Tagarchief: talent

Talentontwikkeling in het onderwijs.

vonk vlamGave
Ieder mens wordt geboren met natuurlijke mogelijkheden, met een gave of bijzondere aanleg. Of dit nu op intellectueel, creatief, sensomotorisch, sociaalaffectief of een combinatie van die gebieden is maakt niet uit.

Vonkje
Aanleg is een potentie, geen vast feit. Zie het als een vonkje, dat zich als het de omstandigheden mee heeft zich kan ontwikkelen tot een vlam – die warmte of licht kan geven.
Zie je het vonkje niet dan is de kans groot dat deze uit gaat. Het zien van de aanleg is dus heel belangrijk. Om aanleg te kunnen zien moet weten hoe je deze kunt signaleren en er voor open staan. Dat betekent dat je ruimte moet hebben voor een individu en mensen niet als groep moet bekijken of benaderen.

Kun je de omstandigheden voor de ontwikkeling van het vonkje niet optimaliseren dan zal deze doven. Vonkjes worden namelijk alleen een vlam als er brandstof voorhanden is en de omgevingfactoren (oa het weer) meewerken. Een dosis geluk kan ook helpen.

Talent
Om een gave om te zetten in talent zijn er dus factoren die een bepalende rol kunnen spelen. Je speelt hierin zelf een grote rol: is er sprake van intrinsieke (van binnen uit) motivatie, een bepaalde toewijding en nieuwsgierigheid. Kun je jezelf sturen en heb je de juiste persoonlijkheid. Werken je fysieke omstandigheden mee. Iemand die blind is heeft bijvoorbeeld verminderde kansen om op het raceniveau van Max Verstappen te komen.

Naast de eigen mensfactoren is er ook sprake van omgevingsfactoren: is er sprake van een zone van naaste ontwikkeling (anders gezegd: hangt de ontbijtkoek niet te laag), is er sprake van stimulans en aanmoediging vanuit je familie, vrienden of school.

Biedt je woon-, school-, of verdere leefomgeving ruimte en activiteiten die jouw talentontwikkeling ondersteunen. Iemand die bijvoorbeeld niet in de buurt van zwemwater leeft heeft een verkleinde kans om op het zwemniveau van Pieter van den Hoogenband te komen.

Het vraagt tijd, je kunt de ontwikkeling niet versnellen. Rijpen is een belangrijk onderdeel van talentontwikkeling. Langzaam groeiende bomen kunnen ook sterker worden dan snel groeiende bomen. Het is ook een dynamische proces, dat interactie vereist.

Heb je daarnaast ook nog gewoon geluk.

Toptalent
Een toptalent is iemand die een zeer groot talent heeft. In het onderwijs vertaalt dit zich volgens het ministerie van OCW naar de top 20% best presterende leerlingen van een klas of groep. Je hebt het dan over kinderen die passen in het schoolse systeem en daar de resultaten halen waar behoefte aan is (onderwijstoptalentnorm). Echter, deze kinderen vertegenwoordigen maar een klein segment aan talent dat er voorhanden is in de scholen, zeker als we kijken naar andere talenten dan het schoolse. Schools talent is daarbij ook iets anders dan cognitief talent.

Daarnaast zijn er nog veel meer talentgebieden, die in het huidige onderwijssysteem een kleine rol spelen.

Schoolsyteem
Hoe kun je loskomen van een schoolsysteem dat talentontwikkeling kan belemmeren – doordat er sprake is van een klassenaanbod in plaats van onderwijs op maat. Een eenzijdig aanbod, in een vast ritme met een vast tijdsverloop. Dat wachten op een ander kent. Die dus de natuurlijke groei belemmerd. En wat als je talent zich buiten het schoolgebied bevindt? Is er in school ruimte voor een diversiteit aan talent, of kijken we alleen naar de cognitieve vorm.

Talentontwikkeling in het onderwijs.
Talentontwikkeling is het vrijmaken van het potentieel dat iemand al bezit. Op welk gebied of gebieden dan ook. Wat is iemands persoonlijke kracht. Hoe kun je deze persoon aanleren deze kracht om te zetten naar iets wat groeit. Hoe ondersteun je, faciliteer je. Hoe voorkom je verspilling en het afschrijven van kinderen.

Wil je doen aan talentontwikkeling in het onderwijs dan moeten we eerst de resultatenbehoefte loslaten om daarna ruimte te scheppen voor brede talentontwikkeling. Niet omdat we perse aan talentontwikkeling willen doen uit landsbelang maar omdat we bij ieder kind dat vonkje willen laten uitgroeien tot een vlam, op welk gebied dan ook. Want dat is werkelijke talentontwikkeling.

Dorien Kok
http://Dorienkok.nl

 

Advertenties

Twee werelden – #Toptalenten

Conferentie toptalentenAfgelopen maandag vond er een Conferentie Toptalenten plaats in Den Haag, georganiseerd door het Ministerie van OCW. Zo’n 400 leraren, schoolleiders en schoolbestuurders zouden zich samen buigen over de vraag hoe we ook de leerlingen die meer aankunnen het beste onderwijs kunnen bieden.

De staatssecretaris duidde op het podium via sheets waar we volgens hem staan met toptalenten in het onderwijs:

  • Verveling onder toptalenten gehalveerd
  • Meer aandacht voor toptalenten in het onderwijs
  • Leraren willen graag meer aandacht besteden aan toptalenten.

Aansluitend vond er op het podium een gesprek over toptalent plaats met 3 speciaal genodigde gasten van het ministerie: een leerling-Toptalent, Katinka de Korte – managing director Health & Public services bij Accenture en Peter van Dijk – rector Leidsche Rijn College.

Vanuit de zaal was het voor velen of we een in een andere wereld zaten dan de wereld aan gebeurtenissen op het podium. Het was alsof men zich op het podium bezig hield met een totaal andere realiteit dan die door de mensen in de zaal, in de praktijk, ervaren werd. Een andere praktijk dan die merkbaar is voor toptalenten. En de prangende vraag: ‘wat zijn nou eigenlijk echt toptalenten?’ bleef onbeantwoord. Die onbeantwoorde vraag bleef de hele dag de hoofdrol spelen in onderlinge gesprekken tussen de onderwijsprofessionals: wat is dit toch een gemiste kans. Met reden: hoe kun je zulke positieve cijfers geven als er:

  1. geen juiste definitie van toptalent is,
  2. een grote groep mensen is die totaal ontbreken in het rooskleurige verhaal.

Dat er kinderen gemist worden in dit verhaal is erg duidelijk als je kijkt naar de theoretische definitie van het Ministerie ‘Het ministerie rekent de top 20% best presterende leerlingen van een klas of groep tot de zogenaamde toptalenten’. Deze definitie sloot niet aan bij de praktijkervaringen van de zaal en is duidelijk een definitie die ontstaan is vanuit managementdenken, bedacht door mensen die ver afstaan van de dagelijkse praktijk, die oplossingen brengen die los staan van de werkelijke praktijk.

Wat is dan toptalent, volgens vele aanwezigen? Talent is een potentie, een kiem die kan uitgroeien tot iets moois. Iedereen heeft talenten, iets wat niet altijd meteen zichtbaar is op school. De meeste mensen ontdekken hun talenten pas later. Toptalent is dan dat je talent helemaal tot bloei kan brengen, wat iedereen potentieel op zijn of haar EIGEN niveau kan. School is in een ideale situatie een broedplek van talent, waar signalen opgevangen kunnen worden van een potentieel – als je weet hoe en waar je moet kijken. Het is dus frappant om te lezen dat 98% van de docenten nu speciale aandacht heeft voor toptalenten op de basisschool.

Verveling toptalenten gehalveerd

Dat lijkt heel mooi, dat het bewustzijn er is bij schoolleiders en docenten. Maar over wie hebben zij het? En hoe zien de leerlingen dat zelf?

‘Verveling onder toptalenten gehalveerd’, een bewering die de zaal niet herkende vanuit de praktijk.
Wat kan nog beter

Ten aanzien van de vraag  ‘zie je jezelf als toptalent’ zijn de cijfers helemaal niet rooskleurig (Bron: Rijksoverheid):

Meer aandacht

 

Terwijl de aandacht voor talent is toegenomen, blijkt de identificatie ermee door leerlingen juist afgenomen.

Deze sheet over identificatie was trouwens niet opgenomen in de presentatie van de staatsecretaris.

Andere sheet (helaas geen afbeelding gevonden bij MinOCW): ‘Meer leraren, maar lang niet alle, zijn tevreden over de ondersteuning op school.’ Basisonderwijs van 46 naar 67%, middelbare scholen van 20 naar 43%.

‘Laat je visie leidend zijn, niet de knelpunten’

Visie leidend

Het is kwetsend dat – ook al benoemt het ministerie ‘ieder kind heeft talenten, op heel veel vlakken’ het startpunt is dat er voor de andere 75-90% van de huidige leerlingen geen pure talentmaatwerktrajecten zijn en komen. Dat hun talenten niet gezien en begeleid worden omdat de ministeriële aandacht in de praktijk maar naar een kleine groep gaat, namelijk naar de goede presteerders. Naar kinderen die binnen het systeem al heel goed functioneren.

Maar wat te doen met de potentiële toptalenten die leerproblemen hebben, die anders leren dan het systeem nu biedt, die thuiszitten of helemaal uitgevallen zijn in het onderwijs? Wat met de potentiële toptalenten die richting diagnostiek en medicatie gestuurd worden en kleuters die zich al kort na hun intrede in het onderwijs aanpassen aan het systeem en hun creativiteit loslaten. Dit zijn de vragen die dagelijks vanuit de onderwijspraktijk naar voren komen. Van kinderen die in de knel komen. Die hun talenten in de verste verte niet kunnen ontwikkelen.

Maatwerkonderwijs betekent dat je de rode draad van de ontwikkeling van een kind volgt en daar op inspeelt, zonder te letten op leeftijd. Dat je hindernissen en muren weghaalt die  de natuurlijke groei van het kind belemmeren. Dat je niet praat óver het kind maar met het kind. Dat school een veilige omgeving is, ook voor als je anders bent of denkt. Dat je een kind niet veroordeelt tot het niveau van zijn zwakste vak. Dat onderwijs soms buiten de school moet plaatsvinden, in het belang van een kind. Dat je niet denkt als een manager, met economische en financiële belangen voorop, maar in termen van persoonlijke kansen en groei voor IEDER kind.  Iets waar het land Nederland later vanzelf de vruchten kan plukken. Dat je werkelijk werk maakt van je eigen slagzin: ‘Laat je visie leidend zijn, niet de knelpunten’.

Gemiste kans dus gisteren. Die visie was er niet. Er was sprake van een duidelijke  kloof tussen wat er gebeurde op het podium en de ervaring van de zaal en de praktijk.

Dorien Kok
http://I-CARUS.info

Met dank aan Mieke van Stigt, socioloog en pedagoog.

“Waar een klein land groot in moet worden”

Een film gemaakt in opdracht van het Platform Bèta Techniek en School aan Zet over onze zesjescultuur en de noodzaak en de kansen om deze achter ons te laten.

Meer hierover: Platform Excellentie

Nieuw onderzoek naar excellentie op scholen

DIT IS EEN GEZAMENLIJK BERICHT VAN NWO EN HET MINISTERIE VAN ONDERWIJS, CULTUUR EN WETENSCHAP

Meer wetenschappelijke inzichten over de rol van excellentie op scholen, dat is de centrale gedachte achter het onderzoeksprogramma ‘Excellentie in het onderwijs’. In totaal gaan acht nieuwe onderzoeksprojecten van start. Zij krijgen geld van de Programmaraad voor het Onderwijsonderzoek, onderdeel van NWO. De onderzoeken richten zich op de identificatie en kenmerken van (potentieel) excellente leerlingen en studenten. In een aantal projecten wordt nadruk gelegd op de rol van de docent in het bevorderen van excellentie in de klas; andere onderzoeken richten zich op de effectiviteit van programma’s voor excellentiebevordering.

Ieder kind moet het onderwijs krijgen dat het verdient en worden uitgedaagd om het beste uit zichzelf te halen. Een klein deel van de leerlingen heeft zo veel potentieel dat het met de juiste stimulatie en oefening kan uitgroeien tot een waar toptalent. Niet altijd krijgen zij de aandacht die ze verdienen, ook omdat binnen het onderwijs niet altijd de kennis voorhanden is om deze leerlingen te herkennen en optimaal te bedienen. In de onderwijspraktijk is dan ook meer behoefte aan meer inzicht in de leerwijzen en het leerproces van excellente leerlingen. Daarnaast geven scholen aan meer inzicht te willen in de effectiviteit van bestaande aanpakken voor excellentie en het bereiken van een leercultuur op school die daar bij past. Hoe zorg je er als school voor dat uitblinken ‘normaal’ wordt en dat leerlingen niet bang zijn om uit te blinken?

Bruikbaar in de klas.

Onderzoekers hebben in totaal 42 onderzoeksvoorstellen ingediend die zich richten op het herkennen en selecteren van (potentieel) excellente leerlingen en studenten. De Programmaraad heeft de beste acht onderzoeksvoorstellen geselecteerd om uit te voeren. Het onderzoeksprogramma komt voort uit de actieplannen voor het primair en voortgezet onderwijs en de strategische agenda voor het hoger onderwijs van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW). Doel is om via wetenschappelijk onderzoek kennis te ontwikkelen over wat wel en niet werkt in het onderwijs, zodat leerkrachten en ouders die te maken hebben met ‘excellente leerlingen’ daar hun voordeel mee kunnen doen.

De volgende projecten worden de komende drie jaar uitgevoerd:

Dr. Stéphanie van den Berg – Universiteit Twente  – Talent moet opbloeien. De onderzoekers bestuderen de interactie tussen aangeboren talent en de invloed van gezin, school en docent in het ontplooien van cognitief talent op de basisschool. Ze gebruiken hierbij onder meer het Nederlands Tweelingenregister.

Prof. dr. Lex Borghans – Universiteit Maastricht – Excellente leerlingen: wie zijn het, wat doen ze? De wetenschappers onderzoeken in welke mate scholen excellente leerlingen in een vroeg stadium kunnen identificeren en welke aanvullende informatie deze diagnose kan aanvullen. Ook bestuderen zij de kenmerken van het studiegedrag en de motivatie van deze groepen en in welke mate hun ontwikkeling verschilt tussen scholen en naar sociale achtergrond.

Prof. dr. Carla van Boxtel – Universiteit van Amsterdam – Verbeteren van de ontwikkeling van motivatie, zelfregulatie en prestaties van potentieel excellente leerlingen met behulp van een geïntegreerd verrijkingsprogramma voor wiskunde en geschiedenis. De onderzoekers ontwikkelen twee verrijkingsprogramma’s en experimenteren hiermee met verschillende typen taken en groepssamenstellingen.

Prof. dr. Alexander Minnaert – Rijksuniversiteit Groningen – Het stimuleren van de motivatie van de hoogbegaafde leerling.   Het onderzoek richt zich op effecten van cognitieve en motivationele differentiatie bij hoogbegaafde en getalenteerde leerlingen.

Dr. Thea Peetsma – Universiteit van Amsterdam – Ontwikkelingstrajecten naar excellentie. De onderzoekers bestuderen de samenhang tussen aanleg, achtergrond-, motivationele, emotionele en sociale kenmerken van leerlingen en onderwijsgerelateerde factoren in het voorspellen van excellentie.

Prof. dr. Erik Plug – Universiteit van Amsterdam – Verheft het tij alle schepen? De onderzoekers richten zich op het meten van het effect van een verbredingsprogramma op de leerprestaties van excellente leerlingen in twee experimenten.

Dr. Judith Schoonenboom – Vrije Universiteit – Excellent studiegedrag bij samenwerkend leren in het hoger onderwijs. Dit onderzoek richt zich op de interactie tussen kenmerken van excellentie, voorkeuren, omgeving en excellent studiegedrag bij samenwerkend leren.

Dr. Eliane Segers – Radboud Universiteit Nijmegen – Het versterken van succesvolle intelligentie in de bovenbouw. De onderzoekers experimenteren met een verrijkt wetenschaps- en techniekprogramma voor getalenteerde leerlingen.

Meer informatie over de toekenningen.

Voor vragen over dit attenderingsbericht kunt u contact opnemen met Edwin Hubers

Tel: 070-349 4313
E-mail: e.hubers@nwo.nl

Programmaraad voor het onderwijsonderzoek (PROO)NWO/MaGW

Nederlandse talenten: wel de start, maar niet de finish.

Om in het hoger onderwijs terecht te komen moet je eerst langs start: de basisschool. Daarna het Voortgezet Onderwijs.

Uit onderzoek is gebleken dat maar 16% van de Nederlandse talenten de finish haalt, oftewel een universitaire opleiding succesvol afsluit.
De rest haakt vroegtijdig af, in verband met ons huidige onderwijssysteem, dat niet gericht is op onderwijs aan getalenteerde en hoogbegaafde kinderen.

Dat er een link ligt met het huidige onderwijssysteem is denk ik wel bewezen door onderzoeken voor het basisonderwijs zoals van het AOB – 80% van de leerkrachten herkent een hoogbegaafd kind niet en een zelfde aantal leerkrachten weet niet wat het hoogbegaafde kind nodig heeft (2008)- en het recente gepubliceerde onderzoek van CNV Onderwijs over labelkinderen.

Het logisch gevolg van dat de overheid geen passend onderwijs biedt aan hoogbegaafden in Nederland is het ontstaan van de Leonardo scholen, voor basis onderwijs en voortgezet onderwijs (VO). Deze scholen bieden het spiegelbeeld aan onderwijs dat gegeven wordt aan kinderen die minderbegaafd zijn, oftewel het speciaal onderwijs.

Het gaat niet alleen om de technische mogelijkheden. Waar het ook om gaat is de inhoud, die er voor moet zorgen dat de student de VO opleiding zo passend ervaart dat hij of zij niet afglijdt van het VWO naar misschien wel de VMBO. Dat deze niet afhaakt omdat de manier van lesgeven niet hoort bij de manier van leren. Dat de studie een uitdaging is en de student niet 50% van de tijd niets te doen heeft, niet gemotiveerd en gestimuleerd wordt.

Er is sprake van groei op dit gebied, zoals door de Leonardo Colleges en de geplande 24 begaafdheidsprofiel scholen van de overheid zelf.

Deze andere manier van denken en doen voor getalenteerde leerlingen moet toch ook in het reguliere onderwijs opgepakt kunnen worden? We kunnen immers niet met zijn allen naar de Leonardo Colleges en de begaafdheidsprofiel scholen. Ze zijn ook niet overal voorhanden. Daarbij heeft elke Leonardo school een vast financieel tekort omdat passend onderwijs gewoon duurder is. Nu zijn het vaak de ouders die geld moeten regelen, via sponsoring of uit eigen portemonnee.

Op papier hebben we 4 onderwijsmodellen voor getalenteerde kinderen in het reguliere Voortgezet onderwijs: compacten en verrijken, individuele leerstoflijnen, VWO Plus programma’s en het Draaideurenmodel. In de praktijk hebben we een duidelijk gemis aan expertise, wil en inzet. Dit is echt specialistenwerk, daar moet je in investeren.

Leuke voorbeelden? Afdelingsleiders voor de brugklas die zeggen dat je met een IQ van 129 niet hoogbegaafd bent en daarom geen onderwijsaanpassingen nodig hebt en niet naar het VWO+ kan. Of een school die stopt met begaafdheidsprofiel school zijn omdat de leerkrachten geen zin hebben in extra’s voor leerlingen die er naar hun mening toch wel vanzelf komen, ze hebben toch talent? Oftewel: mensen die specialistisch werk moeten doen, maar absoluut geen specialist zijn op dit gebied.

Kijk daarom ook eens naar de onderwijspraktijk in de klassen, waar de werkelijke invulling van het stimuleren van talenten plaatsvindt. En kijk eens naar de vorming, oftewel de opleiding van de leerkrachten. Zij bepalen immers de praktijk.

Misschien kan voormalig landbouwminister Cees Veerman dit oppikken, nu hij is klaar is met de Commissie Toekomstbestendig Hoger Onderwijs Stelsel.

Dorien Kok

Een overzicht van alle bog berichten is hier te vinden.