Tagarchief: Gedragsproblemen

Rondom labelkinderen

De uitzending van Rondom 10 gezien over labelkinderen? De basis voor die uitzending was een onderzoek van CNV Onderwijs.

De uitkomsten doen me denken aan een eerder onderzoek van de AOB, oftewel de Algemene Onderwijsbond.

Eerst maar eens herhalen wat men op de site van de NCRV zegt over het CNV onderzoek:
“ De overgrote meerderheid van het personeel in het basisonderwijs (62%) vindt het op zich een goede ontwikkeling dat kinderen een etiket krijgen wegens een probleem of stoornis.
Ook denkt het gros (72%) dat de extra zorg en aandacht voor labelkinderen een positieve invloed heeft op hun leven.
Vier op de vijf docenten (81%) vindt dat labelkinderen tot extra werkdruk leiden.
Ruim een derde van de leraren (37%) heeft zo veel probleemkinderen in de klas dat hun werk er onder lijdt.
De opleiding is een probleem: die bereidt onderwijspersoneel volgens bijna twee derde van de ondervraagden (63%) onvoldoende voor op de omgang met probleemleerlingen.
Het groeiend aantal kinderen dat medicijnen krijgt wegens leer- of gedragsproblemen, verontrust een deel van het onderwijspersoneel.
Een kwart (25%) meent dat gelabelde kinderen te snel medicatie krijgen.
Bijna twee derde van de onderwijzers heeft één of meer kinderen in de klas die medicijnen krijgen wegens probleemgedrag.
Het groeiend aantal ‘etikettenkids’ komt vooral doordat kinderen steeds meer prikkels krijgen, menen de ondervraagden.
Een andere verklaring voor de toename is dat docenten problemen en stoornissen eerder signaleren.
Ook de alsmaar ingewikkelder wordende samenleving en de groeiende druk op kinderen om te presteren spelen een rol.
Net als ouders die te weinig tijd en aandacht besteden aan hun kinderen.”

CNV Onderwijs is volgens de NCRV site blij met de resultaten van het onderzoek:
“ Voorzitter Michel Rog: ‘Het bewijst dat de bereidheid in de school om kinderen extra zorg te bieden, groot is. Maar het onderzoek toont ook aan dat leerkrachten steeds meer tegen de eigen grenzen oplopen.’ Rog pleit daarom juist voor meer investering in het basisonderwijs in plaats van aangekondigde bezuinigingen, zoals op begeleiders voor kwetsbare leerlingen.”

Het onderzoek van de AOB dateert van 2008 en ging alleen over hoogbegaafde kinderen: 80% van de leerkrachten herkent een hoogbegaafd kind niet en een zelfde aantal leerkrachten weet niet wat het hoogbegaafde kind nodig heeft. Dat is dus 4 van 5 leerkrachten!

Ik ben het volledig eens met de heer Rog dat er meer geïnvesteerd moet worden in het basisonderwijs. Niet alleen direct in de klas, maar vooral ook in de opleidingen van leerkrachten. Deze onderzoeken bewijzen ook maar weer eens dat het reguliere basisonderwijs niet is ingesteld op kinderen die anders zijn, die iets meer of iets anders nodig hebben. Wat wil je ook als je 30 kinderen in de klas hebt zitten!

Mijn aanbeveling is aanpassing van het opleidingstraject voor leerkrachten en kleinere klassen.
Nou snap ik dat ik niet de eerste en meteen ook niet de laatste ben die dit roept. Het wordt echter tijd dat men zich realiseert dat de huidige kinderen de toekomst van ons land bepalen.

Daarbij wil ik meteen aandacht vragen voor een ander idee: specialisten die in dienst zijn van een schoolbestuur.

Je kunt niet, zelfs na een aangepaste opleiding, van een leerkracht verwachten dat hij of zij overal specialist in is. Of dat een school voor elk soort probleem iemand in huis heeft.
Het zelfde geld voor de intern begeleiders (IB-ers).

Wat je wel kunt verwachten is dat een schoolbestuur de specialisten in dienst heeft. Als voorbeeld dyslexie, autisme, hoogbegaafdheid, ADHD experts die in dienst zijn van het schoolbestuur, eventueel in samenwerking met een ander schoolbestuur. Deze personen zijn op roulatie op scholen aanwezig en ondersteunen de leerkrachten en IB-ers.

Dat betekent dat de hulp niet afhankelijk is van rugzaktoekenning aan een kind, maar dat het schoolbestuur de expertise continue in huis heeft en er ook direct actie op gezet kan worden indien dit nodig is: juf belt “ ik red het niet”. De volgende dag is er hulp, dus voordat de boel uit de hand loopt. Daarmee ook geen administratieve rompslomp met lange aanvragen ed.

En dan nog even wat over het onderzoek zelf: het zijn geen etiket of label kinderen, het zijn kinderen met een zorgvraag. En daarbij: als de scholen beter ingesteld zouden zijn op dit soort kinderen zouden het mogelijk niet eens allemaal zorgkinderen zijn of zou het ook niet zo uit de hand lopen.

Het is helaas waar dat de alsmaar ingewikkelder wordende samenleving en de groeiende druk op kinderen om te presteren een rol speelt in het feit dat er steeds meer kinderen zijn met bijvoorbeeld de diagnose autisme. Het groeiend aantal ‘etikettenkids’ komt vooral doordat kinderen steeds meer prikkels krijgen, menen de ondervraagden. Wie zorgt hiervoor? Niet de kinderen zelf!
Leg de schuld daarvoor dus niet bij de kinderen.

Ook de artikel van NU.nl over de uitzending kan wel wat nuancering gebruiken:
“ Er zijn in bepaalde klassen van basisscholen zoveel scholieren die een leerprobleem of gedragsstoornis hebben, dat hun klasgenoten daar onder lijden.” Leg de schuld daarvan alstublieft ook bij de volwassenen, niet bij die kinderen. Dat lijden geldt ook voor de zorgkinderen, die geen passend onderwijs krijgen.

Vind je deze onderzoeken interessant, lees dan ook nog dit blog.

Dorien Kok

Een overzicht van alle blog berichten is hier te vinden.

Effecten crèche bezoek

In de Trouw van 20 mei een artikel van Edwin Kreulen over het lange termijn effect van crèches op kinderen.

In dit artikel de melding dat onderzoekers van de NICHD, een Amerikaans samenwerkingsverband van verschillende universiteiten dat ruim 1300 kinderen al sinds hun geboorte volgt, melden dat kinderen die de eerste vierenhalf jaar van hun leven meer dan dertig uur per week op de opvang zitten, op hun vijftiende meer onberekenbaar gedrag vertonen en risico’s opzoeken.

Oeps zou je zeggen, is het dan toch waar dat crèches niet goed voor je kind zijn?

In het Amerikaanse onderzoek staat dat de verschillen met leeftijdsgenoten die korter op de crèche zaten klein zijn. De onderzoekers vinden het toch opvallend dat er nog steeds verschil is tien jaar nadat de kinderen de opvang verlieten. Bovendien bleken ook op eerdere leeftijd de effecten hetzelfde. Ze publiceren daarover deze week in The Journal of Child Development

In Nederland is vergelijkbaar onderzoek bezig. Men is daarmee echter nog niet zo over als in de Verenigde Staten.

In de jaren ’80 werd door sommige Nederlandse deskundigen gevreesd dat crèches schadelijk zou zijn voor de gehechtheid tussen ouders (voornamelijk moeder) en kind. Zeker als er thuis ook niet goed aangevoeld wordt wat het kind (emotioneel) nodig heeft. Niet bij ieder gezin is dit immers gegarandeerd.

Zeven jaar geleden was er veel commotie in Nederland, tot in de Tweede kamer aan toe, doordat de Nijmeegse hoogleraar ontwikkelingspsychologie M. Riksen in haar oratie waarschuwde voor schadelijke effecten van veelvuldig crèchebezoek.

Het grote woord in dit geval is waarschijnlijk veiligheid, beter gezegd veilige gehechtheidrelatie.

In hoeverre wil en kan het personeel van de crèche, maar kunnen ook de ouders, een veilige omgeving bieden aan een kind en is er sprake van hechting. Dat dit zeer belangrijk is weten we uit het onderzoek van Wolff & van IJzendoorn(1997). Hechting is bepalend voor een gunstige ontwikkeling van het kind, op alle vlakken. Als ouders dit (bewust of onbewust) niet kunnen bieden is een crèche eventueel een pluspunt.

Je kunt dus niet direct zeggen dat een crèche schadelijk is voor een kind. Wel kun je zeggen dat het belangrijk is dat ouders kijken naar of het kind wel een crèchekind is, de kwaliteit van de crèche – vooral op het gebied van hechting en emotionele veiligheid, het kind niet naar teveel adressen gaat en of het kind niet teveel uren op de crèche zit.

Lees het hele bericht via deze link

Dorien Kok
http://www.I-CARUS.info

Reken even mee

Autisme komt voor bij 0,6 tot 1 procent van de Nederlandse bevolking.

Voor ADHD gaat men uit van ongeveer 3 procent.

Hoogbegaafdheid komt bij 2 tot 3 procent van de bevolking voor.

Even rekenen, met als basis 16 miljoen Nederlandse mensen:
Autisme 90.000 tot 160.000 mensen
ADHD 480.000 mensen
Hoogbegaafdheid 320.000 tot 480.000 mensen

Een combinatie van autisme en hoogbegaafdheid komt op papier voor bij 1.800 tot 4.800 mensen, van de 16 miljoen inwoners die Nederland telt.

Een combinatie van ADHD en hoogbegaafdheid komt op papier voor bij 6.400 tot 14.400
mensen, van de 16 miljoen inwoners die Nederland telt.

Een combinatie van deze 3 hier, autisme, ADHD en hoogbegaafdheid, komt dus op papier uitgerekend bij maximaal 144 mensen voor, van de 16 miljoen inwoners die Nederland telt.

Voor zestien miljoen mensen heb ik het dus over volwassenen én kinderen.

Als je het technisch bekijk zou het op papier per provincie verdeeld om 12 volwassenen en kinderen per provincie gaan.

Kan iemand mij vertellen hoe het mogelijk is dat ik alleen al 10 kinderen ken die de diagnoses autisme én ADHD hebben en die ook hoogbegaafd zijn? En dat die allemaal in mijn regio, en dus niet eens in de gehele provincie wonen? Volwassenen met die combinatie ken ik trouwens niet.

Dit kan toch niet?

Er zijn kinderen in Nederland die hoogbegaafd zijn en die daarbij ook terecht een diagnose hebben.

Als je echter de papieren cijfers vergelijkt met de werkelijke praktijk aan diagnoses en vaststellingen in dit land is er iets gigantisch mis op het gebied van hoogbegaafde kinderen.

Zou dit komen omdat ieder kind die gedragsproblemen heeft automatisch bekeken wordt alsof het ADHD en/of autisme heeft?

Een kind kan ook (ernstige) gedragsproblemen vertonen omdat het niet uitgedaagd wordt op school, omdat het uit vervelingsellende de hele dag zit te tellen hoeveel dropjes de meester die dag heeft gegeten (officieel mag je niet eens snoepen in de klas) en daar een jaarverslag van gaat maken? Die zich dus niet concentreert op de les en die ook niet stil kan zitten in de klas?

Of wat met een kind die zich terugtrekt uit de groep omdat het anders is dan de rest, ook niet de zelfde interesses heeft als de klas en hij het huidige lesprogramma al 2 jaar beheerst. Is ook knap lastig als de klas in de pauzes steeds gaat voetballen terwijl jij het wil hebben over de planeten, wat wel jouw ding is.

De gedragsproblemen komen dan niet vanuit het kind , maar uit de niet passende (onderwijs)omgeving.

Wordt het niet eens tijd dat het automatisch naar ADHD en autisme wijzen als oorzaak van gedragsproblemen gestopt wordt en er ook eens naar de omgeving gekeken wordt als mogelijke oorzaak van de gedragsproblematiek? Het probleem zit namelijk niet altijd in het kind zelf.

Voor een hoogbegaafd kind is de route gewoon anders. Laat bij een vermoeden van hoogbegaafdheid er eerst eens een hoogbegaafdheidexpert naar kijken. Pas daarna de onderwijsomgeving aan zodat het onderwijs passend wordt. Is dat geregeld en zijn er nog steeds gedragsproblemen? Dan is het pas tijd om de hoek van ADHD en autisme in te gaan. Eerder niet.

Scheelt ook in het special onderwijs, daar zitten er velen onterecht. En de aanpak – ook in het reguliere onderwijs, gericht op ADHD en autisme slaat bij die kinderen niet aan. Hoe zou dat nou komen!

Dorien Kok
http://www.I-CARUS.info

Slaap kindje slaap

SchapenHeb je dat ook wel eens als je ’s morgens de school binnen loopt dat je denk dat veel kinderen er moe uit zien?

Mijn idee hierover werd nog versterkt toen ik leesmoeder werd op school. Om half 9 ’s morgens, als iedereen net fris en fruitig uit bed is gekomen zijn er steeds een paar kinderen die niet op kunnen letten, die maar draaien op hun stoel, die in hun ogen wrijven en die eigenlijk het liefst hun hoofd even op tafel willen leggen. Die gewoon echt moe zijn.

Het is zeer belangrijk dat kinderen goed en lang genoeg slapen.

Bij een chronisch slaaptekort is er sprake van geremde groei, emotionele instabiliteit en kunnen ze niet goed hun best doen op school – hun leerresultaten gaan achteruit.

Kinderen zijn zowel lichamelijk als geestelijk nog volop in ontwikkeling. Slapen is daarom net zo belangrijk als goed eten en afdoende drinken.

Kijk eens naar jezelf als je een nacht erg slecht of kort hebt geslapen, bijvoorbeeld doordat je even flink bent gaan stappen of omdat je kind ziek was en je de halve nacht op hebt gezeten. Hoe voel jij je dan ’s morgens? Knap wrakkerig!

Door dat nachtje draai je de volgende dag op je automatische piloot. Concentratie, ho maar! Motorisch gezien zijn we dan ook niet op ons best. Mogelijk ben je wel hyperactief.

Een week minder slaap levert ons een akelig slecht humeur op en mogelijk zelfs hallucinaties.

Wat zou het effect dan op een kind zijn. Nog veel erger! Wat je dan nog als bijverschijnsel moet optellen is dat er een tekort aan groeihormonen komt, die worden immers ’s nachts aangemaakt. Daarbij groeien de hersenen ’s nachts en worden er nieuwe hersenverbindingen gemaakt. Om die groei te bevorderen is de REM-slaap bij een kind ook dubbel zo lang als die bij volwassenen.

Gaat het niet lekker op school of is er sprake van gedragsproblemen, kijk dan ook eens naar het slaapgedrag van je kind. Goed kunnen leren en slapen zijn namelijk onlosmakelijk aan elkaar verbonden. ’s Nachts verwerkt het lichaam wat er overdag aan input is binnengekomen. Ook eventuele overdag opgelopen stress wordt tijdens de nacht weggewerkt.

Wat is dan de beste methode om te zorgen dat je kind uitgerust op school komt?
– hou je aan een vaste bedtijd
– bouw de dag af, eventueel met een avondritueel zoals voorlezen of nog even zelf lezen. ’s Avonds geen drukke activiteiten
– zorg dat het kind niet met een hoofd vol pieker naar bed gaat. Neem de dag na school even door
– spelen doet wonderen voor goed slapen. De TV en computer juist niet.
– na school geen cafeïne houdende dranken zoals cola en koffie
– neem als het probleem echt niet over gaat contact op met de huisarts.

En hoeveel uur moet je kind eigenlijk slapen?
Op de leeftijd van 4 jaar heb je het over 12 uur slaap. Per 4 jaar een uur eraf. Dan moet je puber van 16 toch echt nog 9 uur slaap hebben!

Hoe zit het dan met een baby? Daarvan wil je toch dat die zo snel mogelijk doorslaapt? Of is dat niet slim? Lees dat hier.

Dorien Kok
http://www.I-CARUS.info

Het risico van diagnostisch denken over gedrag bij kinderen.

How can you encourage a child?
Use your imagination.

Over het diagnostisch denken over gedrag van kinderen.

Dorien Kok
http://DorienKok.nl

Een overzicht van alle blog berichten is hier te vinden.

Vluchten of aanvallen. #faalangst

Zijn hartslag vloog omhoog, je zag de paniek in zijn ogen. Hij kreeg hartkloppingen en voelde zich alsof hij over moest geven. Z’n hoofd knalde er bijna af, had hij het gevoel.
Wat moest hij doen: vluchten of aanvallen.

Klinkt als een stuk uit een spannend jongensboek: de piraten kwamen er aan en hij moest kiezen. Kon hij in zijn eentje tegen 4 piraten op of was het beter om te vluchten.

Dit is echter geen piratenverhaal, dit is een verhaal van Tim – 8 jaar, op school.

Hij heeft continue het idee dat hij de piraten elk moment tegen kan komen. Niet omdat hij teveel fantasie heeft, nee, dat niet. Wil je weten waarom? Omdat hij bang is. Op school.

Waarvoor is hij dan bang?
Bang omdat hij nog nooit iets moeilijk heeft gevonden en nog nooit gefaald heeft.

Waar hebben we het dan over? Over faalangst.
Faalangst is een echte angst: het lichaam verkrampt. Er wordt extra adrenaline aangemaakt in je lichaam uit het gevoel van angst, die om een vlucht of aanval reactie vraagt. De adrenaline zorgt voor een versnelde hartslag en een verhoogde bloeddruk. Dit kan lichamelijke klachten geven, variërend van hartkloppingen, darmklachten, hoofdpijn, tot aan een black-out aan toe.

Hoe komt Tim al zo jong aan faalangst, hij is immers pas 8 jaar.
Eigenlijk is dat heel logisch. In zijn jonge leven had Tim weinig faalmomenten, hij had geen fouten om van te leren. Hij had daardoor ook niet geleerd dat fouten maken mag en dat je daar van leert.

Hoe kan dat?
Tim zijn ontwikkeling ging heel snel, en heel erg goed. Met 1 jaar en 7 maanden wist hij al alle automerken uit zijn hoofd. Lezen kon hij al met 3 jaar.

Omdat hij weinig faalmomenten kende heeft hij de lat voor zichzelf hoog kunnen leggen. Hij was immers gewend foutloos te werken. Tegenslag daarentegen, daarmee was hij niet bekend.
Omdat Tim dit niet gewend was leerde hij aan het gevoel dat dit teweeg bracht te vermijden, met als uiteindelijke opbrengst de ontwikkeling van faalangst.

Deze angst kan ook voortkomen uit angst om afwijzing, doordat je je anders voelt of anders gedraagt dan de rest. Of wanneer blijkt dat je niet zo goed kan voetballen of fietsen als de rest van de jongens uit je klas.

Normaal gesproken is faalangst een positief iets, het kan je ver brengen. Het is dan een drive om beter je best te doen. Je wacht bijvoorbeeld tot het laatst moment om een werkstuk te maken, omdat je veel beter werkt onder de kick van adrenaline, die dan een positieve angst oplevert.
Dit kan ook negatief eindigen doordat er een tijdsprobleem ontstaat, wat een blokkade bij jezelf op kan leveren. Dan zit je plots met een negatieve faalangst.

Als de angst voor de gevolgen als realistisch worden ervaren of ook realistisch is wordt deze angst versterkt.

Voor Tim zijn de leerkracht en ouders op zoek gegaan naar de reden van de faalangst. Die bleek dus voor te komen uit zijn begaafdheid.

Tim heeft nooit geleerd om hulp te vragen, dat was immers niet nodig. School was vanaf het begin makkelijk. Hij werd ook niet uitgedaagd op school. Toen het leermateriaal uiteindelijk verder ging dan zijn niveau en ook nieuw was voor hem wist Tim niet wat hij moest doen, wel of geen hulp vragen. Of was hij eigenlijk wel zo slim als men dacht. Tim blokkeerde dus.

Tot nu toe had hij alles in school ook makkelijk opgepikt. Leerstrategieën had hij niet nodig gehad. Hij heeft dus niet geleerd hoe hij moet leren. Dat kan dus een probleem zijn als er nieuw leermateriaal wordt aangeboden. Tim voelde zich hierdoor een mislukking, hij kon immers niet leveren wat hij altijd geleverd had. Hij kreeg een gevoel van falen, het beeld dat hij van zichzelf had klopte niet meer. Het beeld dat zijn omgeving op hem had ook niet meer. Tim besloot daarop om niet meer te investeren in school, uit angst.

Tim kreeg dus een laag zelfbeeld en trok zich terug in zichzelf. Zijn gedrag werd automatisch hulpeloos. Omdat hij geen respons kreeg op zijn hulpvraag trok hij zichzelf terug in verdrietig en apathisch gedrag.

Het gedrag van Tim viel op en er werd naar gehandeld. Tim had daarbij wel mazzel, zijn gedrag werd door de leerkracht en ouders gezien voor wat het was: faalangst. Er werd daarbij geconstateerd dat Tim hoogbegaafd is.

Het gedrag van Tim is één van de mogelijke gedragspatronen die kunnen ontstaan bij faalangstige kinderen. In totaal zijn er 6 gedragspatronen te onderscheiden:

De vrager
Deze kinderen roepen begrip op bij volwassenen, ze zijn goed in het aangeven van hun faalangst. Ze vragen heel vaak om hulp.

De agressor
Dit gedrag ontstaat omdat het kind de faalangst wil verbergen voor de buitenwereld. Ze gaan hierin zelfs zover dat ze liever straf krijgen dan dat een ander ziet dat ze angstig zijn. Het kind is brutaal en agressief.

De clown
De faalangst wordt verborgen onder clownesk en druk gedrag. Ze hebben liever dat de omgeving hun als vervelend ervaart dan dat ze de faalangst laten zien. Het kind overschreeuwt zijn angst.

De ander
Het kind wil vooral aardig gevonden worden en positief beoordeeld worden. Dit betekend dat ze zich gaan aanpassen aan wat de omgeving als wenselijk ziet, met eventueel verlies van eigen identiteit. Het volhouden van een andere identiteit en het verlies van de eigen identiteit levert veel verdriet op en kost veel energie.

De muur
Het kind is stil en teruggetrokken. De faalangst is moeilijk te herkennen. Het kind wil niet praten over de angst en laat niet blijken hoe het gaat.

De mindere
Deze kinderen hebben en laag zelfbeeld en hebben het hulpeloze gedrag ingebouwd in hun systeem. Geen directe respons krijgen betekend dat het kind zich terugtrekt in verdrietig en apathisch gedrag.

Als je deze 6 gedragspatronen ziet kun je je vast wel voorstellen dat als het faalangstkwartje niet valt, het best kan gebeuren dat een kind daarvoor in de plaats het etiket autisme of ADHD krijgt.

Men is begonnen met Tim inzicht te geven in zijn manier van leren en denken. Gewerkt aan zijn zelfvertrouwen. Samen kijken naar wat er fout is gegaan en van daar uit een nieuwe aanpak initiëren. Ze zijn aan de slag gegaan om Tim leerstrategieën aan te leren. Evalueren: waarom ging iets fout – niet goed geleerd , niet op de juiste manier geleerd of te weinig geleerd. Te weinig geïnformeerd en daardoor een te kleine basis hebben om vanuit te werken. De leerkracht is Tim ook meer gaan begeleiden, ook bij het leren leren. Er werd een eigen groeilijn voor Tim gemaakt, waardoor zijn resultaten zichtbaar voor hem waren, zonder verdere vergelijk met de rest van de klas.

Teamwork van Tim, de leerkracht en de ouders heeft een heel andere Tim opgeleverd, de echte Tim.

Dorien kok
http://www.I-CARUS.info

Het gevaar van de nieuwe DSM: V

In 2013 komt er een nieuwe DSM: DSM V.

Voor de niet kenners: in de DSM (Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders) staan op een beknopte manier criteria omschreven die de expert in staat stelt een diagnose te stellen op het gebied van psychiatrische aandoeningen.

De eerste DSM verscheen in 1952, bedoelt om een einde te maken aan al de verschillende modellen die er op het gebied van diagnostiek voorhanden waren. Vanaf dat moment dus een vast beeld voor elke aandoening. Daarbij stellende dat het mensenwerk blijft om de diagnose te stellen, het boek is alleen een opsomming van kenmerken, die opgeteld naar verschillende conclusies kan leiden. Het is een handvat voor diegene die de diagnose stelt, meer niet.

We zijn nu dus toe aan deel 5, vandaar de V. Officieel duurt het nog een paar jaar voordat het handboek definitief is: iedereen mag er tot 20 april nog op schieten, via deze website http://www.dsm5.org/Pages/Default.aspx. Daarna zal er door de American Psychiatric Association nog lang vergadert worden over de inhoud, tot de definitieve verschijning in mei 2013.

Er zijn 2 dingen opvallend anders te noemen in vergelijk met de huidige versie, DSM IV.

Ten eerste de samenvoeging van alle autisme aandoeningen, ze gaan in vervolg op één grote hoop. We hebben het dan over Asperger, autistische stoornis, desintegratiestoornis van de kinderleeftijd, de stoornis van Rett en PDD-NOS (pervasieve ontwikkelingsstoornis). Deze komen samen onder de noemer autisme-spectrumstoornis.

Dit is heel frappant te noemen. Het betekent dat een heel spectrum aan autisme aandoeningen voortaan voor de buitenwereld één naam heeft. Scheelt een hoop werk voor de expert, die nu moet werken met een grote overlap aan kenmerken – die de precieze diagnose stelling vaak monnikenwerk maakt.

In de praktijk zit er wel degelijk verschil tussen de aandoeningen, en dus ook in de aanpak. Komt dan de behandeling niet in gevaar?

Als je bijvoorbeeld kijkt naar de diagnose autisme in vergelijk met Asperger dan kun je bijvoorbeeld stellen dat iemand met het Asperger syndroom een normale intelligentie heeft en er geen sprake is van een vertraagde taalontwikkeling. Daarbij komt dat men er nog steeds niet uit is wat de definitieve criterialijst is voor Asperger, er zijn 6 verschillende versies in omloop.

Daarbij is PDD-NOS een restdiagnose – een soort doe-mij-die-maar diagnose omdat men het plaatje niet helder krijgt. PDD-NOS heeft trouwens ook nog geen heldere criteria.

Wat we dus krijgen is dat mensen die sterk van elkaar verschillen wat betreft symptomen, beloop van de stoornis, gedrag en reacties op de vormen van behandeling straks verder gaan onder dezelfde noemer. Dat is zeer kwalijk te noemen. Zeker gezien het feit dat het werkelijke waarom van deze aandoeningen nog niet op tafel ligt. Gedragskenmerken zijn tot nu toe de enige basis om een diagnose te stellen.

Dan het andere opvallende in de nieuwe DSM:

‘Temperament-disregulatie met disforie’ is de nieuwe term, voor een kind die minstens driemaal per week buitenproportioneel fel reageren op ‘gewone stressoren’. Tussen de uitbarstingen door zijn de kinderen prikkelbaar, of boos, of somber.

Klinkt mooi, we hebben er nu een naam voor. Een kind hoeft niet langer ongeëtiketteerd rond te lopen als hij of zij het leven soms erg zwaar vind. Ik zie al meteen een heleboel kinderen die voor deze diagnose in aanmerking komen. Overbelaste kinderen, die geen aanleg voor iets hebben vanuit zichzelf, maar kapot gaan aan omgevingsfactoren. Wat dacht je van een kind in de situatie van een vervelende scheiding tussen de ouders, of – ik noem het maar weer even – het hoogbegaafde kind.

Ideaal voor al uw diagnoses: gedragsproblematiek vanuit niet passend onderwijs. Want de simpele term niet passend onderwijs kan gigantische gevolgen hebben voor een kind. Niet alleen buikpijn, maar ook angsten, complete uitbarstingen van woede (onmacht?), tot zelfmoordpogingen aan toe, ook op jonge leeftijd.

Je kunt het je eigenlijk niet voorstellen, een kind dat letterlijk ZIEK wordt van school. School is toch leuk, ieder kind wil toch naar school. Nee, niet als het dag in dag uit zo is dat je sommen moet doen die je al jaren kent, je geen aansluiting kan vinden in de klas omdat jij als enige niet van voetbal houdt, maar van astronomie bijvoorbeeld. Leren lezen in groep 3 is leuk als je dat nog niet kan, maar wat als je jezelf al met 3 jaar hebt leren lezen?

Je ging zo hoopvol naar de eerste klas, want daar gaat het echte leren beginnen. Je worstelt je door 2 jaren verplicht spelen heen – is immers goed voor je. Juf is trots op je als je puzzels van 25 stukjes maakt, thuis is dat een puzzel van 200 stuks – waarom is juf dan zo trots? Je wil echter aan de slag! Met wat mazzel geef je het niet al in de kleuterklas op, heb je hoop tot in groep 3. Want zowel juf als papa en mama hebben gezegd dat het dan echt leuk gaat worden. Wat viel dat tegen: opnieuw leren lezen.

Hoofdpijn krijg je er van, en buikpijn. Elke ochtend ben je verdrietig, het slapen gaat ook al slecht. Je snapt er niets van, waarom moet je dat doen wat je al kan. Ziet niemand hoe moeilijk je het hebt op school?

En op een dag wordt je boos op een klasgenoot, omdat die je niet snapt. Je neemt je boosheid ook mee naar huis, uit onmacht. Wat raar eigenlijk, dat juf je wel aandacht geeft als je boos bent. Normaal gesproken heeft ze geen tijd voor je vragen. Dan loopt het op een gegeven moment uit de hand …

Wat moet er gebeuren ten aanzien van de DSM V:

De alles op één hoop optie is zeer onverstandig. Eerst maar eens wat feiten meer helder op tafel. Investeren in meer dan symptomen als basis. Tot die tijd geen grote wijzigingen op deze afdeling.

Verder lijkt het me verstandig dat er een aanvulling komt in de DSM V, voor gedragsproblemen waarbij de oorzaak niet in het kind ligt, maar in de omgeving.

Zodat de experts zich realiseren dat gedragsproblematiek niet altijd vanuit het kind komt, maar dat de grote mensen zichzelf ook maar eens aan moeten kijken.

Het lijkt me ook verschrikkelijk voor een kind, dat men je niet ziet zoals je werkelijk bent. Dat je niets meer bent dan een etiket.

Kijk naar de video van de lezing van Allen J. Frances on The Overdiagnosis of Mental Illness.

Duur: 57 min.

maart 2012

About the video:

Psychiatrist and author, Allen J. Frances, believes that mental illnesses are being over-diagnosed. In his lecture, Diagnostic Inflation: Does Everyone Have a Mental Illness?, Dr. Frances outlines why he thinks the DSM-V will lead to millions of people being mislabeled with mental disorders. His lecture was part of Mental Health Matters, an initiative of TVO in association with the Centre for Addiction and Mental Health.

Dorien Kok

http://www.I-CARUS.info

Het sprookje van Ritalin en het placebo effect

“Het geneesmiddel Ritalin mag binnenkort alleen nog door medisch specialisten worden voorgeschreven. Ritalin wordt vooral gebruikt door kinderen en pubers met de aandachtsstoornis adhd.” Dit stond in 2003 in het dagblad Trouw.

Verder stond er in dat artikel:
,,Adhd is een psychiatrische aandoening. Een psychiater moet dus ook oordelen of iemand eraan lijdt en Ritalin nodig heeft”

“In 2001 werd 55 procent van de behandelingen met Ritalin ingezet door een medisch specialist, volgens de Stichting Farmaceutische Kengetallen (SFK). In de overige gevallen schreef de huisarts het middel voor het eerst voor.”

Wat is er sinds die tijd veranderd?
Weinig. Huisartsen schrijven nog steeds voor, kinderen zonder diagnose slikken nog steeds Ritalin.

Hoe is dit mogelijk!

Het gebruik van Ritalin neemt sterk toe. Daarbij bestaat er geen informatie over de effecten van methylfenidaat op de lange termijn.

Het European Medicines Agency (EMEA), de organisatie die over toelating en veiligheid van Europese geneesmiddelen waakt, besloot op 22 januari 2009 dat de behandeling van kinderen van 6 jaar en ouder met aandachtsstoornis en hyperactiviteit (ADHD) veiliger wordt als er beter gecontroleerd wordt op mogelijke nadelige effecten die het middel methylfenidaat kan hebben.

De praktijk kan echter de volgende situatie opleveren:
School zegt dat uw kind niet te handhaven is en vraagt om medicatie? Hoeveel weegt uw kind, oh – dat is dus zoveel milligram. Bloeddruk en hartslag worden niet, zoals nodig, gecontroleerd en het verlengen van het recept kan gewoon telefonisch. Na een jaartje even stoppen om te kijken of het zonder ook kan? Waarom – het gaat nu juist goed door de medicatie. Wat met het brede pakketbehandeling, waarbij ook de sociale factoren, opvoeding en sport in worden meegenomen – naar advies van hetzelfde EMEA?

Officieel is Ritalin alleen bedoelt om het kind korte tijd open te stellen voor gedragsverandering door bijkomende behandeling.

Onderzoeksresultaten van een vervolgonderzoek Van der Oord et al. (UVA, 2007) geven aan dat veel kinderen met ADHD in de adolescentie niet meer aan de diagnose voldoen (50%). Waarom dan blind jaar na jaar medicatie blijven geven?

Hoe kun je nu objectief bekijken of de Ritalin werkt en hoeveel en of het wel nodig is.
Dat is heel simpel: het placebo onderzoek.
Men neme een gediagnosticeerd kind, de ouders en de school.
Voor een periode van 5 weken wordt er proefmedicatie gegeven, echter zonder dat de dosering bekend is bij de ouders, het kind of school.
De dosering, 2 maal daags, kan bestaan uit 5 mg, 10 mg, 20 mg Ritalin of een placebo – een pil die geen werkzame bestanddelen bevat.

Via vragenlijsten voor de ouders en school worden de effecten van de medicatie gemeten. Dit op het gebied van aandacht, hyperactief/impulsief gedrag en oppositioneel/opstandig gedrag. De scores worden vergeleken en er wordt gekeken naar eventuele bijwerkingen.
Dit levert mooie grafiekjes op, die een advies geven dat past bij het kind.

Het voordeel van op deze manier werken is dat het kind medicatie op maat krijgt en – nog belangrijker – geen medicatie krijgt als het niet nodig is!

Het leuke van zo’n onderzoek is het placebo effect: ouders en school zijn knap verrast als blijkt dat ze erg enthousiast waren over het kind in de placebo periode. Van een placebo kun je je als kind ook knap beter voelen!

Er is in 2003 onderzoek gedaan naar deze manier van doseringsadvisering, door de Universiteit van Amsterdam. In de praktijk kom je deze manier van vaststellen weinig tegen. Het is ook een bewerkelijke en arbeidsintensieve methode, en het kost ook wat.

Ik pleit echter voor een landelijke invoering hiervan.
Als je daarbij stelt dat alleen (zonder twijfel) gediagnosticeerde kinderen via een psychiater voor maximaal een jaar medicatie kunnen krijgen, waarna weer een onderzoek, dan komen we al een stuk verder.

Helaas is het zo dat ouders na een advies voor geen medicatie soms toch voor medicatie kiezen. Bijvoorbeeld omdat de school er toch op staat…

Aanvulling november 2016:
In 2015 gebruikten 85 duizend kinderen tussen de 5 en 15 jaar Ritalin. Dat komt neer op 4,3 procent van alle kinderen in die leeftijdsgroep. Het aantal gebruikers onder de 15 jaar neemt niet langer toe maar af in Nederland. Bron: Stichting Farmaceutische Kengetallen (SFK).

Lees ook:
Ritalin verandert kinderbrein blijvend, artsen pleiten voor voorzichtigheid.
Ritalin werkt langer door op het kinderbrein dan bij volwassenen. Ook als kinderen het middel niet meer slikken, hebben zij een veranderde hersenactiviteit. Dat blijkt uit promotieonderzoek aan het AMC in Amsterdam. De onderzoekers pleiten voor voorzichtigheid met adhd-medicatie.
Dagblad Volkskrant 22 november 2016

Dorien Kok
http://www.I-CARUS.info

Onderzoek thuiszitters Hogeschool Utrecht

Zoals in een eerder blog gemeld ben ik zeer geïnteresseerd in de oorzaken van het thuiszitten van leerplichtige kinderen.

Ik ben ook zeer verheugd over het feit dat per schooljaar 2009-2010 hoogbegaafdheid één van de noemers in het Thuiszitters onderzoek van het Ministerie van OCW is.

Bij de Hogeschool Utrecht start vanuit de afdeling Master Ecologische Pedagogiek binnenkort een onderzoek die meer licht kan werpen op de werkelijke oorzaak van het thuiszitten. Dit omdat het in het onderzoek draait om de ouders en kinderen zelf. Zij kunnen een praktische oorzaak aangeven, waardoor de aanpak van de thuiszitters problematiek meer passend kan worden.

Quote: “ Naar schatting 2000 tot 3000 kinderen in Nederland zitten jaarlijks zonder onderwijs thuis. Bij ruim dertien procent spelen gedragsproblemen een rol, bij nog eens dertien procent psychische problemen, in achttien procent van de gevallen wil het kind niet naar school om wat voor reden dan ook. Bij een op de vijf thuiszitters duurt dat langer dan een jaar, zo bleek uit onderzoek van Ingrado, de vereniging van leerplichtambtenaren. Daarmee vormen ‘thuiszitters’ een hele grote, uiteenlopende groep met allemaal een eigen achtergrond. Waar in veel gevallen voor geldt dat er veel problemen mee gepaard gaan.

We studeren af op het onderwerp ‘thuiszitters’ aan de hbo-opleiding Master Ecologische Pedagogiek aan de Hogeschool Utrecht. Dit is een studie opvoedkunde waar je ‘anders leert kijken naar een kind en zijn omgeving’.
We zochten een geschikt onderwerp voor ons praktisch wetenschappelijk onderzoek. Thuiszitters als onderwerp kwam al snel ter sprake. Alle drie hebben we als leerkracht te maken gehad met kinderen die niet naar school kwamen, alle drie op een hele andere manier. Het fascineerde ons. Wat gaat er schuil achter de verhalen van het kind dat niet naar school kan / mag? 
We hebben ondervonden dat het moeilijk is om met thuiszitters en hun ouders in contact te komen. We willen dolgraag spreken met iedereen die te maken heeft met een kind dat niet naar schoolgaat.

In onze oriëntatie op het probleemgebied zijn we alleen onderzoek tegengekomen, waarin gesproken wordt over aantallen thuiszitters. Ons valt op dat kinderen en ouders hierin geen stem hebben. Het gaat in ons onderzoek juist niet om de cijfers, maar om de verhalen van kinderen en ouders. Wij willen hen juist wel een stem geven. Door naar de unieke verhalen te luisteren willen wij zicht krijgen op wat er verteld wordt aan ervaringen.
Mensen die hun verhaal (al dan niet anoniem) willen doen, kunnen contact opnemen tot april 2010 met Henriet Kuperus, Marian Jongen en Linda Brijker: 06 3461 4784 of mailen naar: mep1@live.nl “.

Dorien Kok
http://www.I-CARUS.info

Hoogbegaafde thuiszitters

Ik was op zoek naar cijfers over hoogbegaafde thuiszitters in het basisonderwijs en het voortgezet onderwijs. Dat zijn er naar vermoeden best veel.

Maar hoeveel zijn het er in het echt?

Voor de schooljaren 2007-2008 en 2008-2009 heeft het Ministerie van OCW opdracht gegeven aan Ingrado om onderzoek te doen naar thuiszitters.

Uit het onderzoek van 2008-2009 blijken op elke willekeurige dag tussen 800-1100 jongeren thuis te zitten, dus zonder onderwijs. Het merendeel van de thuiszitters (84%) heeft de voortgezet onderwijsleeftijd, 16% heeft de basisschoolleeftijd. Er zitten 2 maal zoveel jongens als meisjes thuis van school. Over het algemeen duurt het 4 maanden voordat het kind weer naar (een) school gaat.

In beide onderzoeken zijn hoogbegaafde thuiszitters niet apart gecategoriseerd bij mogelijke oorzaken.

Er zijn wel veel oorzaken waarvan je denk, daar zouden ze wel eens tussen kunnen zitten: gedragsproblemen, leerproblemen, onwelwillende leerling, geen passende school kunnen vinden etc.

Omdat 50-80% van de hoogbegaafde kinderen niet lekker in hun vel zitten op school (onderzoek Sociaal Cultureel Planbureau, 2006) en daarom ook thuis kunnen komen te zitten, is het zeer belangrijk dat er een duidelijk beeld komt hoeveel hoogbegaafde kinderen er thuis zitten, wat de achtergrond daarvan is en  hoe lang het duurt voordat ze weer naar school gaan. Gaan ze terug naar hun oude school of wordt er ergens anders een oplossing gezocht.

Voor het schooljaar 2009-2010 staat opnieuw een onderzoek geplant. In dat jaar komt er op mijn verzoek in de categorie mogelijke oorzaak een noemer bij: hoogbegaafdheid.

Ik ben erg benieuwd naar de uitkomsten hiervan!

Lees het hele Thuiszitteronderzoek 2008-2009 hier: Ingrado

Dorien Kok

http://www.I-CARUS.info