van dat onderwijs opleidingen weinig tijd en aandacht geven aan deze problematiek. De praktijk wijst er ook duidelijk op dat er een grotere en sneller voorhanden aansluiting moet komen met de hulpverlening, waarbij niet de diagnose maar de signalen van het kind centaal staan. Hier ligt dus een grote taak voor de Minister van Onderwijs.

Lea Bouwmeester legt haar bevindingen en voorstellen vast in een initiatiefnota. Deze nota wordt besproken met de minister van VWS en de Tweede Kamer. In de nota gaat Lea Bouwmeester voorstellen de richtlijn AD(H)D te vernieuwen. Naast medicatie moeten ook andere behandelmethoden zoals gedragstherapie en neurofeedback meer aandacht krijgen. Het stellen van de diagnose moet volgens haar alleen in de tweede lijn plaatsvinden, niet meer door huisartsen. Dus als het jongeren betreft binnen een afdeling kinder- en jeugdpsychiatrie.’

Afsluitend wil ik zeggen dat ik erg blij ben met de mogelijkheid die ik van Lea Bouwmeester heb gekregen om mijn mening en visie te delen. Mijn dank daarom aan haar en Maaike Baggerman. Dank aan de rondetafel gespreksgenoten voor het luisteren en dat ik hun visie en meningen mocht aanhoren.

Dorien Kok

Een overzicht alle blog berichten is hier te vinden.