Categorie archief: Passend onderwijs

100 jaar vrijheid van onderwijs en noodzaak tot modernisering.

Op 17 mei (2017) ging ik op uitnodiging naar het door de VARO, de Vereniging van advocaten en rechtsbijstandverleners in het onderwijsrecht, georganiseerde symposium ter gelegenheid van 100 jaar onderwijsvrijheid.

Centraal stond de vraag de vraag of het voor de gewenste modernisering van de vrijheid van onderwijs (artikel 23*) noodzakelijk is om het juridische begrip “richting” op te geven zoals staatssecretaris Dekker propageert in zijn wetsvoorstel ‘Meer ruimte voor nieuwe scholen’.

Na een juridische inhoudelijke deel van het programma volgde een inhoudelijk debat: is het inderdaad nodig om het begrip ‘richting’ los te laten om te voldoen aan de eisen van de onderwijsconsument (leerlingen, met hun ouders/verzorgers als hun vertegenwoordigers) van nu. Wat zijn de gevolgen hiervan voor de onderwijskwaliteit in Nederland, als gevolg van versnippering van het onderwijsaanbod. Vormt ‘Meer ruimte voor nieuwe scholen’ een bedreiging voor bestaande scholen.

Ik was, samen met Pieter Huisman (bijzonder hoogleraar onderwijsrecht en lid van de Onderwijsraad), Roelof Bisschop (politicus voor de SGP en directeur in het voortgezet onderwijs) en Guido Bastiaans (initiatiefnemer van een nog te starten VO school in Utrecht dat zich speciaal richt op duurzaamheid) uitgenodigd om inzichten te delen in het debat waarmee VARO het symposium afsluit. Ik kon als voorzitter en initiatiefnemer van stichting Omniumscholen een mooi inkijkje geven in de hindernissen en knelpunten waartegen wij als stichting in de afgelopen jaren zijn aangelopen. Dit omdat ik al lange tijd intensief betrokken bent bij de oprichting van een nieuwe school, dat bovendien een heel nieuw concept is en ik het huidige onderwijsbestel van binnenuit heb leren kennen. Roelof Bisschop bleek helaas op het laatst verhinderd.

Annejet Swarte (stafjurist College Rechten van de Mens) vertelde als eerste spreker over de vrijheid van onderwijs vanuit het perspectief van de onderwijsvrager. Ze gaf ons onder andere een inkijk in de oordelende taak van het College van de Rechten van de Mens en de uitgangspunten in de gelijkebehandelingswetgeving. Daarbij sprak ze ook over uitsluiting op grond van handicap of chronische ziekte. Beoordeling over ‘gelijke behandeling’ gebeurt in individuele zaken.

Ze informeerde de aanwezigen over recente ontwikkelingen zoals de invoering passend onderwijs en de ratificatie van het VN-verdrag handicap** – die de Nederlandse overheid mede ondertekent heeft. Het woord inclusief in artikel 24 van het VN-verdrag gaf een mooie uitwisseling over in hoeverre het onderwijssysteem in Nederland als inclusief te beschouwen is. De meningen over wat dit artikel in de praktijk betekent zijn verdeeld.

Ten aanzien van vrijheid van onderwijs (artikel 23 in de grondwet) berichtte ze vanuit de praktijk van het College dat onderwijsconsumenten belemmeringen ervaren. De nieuwe wet vanuit het wetsvoorstel ’Meer ruimte voor nieuwe scholen’ lijkt geen volgen te hebben voor de toepassing van de gelijkebehandelingswet.

Frans Mulder (BMC) belichtte als tweede spreker het wetsvoorstel ‘Meer Ruimte voor Nieuwe Scholen’ vanuit het perspectief van de besturen. De vraag was of hij ons mee kon nemen naar de situatie waarin het wetsvoorstel ‘Meer ruimte voor nieuwe scholen’ is aangenomen en toe kon lichten wat er dan allemaal is veranderd. Dit was niet mogelijk, omdat het aangepaste ontwerp niet openbaar is tot dat het kabinet het naar de Tweede Kamer stuurt. Het ontwerp zoals we dat nu kennen is van januari 2016 (internetconsultatie).

Startpunt van zijn betoog werd daarom ‘het zou best deze kant op kunnen gaan’. Zijn verwachting is dat het aangepaste ontwerp niet controversieel is en nog dit jaar in behandeling wordt genomen. De Tweede Kamer wacht het wetsvoorstel nu dus af. Vraag is of het mislukken van de formatie hier invloed op heeft. Er ligt voorlopig geen wijziging in de planning, er zijn echter ook geen garanties op een goede afloop.

Frans duidde als voorbeeld van het op slot zitten van het huidige systeem met dat er in de afgelopen 10 jaar maar rond de 10 nieuwe scholen voor voortgezet onderwijs gestart zijn. Weinig dus. Er is voor het waarom een directe link te leggen naar de hoge stichtingsnormen, de prognose of directe meting, dat er van bekende richtingen al veel aanwezig is en dat er eigenlijk nog discussie is over wat richting inhoudt, wat de waarde van een bepaalde richting is in de samenleving en in hoeverre deze geworteld is in ons maatschappij.

Staatssecretaris Sander Dekker heeft dus gelijk als hij zegt dat het systeem op slot zit. De huidige prognosesystematiek meet daarbij ook niet de daadwerkelijke belangstelling, wat soms op een eigenlijk oneerlijke nee voor een start uitloopt. Daarbij is er ook geen kwaliteitcheck op nieuwe scholen.

De basis voor het huidige onderwijslandschap ligt in keuzes die gebaseerd zijn op een werkelijkheid die in vroegere tijden actueel was, waarin maatschappelijke verzuiling en bezuinigingspolitiek een grote rol speelden. Er ligt nu, naar mijn mijn mening, een nieuwe werkelijkheid – de wereld is veranderd. Net meer dan de helft van de Nederlandse bevolking belijdt nog een geloof, toch zijn er maar 3 niet-confessionele richtingen in het onderwijs – met daarnaast 10 confessionele.

Er is in Nederland een zoektocht gaande naar ‘lege plekken’ in de richtingszuilen, voor bijvoorbeeld initiatieven met een pedagogisch of didactisch concept. Dit levert soms optelsommen aan richtingen op, zoals bijvoorbeeld een recent aanvraag in Almere – die trouwens afgewezen is: islamitisch, hindoestaans, protestants-christelijk én rooms-katholiek.
Als alternatief spreken nieuwe initiatieven met bestaande besturen om vanuit BRIN ‘leenheerschap’ toch te kunnen starten. Dat kan een goed alternatief zijn, was het niet dat er dan risico is op verwatering van het nieuwe onderwijsconcept, omdat de leenheer natuurlijk invloed wil hebben op wat men in huis haalt.

De nieuwe plannen hebben gevolgen voor de belanghebbenden (ouders etc.), de samenwerking in de regio, de huisvesting van scholen en de gemeenten. Er worden eisen gesteld aan bestuurders, er komt een uitnodigingsplicht voor overleg in de regio en een procedure voor ouderverklaringen. Onderwerpen waar nog veel vragentekens en onduidelijkheden over zijn en bezwaren tegen de mogelijke invulling daarvan. Er komt een toets op groei na de start en er is sneller sprake van sluiting bij onvoldoende kwaliteit. De procedure zal naar verwachting korter zijn dan nu. Het begrip richting vervalt als bepalende factor voor de bekostiging, er blijft alleen een onderscheidt tussen openbaar en bijzonder onderwijs over. Daarnaast spelen verwachte leerlingaantallen en kwaliteitseisen een grote rol.

Dat laatste is een lastige. Is het aan de staat om te bepalen wat kwaliteit is of aan de betrokkenen zelf. Het is goed dat politiek zich met het onderwijs bemoeit waar het over het stelsel gaat, de huidige discussie over de kwaliteit van leraren duidt echter dat het werkveld invulling van kwaliteit mogelijk anders ziet dan de politiek. Hoe ver moet politieke bemoeienis gaan over kwaliteit als je het hebt over vrijheid van onderwijs. Er ligt natuurlijk een verantwoording tot een zekere bemoeienis vanuit de grondwet en de investering van geld uit de samenleving.
Het nieuwe startdocument zorgt er voor dat nieuwe initiatieven goed na denken over hun kwaliteiten, plannen en invulling, echter de beoordelende partij – de onderwijsinspectie – is geen onafhankelijk orgaan. Er moet dus een helder kader komen rond de beoordeling van de onderwijsinspectie ten aanzien van het startdocument.

Er zijn naast de kwaliteitstoets van de inspectie nog meer vraagtekens: de samenhang naar stichtingsnormen en huisvesting ontbreekt nu nog: thema’s die eigenlijk onlosmakelijk verbonden zijn met de succesfactor van de voorgestelde wijzigingen. Er zijn nog ook vragentekens over de ruim gestelde rol van de Minister ten aanzien afwijzing van een aanvraag. Wat te doen met krimpgebieden, ‘laatste school van richting’, overvolle regio’s. Hoe beschermen we de huidige scholen -mede in verband met de vergrijzing-, in hoeverre zijn scholen bereid tot samenwerking/bundeling van krachten en het loslaten van het concurrentengevoel. Gaan bestaande scholen zich meer profileren om te blijven bestaan en hun basis aan kwaliteit verhogen. De kwaliteitstoets kan een prikkel vormen voor bestaande scholen om te werken aan hun kwaliteit, waarbij de wensen van ouders en leerlingen worden meegenomen. Hetzelfde geldt voor innovatie.

Veel redenen tot twijfel over de nieuwe plannen, maar ook bijval voor de doorbreking van het huidige stelsel. Nu is het afwachten. Is er genoeg politiek en maatschappelijk draagvlak voor de plannen. Grote vraag is ook: gaat het iets oplossen. En wat dan. Zien we nu ook grotere en meer beren op de weg dan de praktijk zal laten zien of klopt onze aarzeling.

Dorien Kok
http://DorienKok.nl

* Artikel 23 grondwet. De Nederlandse Grondwet

** Artikel 24 VN-Verdrag handicap. De Staten die Partij zijn erkennen het recht van personen met een handicap op onderwijs. Teneinde dit recht zonder discriminatie en op basis van gelijke kansen te verwezenlijken, waarborgen Staten die Partij zijn een inclusief onderwijssysteem.

De Werkelijke Staat van de Ouder in onderwijs.

Op woensdag 12 april 2017 verscheen ‘De Staat van de Ouder’. De ‘Staat van de Ouder’ is een nieuw onderdeel van ‘De Staat van het Onderwijs’, een rapport dat ieder jaar door de Inspectie van het Onderwijs wordt uitgegeven. Het optekenen van ouderverhalen is een initiatief van Ouders & Onderwijs, de ‘landelijke organisatie voor ouders met schoolgaande kinderen’.

In 2013 besloot staatssecretaris van Onderwijs Sander Dekker de subsidie voor bestaande  ouderorganisaties in te trekken. Er was voor hen ‘geen wettelijke taak’, redeneerde Dekker. Dit leverde in één keer een bezuiniging op van 2,9 miljoen euro. Sinds 2014 worden álle Nederlandse ouders bij het ministerie van Onderwijs vertegenwoordigd door deze landelijke organisatie Ouders & Onderwijs, die door het Ministerie wordt betaald.

De Staat van Ouders

De Staat van de Ouder geeft, zoals Ouders & Onderwijs aangeeft, ‘de ervaringen en meningen van ouders weer, het is hun perspectief, inclusief blinde vlekken en roze brillen’*

Ouders & Onderwijs: ‘In het basis- en voortgezet onderwijs samen zitten 2,5 miljoen kinderen. Als we voor het gemak uitgaan van een gemiddelde van twee kinderen per gezin, zijn er dus 2,5 miljoen ouders met kroost in het funderend onderwijs’ Ouders konden zich via een oproep melden voor het onderzoek.**

Ouders & en Onderwijs komt met de volgende conclusie over de uitkomsten: ‘Wel nu, alles overziend zijn de wensen van ouders niet overdreven groot. Een beetje ruimte voor eigen inbreng in het opnemen van vrije dagen. Iets meer informatie over de aanpak van pestgedrag. Wat meer bij de hand genomen worden bij de overgangen binnen en tussen scholen. Graag een tikje beter op de hoogte gehouden worden over de ontwikkeling van het eigen kind. En iets meer afstemming over de gewenste bijdragen aan de school. Het is niet moeilijk om hierin een rode draad te herkennen: ouders willen geïnformeerd, gehoord en bij de hand genomen worden. Ouders willen graag meer samenwerken.

Nou, prachtig deze uitkomsten. We kunnen als ouders met z’n allen met een gerust hart naar bed. Of…..?

Wie betaalt die bepaalt
Zoals eerder benoemd wordt de organisatie Ouders & Onderwijs betaald door het Ministerie van Onderwijs. Vragen beantwoorden, ouders bijstaan en het in contact brengen van partijen die elkaar kunnen versterken is de gestelde taak. Het ministerie ziet Ouders & Onderwijs als ‘landelijke gesprekspartner voor de politiek, het ministerie van Onderwijs, Cultuur & Wetenschap en uiteenlopende andere partijen in de onderwijssector.’ Ouders & Onderwijs is hiermee een prima oplossing voor het in opdracht van het ministerie verstrekken van feitelijk informatie over onderwijs.

Conclusie die je hier uit kunt trekken is dat Ouders & Onderwijs geen onafhankelijke ouderorganisatie is. Die zijn er wel in Nederland, al jaren. Meest bekend zijn de grote landelijke oudervereniging Balans en het onafhankelijke platform ‘Ouders Online’. Verder kent Nederland nog onder andere Mama Vita, Onderwijs Consumenten Organisatie, Ouderkracht voor ‘t kind en de werkgroep Thuiszitters Tellen.

Het verschil tussen deze organisaties en Ouders & Onderwijs is groot:

  • Ouders & Onderwijs is een stichting, ouders kunnen dus, in tegenstelling tot de andere ouderorganisaties, niet lid worden.***
  • Ouders & Onderwijs is financieel afhankelijkheid van het Ministerie. Met een té kritische houding richting het Ministerie zou deze organisatie zichzelf in de vingers snijden. Initiatief en doorzettingsvermogen op het gebied van ouderbelangen boor je hier dus mee in de grond. Ouders zijn immers dé spiegel als het gaat om falen van overheidsbeleid op het gebied van onderwijs…
  • De andere ouderorganisaties kenden al jaren voor het ontstaan van Ouders & Onderwijs een ouderhulpsysteem via het telefoonnummer 0800-5010, waar ouders naast feitelijke informatie ook terecht konden voor voor inhoudelijke vragen, bij onder andere  ervaringsdeskundigen, juristen en wetenschappers. Over bijvoorbeeld passend onderwijs of een specifieke kindsituatie. Die inhoudelijke expertise is eigenlijk komen te vervallen met het verplaatsen van het eigenaarschap van telefoonnummer 0800-5010 naar Ouders & Onderwijs.
  • Ouders & Onderwijs mag bepalen of het andere ouderorganisaties financieel steunt. Dit geeft een scheefte en beschadigd het reeds jaren bestaande systeem van  onafhankelijke ouderhulp.
  • De overheid bepaalt hiermee wie haar gesprekspartner is. Andere ouderorganisaties worden hiermee in grote mate buiten spel gezet. In hoeverre komen dus de inhoudelijke feiten uit de onderwijspraktijk bij de overheid terecht. Feiten kunnen hiermee dus heel makkelijk genegeerd worden.

De andere ouderorganisaties stellen vraagtekens bij het functioneren van Ouders & Onderwijs. Er loopt daarom vanuit meerdere ouderorganisaties een Wob-verzoek (verzoek tot openbaarmaking van bepaalde overheidsinformatie) richting Ouders & Onderwijs. Uitspraak van de rechter wordt verwacht op 12 oktober 2017 (update zie #).

Thema’s
‘Het onderwijs’ is te veel geeft Ouders & Onderwijs aan, daarom is gekozen voor vijf thema’s die vaak terugkomen in de vragen die ouders stellen bij het informatiepunt van Ouders & Onderwijs. Dat zijn: de bijdragen van ouders aan het onderwijs (in tijd en financieel), pesten en veiligheid, dossiervorming en privacy, schooltijden, en ten slotte overgangen binnen en tussen scholen.

Onderwerpen als de gelijkheid van kansen, passend onderwijs en begeleiding op maat hadden evenzeer invalshoeken voor de Staat van de Ouder kunnen zijn staat er op de website. Daar is niet voor gekozen geeft Ouders & Onderwijs aan.

Als je naast deze 5 thema’s het grote onderzoek van de Onderwijsinspectie, ’De Staat van Onderwijs’****, legt zie je dat het geen juiste keuze is geweest.

Gelijkheid van kansen
In het rapport De Staat van onderwijs speelt het thema gelijkheid van kansen de hoofdrol: ‘het aantal leerlingen dat goed presteert is de afgelopen tien tot twintig jaar flink teruggelopen. Vooral bij rekenen, wiskunde en natuurwetenschappen. Daarmee gaan kansen van kinderen verloren en blijft talent van leerlingen en studenten onbenut.

Onderwijsinspectie: ‘Dit komt deels door de oplopende ongelijkheid die de Onderwijsinspectie het jaar daarvoor al signaleerde. De grote kwaliteitsverschillen tussen scholen is een andere oorzaak van het missen van talent. Zelfs bij vergelijkbare leerlingen en studenten zijn er grote verschillen tussen scholen en opleidingen.‘ En de Onderwijsinspectie ziet deze verschillen in elke sector en bij elk schooltype. Een thema dat je dus moet bespreken met ouders.

Passend onderwijs en begeleiding op maat
Twee derde deel van de schoolleiders geeft in het rapport van de Onderwijsinspectie aan dat de zorgbreedte van de school veranderd is sinds de invoering van passend onderwijs. Ook is driekwart van de schoolleiders van mening dat de ontwikkelbehoefte van leraren veranderd is. Scholen ervaren nog steeds veel bureaucratie met name als zij afstemmen met jeugdhulp(verlening), toelaatbaarheidsverklaringen aanvragen en ontwikkelingsperspectieven opstellen. Zaken waar ouders in de praktijk de gevolgen van zien en waar zij ook prima duiding over kunnen geven als ze het was gevraagd. Ook zij zien dat leraren problemen ervaren op het gebied van onder andere groepsgrootte en werkdruk. Zij zien dat leraren worstelen op thema’s als cognitie, het gedrag of de sociale en emotionele ontwikkeling van kinderen – met vaak negatieve gevolgen voor hun kind.

Het aantal leerlingen dat wel stond ingeschreven, maar niet naar school ging is gestegen. Er zijn vooral meer leerlingen die meer dan drie maanden niet op school zijn (toename langdurig relatief verzuim). Het hoge aantal en de stijgende trend in langdurig verzuim is onacceptabel. Het aantal vrijstellingen op grond van artikel 5 onder a, van de Leerplichtwet is de afgelopen vijf jaar sterk gestegen. Er is mogelijk niet voor alle leerlingen een passende plek in het onderwijs beschikbaar. De mogelijkheden voor onderwijszorgarrangementen worden in sommige gemeenten nog onvoldoende benut. Er is weinig zicht op de kinderen en jongeren met een dergelijke vrijstelling. Dat is zorgwekkend en onwenselijk. Bij bijna de helft van de registraties is onduidelijk welke interventies een samenwerkingsverband onderneemt en met welk succes. Sinds de invoering van passend onderwijs gaan maar iets meer leerlingen naar het
regulier onderwijs. Het gaat om kleine verschuivingen. Instroom vanuit speciaal onderwijs betreft hooguit enkele leerlingen.

Waarom zijn er leerlingen die niet binnen drie maanden op een passende onderwijsplaats maar thuis zitten? En hebben leerlingen met extra ondersteuningsbehoefte en die wel naar school gaan een werkelijk passende onderwijsplaats?

Dit zijn volgens de Onderwijsinspectie lastige maar essentiële zaken en vragen waarop nog geen antwoorden zijn, maar waarbij ouders een belangrijke rol kunnen spelen in de beantwoording.

Het onderzoek
Over de gestelde 5 thema’s – de bijdragen van ouders aan het onderwijs (in tijd en financieel), pesten en veiligheid, dossiervorming en privacy, schooltijden, en ten slotte overgangen binnen en tussen scholen – zijn er in februari 2017 1083 ouders bevraagd die kinderen hebben in het primair en het voortgezet onderwijs. Met de uitkomsten hiervan doet Ouders & Onderwijs kwantitatieve uitspraken (bijvoorbeeld dat 9 procent van de ondervraagden luizenmoeder is).

De ouders zijn door middel van een enquête en veertig groepsgesprekken ondervraagd over hun ervaringen, hun meningen, hun ideeën over hoe het (nog) beter kan en over de rol die ze voor zichzelf zien in het onderwijs van hun kind.

Is een percentage van 1083 ouders op een totaal van ongeveer 2,5 miljoen ouders (0,04%) representatief? Die vraag is moeilijk te beantwoorden. Bij veel onderzoeken kun je immers niet de volledige populatie ondervragen.

Achtergrondinformatie deelnemers

Er is daarbij gekozen voor kwantitatief onderzoek. Dit biedt cijfermatig inzicht en geeft veelal antwoorden op vragen die in termen van hoeveelheid kunnen worden uitgedrukt.

Was het niet slimmer geweest om een meer kwalitatief onderzoek te doen en daarin ouders zelf te laten meedenken over bijvoorbeeld de invulling van innovaties en toekomstig beleid? Kwalitatief onderzoek is immers gericht op het verkrijgen van informatie over wát er leeft onder een bepaalde doelgroep en waaróm. Deze vorm van onderzoek geeft diepgaande informatie door in te gaan op achterliggende motivaties, meningen, wensen en behoeften van de doelgroep. Het gaat in op het waarom van heersende meningen en bepaalde gedragingen. Daarbij worden bewuste motivaties van de doelgroep besproken, maar ook onbewuste motivaties kunnen worden achterhaald, door gebruikmaking van projectieve technieken. (Bron Right Marktonderzoek)

Conclusie
Uit de enquête blijkt dat 90 procent van de 1083 ouders ‘tevreden’ tot ‘neutraal’ is over de kwaliteit van het onderwijs van de school van hun kind. En 72 procent van die ouders omschrijft de relatie met de school als ‘goed’ tot ‘zeer goed’, tegen 10 procent ‘matig’ tot ‘slecht’.

Relatie ouders & school

Wat waren de uitkomsten geweest als het onderzoek gedaan was door een organisatie die onafhankelijk is, die de ouders en hun problemen echt kent en ondersteund. Wat als er voor thema’s gekozen was die bij het onderzoek van de de Onderwijsinspectie aansloten en wat als er meer ouder gevraagd waren niet alleen om hun mening, maar ook om mee te denken?

Volgens Balansdirecteur Swanet Woldhuis, wiens organisatie zelf onderzoek deed naar de staat van onderwijs, werkelijk bekeken vanuit de ouder (‘Staat Onderwijs. Volgens ouders’*****), ontbreekt het op dit moment vooral aan visie op onderwijs bij het ministerie van onderwijs. Alleen maar meer regeltjes invoeren leidt niet tot betere kwaliteit.

Ook hekelt Woldhuis de eenzijdige aandacht van de Inspectie en de politiek voor de kansenongelijkheid van kinderen uit lage sociale milieus. “Het wordt tijd dat er daarnaast óók aandacht komt voor de grote kansenongelijkheid van kinderen met ontwikkelingsproblemen. Doordat de juiste ondersteuning ontbreekt, stromen zij namelijk vaak af naar lagere onderwijsniveaus”, aldus Woldhuis. “En dat terwijl er nog 80 miljoen euro aan geld voor passend onderwijs op de plank ligt bij samenwerkingsverbanden. Dit is onacceptabel.”

Ik deel de mening van Swanet Wolhuis. Zelf vul ik dit graag aan met de vraag waarom er niet meer aandacht is voor kinderen met een ontwikkelingsvoorsprong. Ook zij hebben last van onterecht afstromen naar lagere onderwijsniveaus, verplaatsing naar het speciaal onderwijs of onterechte diagnostiek. Te vaak nog wordt geld van de Samenwerkingsverbanden niet besteedt aan deze groep kinderen.

Ik denk dat het onderzoek ‘De Staat van de Ouder’ in ieder geval één ding heel duidelijk heeft gemaakt: de overheid geeft ouders duidelijk niet de ruimte en het respect dat ze moeten krijgen, als informant van inhoudelijke onderwijsfeiten, als gesprekspartner en als eindverantwoordelijke voor hun kind en als kindexpert. Dat zien we niet alleen hier in dit onderzoek maar ook in de praktijk, bij landelijke bijeenkomsten als de Thuiszittertop en op de scholen.

Dorien Kok
http://DorienKok.nl

Meer lezen hierover:

# Update 3-5-2018: ‘Waarom het vreemd is dat deze oudervakbond zo positief is beoordeeld’
De Correspondent: “De stichting Ouders en Onderwijs, die moet opkomen voor schoolgaande kinderen, ligt al drie jaar onder vuur. Dat zou je niet zeggen als je de positieve evaluatie leest die het ministerie van Onderwijs, financier van de stichting, liet opstellen. Gevalletje slager-keurt-zijn-eigen-vlees, zeggen betrokkenen.
Waarom het vreemd is dat deze oudervakbond zo positief is beoordeeld?
Sinds de oprichting kreeg de organisatie veel kritiek van de reeds bestaande ouderorganisaties. Ze verwijten Ouders & Onderwijs gebrek aan deskundigheid, gebrek aan transparantie en een te meegaande houding tegenover hun broodheer, het ministerie van Onderwijs. Daarmee voldoet de stichting volgens hen niet aan de opdracht die ze van de Tweede Kamer kregen: een kritische gesprekspartner zijn van regering en het onderwijsveld.”
Lees hier het volledige artikel van De Correspondent.

Vervroegde instroom op de basisschool.

– Eerder naar school –

Wet op primair onderwijs – Artikel 39. Toelatingsleeftijd onderwijs:
39.1
Om als leerling tot een school te worden toegelaten, moet een kind de leeftijd van 4 jaar hebben bereikt.

39.3
In de periode vanaf de leeftijd van 3 jaar en 10 maanden tot het bereiken van de leeftijd van 4 jaar kan het bevoegd gezag kinderen gedurende ten hoogste 5 dagen toelaten. Deze kinderen zijn geen leerlingen in de zin van de wet.

Kinderen ontwikkelen zich niet gelijk. Soms vormt die leeftijdsgrens voor toelating op de basisschool dus ook werkelijk een probleem. Als een jong kind bijvoorbeeld een taalachterstand heeft, maar ook als een kind eerder toe is aan school – vanuit een cognitieve ontwikkelingsvoorsprong van soms wel 2 jaar.

Juni 2014 – Onderwijsinspectie
Navraag op verzoek van enkele van mijn cliënten over vervroegde instroom bij een ontwikkelingsvoorsprong leverde in juni 2014 de volgende reactie op van het Loket Onderwijsinspectie:
De inspectie meent dat vervroegde toelating in sommige gevallen een uitkomst is voor kinderen met een grote ontwikkelingsvoorsprong en wijst vervroegde toelating dan ook niet per definitie af. Voorop staat de vrijwillige medewerking van de school. Anders gezegd: de school moet akkoord zijn met vervroegde toelating. Is de school niet akkoord, dan is vervroegde toelating niet mogelijk. Er is dus heel nadrukkelijk geen sprake van een recht op vervroegde toelating. 

De wettelijke toelatingsleeftijd voor het basisonderwijs is 4 jaar, maar het bestuur van een school heeft in uitzonderingsgevallen de mogelijkheid aan kinderen onder de 4 jaar toegang te verlenen. Het bestuur zou bij het inwilligen van een dergelijke wens er wel om moeten denken dat:
* de peuter niet als leerling kan worden toegelaten, cq ingeschreven;
* voor de 3 jarige geen rijksbekostiging wordt gegeven;
* ouders van tot de school toegelaten leerlingen bedenkingen kunnen hebben tegen het door de 3-jarige gebruik maken van het onderwijsaanbod, voor zover dat ten koste zou gaan van de eigenlijke leerlingen van de school;
* de bestaande aansprakelijkheidsverzekeringen van de school mogelijk niet op de peuter van toepassing zijn;
* wellicht een aanvullende verzekering moet worden afgesloten die erin voorziet dat zaken geregeld zijn als de peuter iets overkomt of deze zelf iets aanricht dat schade oplevert (door de ouders af te sluiten).

Maatwerkgedachte scholen
We horen vanuit het onderwijswerkveld steeds vaker dat scholen hierop in willen spelen vanuit de maatwerkgedachte. Dat is een goede ontwikkeling. Helaas verloopt dit nog niet altijd goed, afstemming vanuit alle betrokkenen is verder nodig:
In februari 2017 werd ik geïnformeerd over een situatie rond een kind met een ruime ontwikkelingsvoorsprong, waarbij er overeenstemming was tussen ouders en school over de noodzaak van vervroegde instroom. Dit om de natuurlijke ontwikkeling van het kind te ondersteunen en om schade bij het kind te voorkomen. De onderwijsinspectie gaf hiervoor echter geen toestemming. Dit is in tegenspraak met de eerdere reactie van de Onderwijsinspectie.

Februari 2017 – Onderwijsinspectie
De Onderwijsinspectie stelt zich bij nieuwe navraag van mijn kant op het standpunt dat ‘(in ieder geval) structurele toelating van driejarigen tot het onderwijs zonder inschrijving niet de bedoeling is’. De inspectie gaf aan ‘bezig te zijn met het opstellen van een een beleidslijn met OCW, SZW (Samenwerkingsverbanden) en de GGD. Het is afwachten of en wanneer het huidige standpunt wordt gewijzigd.’ Echter: GGD-GHOR april 2017: “Er is in tegenstelling tot wat de inspectie meldt geen nieuwe beleidslijn in de maak.”

November 2017 Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
Hernieuwde navraag geeft in november 2017 het volgende antwoord van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW):

Er is binnen de huidige wetgeving geen mogelijkheid om een uitzondering te maken op de toelatingsleeftijd van 4 jaar. Zoals u in uw e-mail al aangeeft, kunt u in artikel 39 van de Wet op het primair onderwijs meer lezen over de toelating en het wennen van een kind op de basisschool.

Op de website van de Inspectie van het Onderwijs kunt u vinden wat er wel wettelijk toegestaan is op het gebied van onderwijs aan driejarigen in opvang-onderwijs. Zo is het soms mogelijk om met de beoogde basisschool van een kind te bespreken of zij lesmateriaal dat aansluit bij de behoefte van het kind beschikbaar willen stellen aan het kinderdagverblijf of de peuterspeelzaal. Op deze manier kan een kind dat daar al aan toe is meer worden uitgedaagd in de groep.

VVE: voorschoolse of vroegschoolse educucatie
In Nederland kennen we het systeem van VVE: voorschoolse (voor kinderen van 2,5 tot 4 jaar) of vroegschoolse (voor kinderen uit groep 1 en 2) educatie indien er sprake is van een achterstand. Kinderen krijgen deze vorm van educatie op de peuterspeelzaal, basisschool of in de kinderopvang. De gemeente bepaalt of een kind hiervoor in aanmerking komt. Meestal gaat dit via het consultatiebureau. In de voorschoolse of vroegschoolse educatie leert een kind al spelend de Nederlandse taal. Zo kan het kind de achterstand inhalen en een goede start maken op de basisschool.

Brede discussie over vroeginstroom
Graag trek ik de discussie over vroeginstroom breder: Nederland is erg succesvol als het gaat om het signaleren van een achterstand (o.a. via vroegsignalering door de consultatiebureau’s) en op het inspelen hierop via de VVE programma’s. Succesvolle implementatie van vroegsignalering staat of valt echter met samenwerking en overeenstemming tussen de onderwijsprofessionals van de basisschool en dé kindspecialist en wettelijk verantwoordelijke: de ouder. Indien nodig aangevuld met een zorgvuldige overdracht van gegevens tussen de zorgprofessionals van het consultatiebureau en de school.

Vroegsignalering
Op 15 juli 2013 hebben we vanuit stichting 360grView, waarvan ik in die tijd voorzitter was, staatssecretaris Martin van Rijn van VWS benaderd met de vraag of het mogelijk is om onderzoek te starten naar het gebruik van het Van Wiechenschema bij het vroeg signaleren van begaafdheid bij jonge kinderen, en of het mogelijk is om hier meer aandacht voor te genereren. De staatsecretaris reageerde hier positief op (brief met kenmerk 108821-PG). De stichting is hier mee aan de slag gegaan, met onder andere het NCJ (Nederlands centrum Jeugdgezondheid).

Bevindingen: voor ouders en voor basisscholen biedt het breed gebruiken van Van Wiechenschema’s op de consultatiebureau’s een concreet aanknopingspunt bij de vraag welk onderwijs het meest passend is voor een kind én wanneer het per kind leeftijdtechnisch gezien in het belang van dat kind is om in te stromen in het basisonderwijs, indien er sprake is van een ontwikkelingsvoorsprong. De zorgvraag die nu vaak in de loop van een schoolcarrière ontstaat kan zo worden beperkt, hetgeen leidt tot een daling van het gebruik van voorzieningen, misdiagnoses en langdurende uitval op school (thuiszitters).

Het NCJ heeft verder in overleg met stichting 360grView succesvol het onderwerp vroegsignalering aangepakt. In goede samenwerking is de brochure ‘Jonge hoogbegaafde kinderen: een bijzondere groep; Kenmerken en problemen’ ontwikkeld (https://ontwikkelingsvoorsprong.info/2014/03/27/ncj-brochure-jonge-hoogbegaafde-kinderen/). Met deze brochure hebben professionals in de JGZ een duidelijk handvat voor het signaleren van potentiële hoogbegaafdheid bij kinderen in de consultatiebureauleefijd. De brochure is zowel binnen het zorgveld als daarbuiten zeer positief ontvangen. Daarnaast is er de door de stichting gemaakte informatieve website http://ontwikkelingsvoorsprong.info, voor ouders, onderwijs- en zorgspecialisten.

Omdat vroegsignalering binnen de consultatiebureaus in lijn is met de in het ‘Plan van aanpak toptalenten 2014-2018’ geformuleerde doelstellingen, hebben wij Staatssecretaris Sander Dekker eveneens op de hoogte gebracht van het verschijnen van de NCJ-brochure en ons onderzoek naar dit thema. Er ligt immers een duidelijke link tussen vroegsignalering en besluitvorming rond vervroegde instroom op de basisschool als we het hebben over maatwerk.

Vroegsignalering van talent op het consultatiebureau leidt niet alleen tot meer maatwerk in het onderwijs maar op termijn ook tot kostenbesparing. Zeker ten aanzien van thuiszitters kan, zoals geconcludeerd in de sessies Preventie op de Thuiszitterstop op 6 februari 2017, vroegsignalering 0-4 jaar een grote rol spelen – niet alleen rond een ontwikkelingsvoorsprong.

Maatwerk
Maatwerk is dus nodig. Het is aan te bevelen het Van Wiechen systeem van vroegsignalering van het consultatiebureau ook actief te gebruiken voor het signaleren van een voorsprong. Zo kan een kind met een voorsprong, net zoals een kind met een achterstand, een passende en waarschijnlijk vroegere start maken op de basisschool. Ruimte voor een 0/1 groep zou wat dat betreft een goed voorbeeld zijn. Een bredere kijk op of hervalidatie van Artikel 39 is daarvoor aan te raden.

Dorien Kok
http://DorienKok.nl

Kansongelijkheid in het onderwijs

Paul Rosenmöller (voorzitter VO-raad) vroeg in een artikel in het dagblad Trouw om aandacht voor de kansongelijkheid in het onderwijs ‘“Het schooladvies moet iets zeggen over de start van de middelbare school en niet dienen als verwachting van welk diploma je uiteindelijke gaat halen.” Het lijkt de VO-raad dus logisch om na twee jaar voortgezet onderwijs een nieuw moment in te bouwen waarin je met zijn allen bespreekt: waar sta je nu? Niet nogmaals met een toets, maar een evaluatie.

Dit zegt hij bijna een jaar nadat de Onderwijsinspectie de alarmbel luidde over dat de ongelijkheid tussen kinderen van lager- en hogeropgeleide ouders groeit.

Oplossing?

De oplossing die de VO-raad noemt lijkt handig, past echter op vele scholen niet. Mede omdat basisscholen nog weinig een dubbel advies geven. De grootste angel blijkt de manier waarop scholen de brugklassen indelen te zijn: smal, waardoor er weinig ruimte is voor wisseling van niveau – zeker als op een categorale school, waar maar één enkele niveau onderwijs wordt geboden.

In Nederland veroordelen we kinderen in het onderwijs voor jaren tot het niveau van hun zwakste vak. Het op gemiddelden gebaseerde eindadvies is hiervoor bepalend. Dit kan en moet anders. Beter. Flexibeler.

Straf

Een kind in het onderwijs in het geheel veroordelen tot diens laagste niveau voor een onderdeel in diens ontwikkeling is een straf. Dat geldt ook voor de bewust of onbewust hogere of juist lagere adviezen die ze in groep 8 krijgen. Je legt een deksel op de ontwikkeling van een kind. Tot hier en niet verder. Probeer als kind maar eens die deksel omhoog te krijgen. Een kind krijgt dus uiteindelijk een diploma die alleen het minimum aan potentie en kennis laat zien, zeker met de nieuwe taal- en rekentoetsen.

De smalte moet uit het onderwijs. Zijn bredere brugklassen of een latere selectie (bij 15 of 16 jaar) daarvoor het antwoord? Wat mij betreft niet: ik opteer al jaren voor een andere oplossing, die Paul Rosemöller ook aanstipt in het artikel als een stapje verder. Het indelen van kinderen in VMBO, HAVO of VWO klassen is niet meer van deze tijd, we moeten hier dus mee stoppen.

Maatwerk! 

Maatwerk start je met een startdocument: waar sta je aan het eind van de basisschool. Heb je een rekendeuk of een talenknobbel. Of andersom. Wat kan je aan. Ben je een vroegbloeier of een laatbloeier. Wat werkt voor jou. Waar heb je extra ondersteuning voor nodig, wat beheers je al. Waarin moeten we afwijken van het curriculum. Heb jij behoefte om te werken volgens het directe instructiemodel of past het probleemgestuurd instructiemodel meer bij jou.

Om je competent te voelen, is het goed dat je vergeleken wordt met jezelf en leert zien waar je nog kan groeien’ (Diana Baas).

Leer de leerling reflecteren op het gemaakte werk, de behaalde doelen en dat het trots kan zijn op behaalde resultaten. Geef kinderen houvast bij het uitvoeren van hun werk en inzicht in de stappen die zij moeten nemen. Stel leervragen die een beroep doen op de mogelijkheden van een kind. Stel hiervoor geen plafond.

Zorg er via een planning voor dat het kind eigenaar blijft van zijn eigen leerproces. Maak de leeromgeving uitdagend, bevorder de nieuwsgierigheid en de kritische vaardigheden. Spreek een kind aan op een niveau dat net buiten het bereik van het kind ligt. Laat de leraar niet diegene zijn die het kind conditioneert, maar die de route naar het zelf gestelde einddoel van het kind bepaalt, het proces daartoe en de omstandigheden daarvoor bewaakt.

Ik zou zelfs nog een stapje verder willen gaan dan het stapje verder van Paul Rosemöller: waarom gaan we niet voor een doorgaande leerlijn voor 4-20 jaar!

Dorien Kok
Voorzitter stichting Omniumscholen
http://Omniumschool.nl

‘Wonderkinderen gezocht’

Maak van het wonderkind geen freakshow

We konden er deze week niet om heen: het nieuws over Laurent Simons. Een amper zes jaar oude jongen die al op weg is naar de middelbare school. Hij slaat niet één klas over, maar bijna de hele basisschool. Conclusie in de media: Laurent is een wonderkind.

Klopt het beeld dat de media en daarmee heel Nederland heeft over dit kind? Moet je dit woord gebruiken voor kinderen? Stel je met deze benadering de misstanden, vooroordelen en weerstand in Nederland aan de kaak rond het thema hoogbegaafdheid, zodat ze opgelost kunnen worden? Of vergroot je alleen maar het idee dat hoogbegaafden freakshows zijn waar je je af en toe over kunt verbazen? Laurent is anders: hij voldoet niet aan de maatstaf die onze op gemiddelden gerichte maatschappij hanteert. Onze maatschappij accepteert het niet als iemand boven het maaiveld uitsteekt en al helemaal niet wanneer de aandacht zelf wordt opgezocht, zoals de vader van Laurent deed.

Kinderen met een IQ van 145 of hoger zijn sterk in de minderheid: ze vormen nog geen 0,1% van de bevolking. De maatschappij is niet voor hen ingericht en is evenmin erg toeschietelijk om ze te helpen wél mee te draaien. Ik werk met deze kinderen en mijn hart huilt voor ze. Ik zie jonge talentvolle kinderen vastlopen, worstelen, verdriet hebben, zich onbegrepen voelen en intussen mogen ze nergens over klagen want hoogbegaafdheid wordt gezien als luxeprobleem. Ze worden (vaak onterecht) met van alles bestickerd en als blijkt dat het aan hun hoogbegaafdheid ligt moeten ze ineens constant bewijzen dat ze slim zijn. Ze worstelen niet alleen tegen het systeem waarin ze niet tot hun recht komen maar ook tegen vooroordelen en weerstand. Het is onverdedigbaar dat kinderen met een laag IQ aan alle kanten worden geholpen, maar kinderen met een hoog IQ zichzelf maar moeten zien te redden.

Een hoogbegaafd kind heeft het nodig om gezien én ondersteund te worden in zijn ontwikkeling en vaak betekent dat inderdaad één of twee jaar versnellen. Ze zijn daarvoor wel afhankelijk van een omgeving (ouders, school en medescholieren) die voor ze die open staat, zonder vooroordelen. Een kind ontwikkelt zich goed in een omgeving van wederzijdse interesses en waarden, van gelijk niveau en gelijke ontwikkeling.

In Thea Beckmans boek over hoogbegaafde kinderen is er ook één die genadeloos vastloopt. Het verhaal vertelt over twee kinderen die zo slim zijn dat ze twee klassen mochten overslaan. De één gaat naar het gymnasium, de ander moet van diens vader een vak leren, zodat hij later aan de slag komt. Met Wijntje, het meisje dat naar het gymnasium mag, gaat het goed. Met Tom gaat het eerst helemaal fout, tot men zich beseft dat ze hem blokkeerden in zijn natuurlijke ontwikkeling.

Laurent is qua leerstof behoorlijk versneld. Verbreden, verdiepen, funderen en vaardigheden leren zijn daarnaast ook aandachtspunten voor een kind die een versnelde ontwikkeling doormaakt. Hij lijkt mazzel te hebben met ouders die de middelen hebben om keuzes te kunnen maken. Ik hoop echter dat het de extreme versnelling, het gebruik van het woord wonderkind en de aandacht in de media hem niet gaat schaden. Ook hoogbegaafde kinderen hebben recht op onderwijs dat aansluit bij hun kunnen.

– Dit opinistuk is geschreven naar aanleiding van de grote, veelal ongenuanceerde aandacht hiervoor in de media, de tevens ongenuanceerde reacties vanuit de maatschappij hierop en de oproep in de Telegraaf ‘Wonderkinderen gezocht’. –

Dorien Kok
http://DorienKok.nl

Instemmingsrecht ouders voor zorg op school.

UPDATE 25 november 2016 en 7 februari 2017 staan onderaan.

Oktober 2016. Als ouder hoop je serieus genomen te worden op de school van je kind en ga je er van uit dat men er zich van bewust is dat je als ouder kennis hebt over hoe jouw kind in elkaar zit en wat diens behoeften en noden zijn. Je wilt daarbij het beste onderwijs voor je kind.

Soms heeft een kind extra ondersteuning nodig, is het een zo geheten ‘zorgleerling’. School stelt dan een document op, een onderwijsperspectief/OPP, waarin staat welke onderwijsdoelen een kind kan halen en wat een kind kan leren op school. Wat is haalbaar op school, wat zijn de toekomstverwachtingen voor de arbeidsmarkt en kan het kind hier goed op worden voorbereid. Ouders willen hier natuurlijk over meepraten.

Ten aanzien van zorg in de school is er  veel veranderd na de afschaffing van het zogeheten ‘rugzakje’ en de komst van Passend onderwijs. Spraken we in de tijd van de rugzakregeling nog over een handelingsplan, nu hebben we het over uitstroomperspectief (wat gaat een kind in de toekomst na school doen) en een handelingsdeel (welke ondersteuning biedt een school). Met de afschaffing van de rugzakregeling verdween ook het instemmingsrecht van de ouders op het handelingsgedeelte. Deze werd vervangen door ‘op overeenstemming gericht overleg’, wat staat voor er wel over praten maar geen instemmingsrecht.

Dat het instemmingsrecht van de ouders verdwenen is is natuurlijk niet goed. Dat besefte kamerlid Loes Ypma zich enkele jaren geleden ook. Ouders moeten natuurlijk als volwaardige gesprekspartner kunnen meedenken over de zorg en ondersteuning van hun kinderen op school. Het is dus volledig logisch dat het handelingsdeel (ondersteuning en zorg van het kind) van het ontwikkelingsperspectief na overeenstemming met ouders wordt vastgesteld. Dit resulteerde in een motie (11 april 2013), gesteund door Michel Rog (CDA) en Paul van Meenen (D66), die nu pas uitvoering krijgt in de regering.

Op 12 oktober 2016 is het door Staatsecretaris Sander Dekker (Onderwijs) geleverde wetsvoorstel ‘Ouders moeten hun instemming kunnen geven aan de zogeheten ontwikkelingsperspectief van hun kind’ besproken in de Tweede kamer. De staatsecretaris heeft geen bezwaar tegen de wet.

Het is goed voor een kind als ouders en school positief contact hebben. Zowel voor op school als thuis. Door te praten vanuit een situatie van gelijkwaardigheid in de samenwerking tussen ouders en school is de kans op het vinden van oplossingen natuurlijk veel groter. Dit wetsvoorstel doet ook recht aan de betrokkenheid die ouders hadden in de tijd van het ‘rugzakje’. Daarmee wordt ook de positie van de ouders versterkt.

Klinkt als een wetsvoorstel dat zonder tegenstand aangenomen gaat worden. Het gaat immers over het belang van het kind en in het verleden was dit recht er. Helaas is dit niet zo. Sommige politieke fracties, ook die van de staatsecretaris zelf, zien juist nadelen:

Straus (VVD) en Bisschop (SGP) vragen zich af of dit wetsvoorstel wel nodig is, omdat zij geen signalen krijgen over dat er problemen zijn. Volgens Bruins (Christenunie) ligt het probleem in dat het op overeenstemming gericht overleg niet werkt. Hij waarschuwt ook dat er bijkomende administratieve lasten zijn, die hij niet ten laste van de scholen wil laten zijn. Beertema (PVV) denkt dat het instemmingsrecht de autonomie van de leerkracht aantast. Siderius (SP) ziet extra kosten en wil niet dat de scholen daar voor opdraaien.

De kamer stemt op 25 oktober 2016 over het wetsvoorstel en de moties. Zaak is nu dat ouders aan de fracties én de onderwijsraden, die ook negatief aankijken tegen het wetsvoorstel, laten weten dat het wetsvoorstel aangenomen MOET worden. Dat de voordelen van instemmingsrecht ver boven de hierboven benoemde nadelen uitstijgen. Dat zaken als kosten en administratieve lasten GEEN voorrang moeten krijgen op de rechten van kinderen. Dat deze wet gelijke rechten geeft als in de tijd van een ‘rugzakje’ en dat een ongelijke machtsverhouding niet in het belang van het kind is. Maar vooral ook om een signaal af te geven dat er in het onderwijs echt sprake van problemen is, dat het in de praktijk een feit is dat je als ouders – als kindexperts – niet als volwaardige gesprekspartner mee mag (of mocht) denken over de zorg en ondersteuning van je kind op school, wat negatieve effecten had of heeft voor je kind.

Petitie ‘Ouders beslissen samen met de leraren over zorg op school’

Update 25 november 2016: de motie is aangenomen in de Tweede kamer. Nu moet de Eerste kamer er nog over beslissen.

20161025-stemmingsuitslag-l-ypma-instemmingsrecht

Update 7 februari 2017:  Het wetsvoorstel dat bepaald dat ‘het handelingsdeel (specifieke maatregelen om de leerling op maat ondersteuning te bieden) van het ontwikkelingsperspectief (een document dat school moet vaststellen voor elke leerling die extra ondersteuning nodig heeft) pas kan worden vastgesteld nadat de school daarover met de ouders overeenstemming heeft bereikt’ is aangenomen in de Eerste kamer.

Met dit wetsvoorstel wordt de positie van alle ouders – ook van de ouders die soms minder gehoord worden – op dezelfde manier geregeld.
Bedankt Eerste kamer en in de Tweede kamer SP, PvdD, PvdA, GroenLinks, D66, 50PLUS, Klein, Groep Kuzu/Öztürk, Houwers, ChristenUnie en het CDA.

Dorien Kok
http://DorienKok.nl

Met dank aan Wanda Glebbeek.

Op weg naar maatwerk in het onderwijs.

schoolIn een paar dagen tijd in februari 2016 veel onderwijs in het nieuws.

De NCRV uitzending van De Monitor: ‘Gebruik ADHD-medicatie in 10 jaar tijd verviervoudigd: hoe kan dit?’

2 dagen later in KRO’s Brandpunt: ‘Basisschoolleerlingen krijgen deze week hun schooladvies; het toegangsbewijs tot een middelbare school. Hoe komt het studieadvies echt tot stand?’

De dag erna meldt de staatsecretaris Sander Dekker via de NOS: ‘Scholier mag beste vak op hoger niveau gaan doen.’

NCRV De Monitor
De uitzending van De Monitor geeft een helder beeld over de druk van scholen die ouders voelen om hun kind medicatie te geven. Als een druk kind onhandelbaar wordt in de klas, worden ouders al snel gevraagd hun kind te laten testen op ADHD of wordt er zelfs druk uitgeoefend om medicatie te nemen. Docenten lieten op hun beurt weten dat zij zich onder druk voelen gezet omdat ze vanwege de hoge werkdruk minder tijd hebben voor drukke kinderen. Niet alleen ouders en docenten, ook jeugdpsychiaters voelen zich onder druk gezet. Ze kunnen soms niet anders dan een pil voorschrijven omdat andere behandelingen niet vergoed worden en ze de kinderen toch willen helpen.

De maatschappelijke druk is duidelijk voelbaar. Het inzicht van scholen op hun eigen verantwoording en het spiegelen van het eigen aandeel in de problematiek van het kind niet. Het probleem wordt bij het kind gelegd. Waarom kijken we niet verder dan het gedrag? Wat is de rol van ons systeem in de kindproblematiek en welk effect heeft onderwijs op het kind als het geen maatwerk is?

KRO Brandpunt
Het schooladviesverhaal: In Nederland worden leerlingen met elkaar vergeleken, in hokjes geplaatst. Voortgezet onderwijs (VO) scholen gebruiken dit voor hun toelatingsbeleid. Jij ben zwak, jij bent sterk. Maximaal 20% van de kinderen gaat naar VWO, 30% naar HAVO en de rest naar VMBO. Dat is al jaren een vast gegeven.

Volgens het nieuwe systeem worden alle leerlingen die nu in de brugklas zitten geplaatst op het adviesniveau van de basisschool (PO). Het VO heeft daar op papier totaal geen invloed meer op. In de praktijk blijkt dat VO scholen proberen het schooladvies te omzeilen (Bron: VOSABB).

Pedagogisch gezien is dit een slecht systeem, kinderen krijgen al jong te horen dat ze zwak zijn. Die toegewezen handicap nemen ze de rest van hun leven mee. Het systeem vloekt ook met de talentbenadering, die wel wenselijk is. Minimum doelen stellen en kijken of het kind dit haalt is een beter startpunt. Maatwerk dus.

Cito geeft zelf trouwens aan dat hun toetsen niet bedoeld zijn voor schooladvies en dat kinderen niet als zwak beoordeeld worden, maar als ‘relatief’ zwak.

Zorgelijk
Deze 2 uitzendingen: zorgelijk. Echter, eigenlijk geen nieuws – dit is namelijk al lang bekend. Het roept wel de vraag op: wie gaat hier nu eindelijk op ingrijpen? Wie gaat er staan voor deze kinderen en zorgt er voor dat deze praktijken stoppen?

NOS artikel
In het NOS artikel duidt staatsecretaris Sander Dekker dat scholen meer maatwerk moeten gaan leveren. Losse vakken op een hoger niveau volgen kan nu al wel, maar volgens Dekker gebeurt het nog veel te weinig.

Scholieren mogen het vak waar ze het beste in zijn (maximaal één vak dus), op een hoger niveau volgen. Staatssecretaris Dekker vindt dat niet elk kind precies in het vakje vmbo, havo of vwo past. Mooi dat hij dat ook ziet. Als een VMBO-leerling bijvoorbeeld goed is in talen, mag hij of zij Engels ook op HAVO-niveau volgen. Op het diploma moet straks ook te zien zijn wanneer een leerling een vak op een hoger niveau heeft gevolgd.

Echter, andersom geldt het niet: een scholier mag het slechtste vak niet op een lager niveau volgen. “Als je dat zou invoeren, heb je ook niet meer het recht om een vervolgopleiding te doen. De waarde van een diploma is een groot goed en dat moeten we vasthouden”, vindt de staatssecretaris. Een meerderheid in de Tweede Kamer was daar wel voor.

Maatwerkonderwijs
Maatwerkonderwijs is een term die ik al geruime tijd gebruik in mijn ambitie om het Nederlandse onderwijs voor kinderen zo te maken dat er ‘geen kind meer tussen wal en schip valt’ (een term uit het Passend onderwijs beleid), waarbij we het onderwijs inrichten op de talenten van kinderen en hun eigen leerbehoeften en leertempo. In Nederland is er geen sprake van maatwerkonderwijs. Voor mij aanleiding om bezig te zijn met de opstart van een eigen school. Ik wil laten zien dat het anders moet én kan.

Maatwerkonderwijs leidt naar mijn mening op naar vermogen van het kind. Er zijn kinderen met bijvoorbeeld een rekendeuk of talenknobbel. Het kind past dan niet perfect in een van de onderwijsstromen, op sommige gebieden is er sprake van een niveauverschil. Een kind krijgt hiermee een diploma die alleen het minimum aan potentie en kennis laat zien. Het kind wordt in het Voortgezet onderwijs ingedeeld op zijn of haar zwakste punt.

Maatwerkonderwijs betekent op alle gebieden je hoogste niveau kunnen aantonen en halen, zonder dat het systeem of zelf de wet je ontwikkeling remt of hindert.

Ik wil dus veel verder gaan dan het nieuwe aanbod voor een maatwerkdiploma. Ik sta hierin niet alleen. Waarom is het onderwijs voor kinderen in een primair en voortgezet deel gescheiden, met bij dat laatste ook het VWO, HAVO en VMBO? Waarom zijn de PO-raad en VO-raad samen niet één raad? Waarom is er geen individueel maatwerkonderwijsplan voor ieder kind? Waarom delen we kinderen in op leeftijd in plaats van per vak op niveau? Het zou toch zelfs mogelijk moeten zijn om op onderdelen over te stappen naar het VO, terwijl andere vakken nog op PO worden gevolgd. Op- en doorstroom, niet alleen bij de kinderen waarvan het wel zeker is dat ze het aankunnen, maar vooral bij de laatbloeiers of de wat ongeïnteresseerde pubers die later beginnen met echt werken.

Leren is grenzeloos. Het huidige onderwijssysteem staat echter vol met muren, is ook niet gericht op wat het om hoort te draaien: het kind.

Vragen aan de staatssecretaris
Staatsecretaris Sander Dekker zei, in antwoord op mijn vraag over knelpunten in het huidige onderwijs aan hem: ‘het is mooi om de onderwijsvoortgang aan te passen aan de leerlingen en ik ben ook voorstander van gepersonaliseerd leren. Dit dient echter wel vorm te krijgen binnen de kaders van de wet.’

Mijn vervolgvraag aan hem is nu: waaróm kunnen we de waarde van bijvoorbeeld een diploma niet veranderen, het maatwerkonderwijs vraagt hierom en: zijn wij er voor die wet of hoort die er voor ons te zijn? Weg met die muren en grenzen! Waar is men bang voor, dat alle kinderen toptalenten blijken te zijn en gaan excelleren? Lijkt me toch een mooi einddoel! 😉

Dorien Kok
http://DorienKok.nl

Reportage De Monitor 14 februari 2016
http://www.npo.nl/de-monitor/14-02-2016/KN_1676826

Reportage Brandpunt 16 februari 2016
http://brandpunt.kro.nl/seizoenen/2015/afleveringen/16-02-2016/fragmenten/de-selectiefabriek

NOS artikel ‘Scholier mag beste vak op hoger niveau gaan doen’ 17 februari 2016
http://nos.nl/artikel/2087381-scholier-mag-beste-vak-op-hoger-niveau-gaan-doen.html

 

 

Hoogbegaafden kunnen goed leren. Toch?

Labyrint Een hoogbegaafde leerling kun je herkennen aan de A en A+ scores of negens en tienen. Huiswerk hoeft niet voor een hoogbegaafd kind, ze onthouden alles altijd meteen. Bij hoogbegaafde kinderen lukt altijd alles, falen doen ze niet. Als er geen hoge leerresultaten niet gehaald worden is het kind niet hoogbegaafd. Toch?

Deze opvattingen heersen. Helaas.

Dat hoogbegaafden goed kunnen leren is een vooroordeel. Dat ze niet hoeven te leren of geen hulp nodig hebben ook. Vooroordelen die je niet alleen op scholen hoort , maar ook bij ouders en in de maatschappij. Twijfel of de IQ test achteraf wel klopt – misschien is er wel per ongeluk hoog gescoord. Als hoogbegaafd kind ga je ook knap aan jezelf twijfelen als je bovengenoemde vooroordelen hoort.

De termen hoogbegaafd en leerproblemen worden als tegenstellingen gezien.

Het is echter niet vanzelfsprekend dat een hoogbegaafde leerling goed kan leren. Ook hoogbegaafde kinderen kunnen leerproblemen hebben.

Deze verkeerde opvattingen zorgen voor 2 risico’s: deze kinderen worden niet opgemerkt (als hoogbegaafd) en ze krijgen niet het aanbod of de hulp die ze nodig hebben. Dit ontneemt ze de kans om hun potentieel – wat hoogbegaafdheid eigenlijk inhoudt – te ontwikkelen.

Hoogbegaafden zijn geen kopieerapparaten die foutloos kennis kopiëren en reproduceren. Zij nemen informatie op en gaan er creatief in hun hoofd mee aan de slag. Zoeken verbinding met wat ze al weten, draaien het rond als ware het een dobbelsteen die je van 6 kanten kunt bekijken en laten hun gevoel er op los.

Als je als leerkracht onderwijs via een logische opbouw en in stappen insteekt kan deze denkwijze conflicteren. Ook kan het er voor zorgen dat leerlingen niet geïnteresseerd zijn in het aanbod op school, omdat het ze geen ruimte geeft voor hun manier van denken. Antwoorden die je als leerkracht als fout ziet kunnen wel kloppen met hun manier van denken. Wees je je als leerkracht hier van bewust.

Deze kinderen investeren graag hun tijd, energie en creativiteit in school als ze daar de ruimte voor krijgen. In school kan het startpunt dat hoogbegaafde leerlingen goed kunnen leren kan daarbij knap in de weg staan.

Welke leerlingen hebben we het over:

  • Niet opgemerkte leerlingen: de hoog scorende leerlingen die hun leerproblemen lange tijd kunnen maskeren met hun slimheid, waardoor de problemen niet echt zichtbaar zijn.

Deze leerlingen scoren vaker hoog op de IQ test of in cijfers, maar lijken de testscores in de loop der tijd niet meer waar te maken. In deze groep zitten ook de kinderen wiens testscores niet in balans zijn. Er zitten tegenstellingen in hun ontwikkeling, verbaal zijn ze bijvoorbeeld sterk – ze vallen echter vaker uit op spelling en schrijfvaardigheid. Automatiseren en planning zijn ook gebieden waar ze op uitvallen. Ze lijken slordig te werken en ongeorganiseerd te zijn. Hoe verder je komt in jaren, hoe moeilijker ze het krijgen – mede door de steeds hogere eisen die gesteld worden. Ze redden het dus niet meer op hun slimheid. De gedachte, bij school, ouders maar soms ook de leerlingen zelf, is dat dit zich wel oplost als ze zich maar beter inzetten en harder werken. Ze moeten zich dus bewijzen.

Deze kinderen zijn absoluut expert op hun interessegebied, vallen echter uit op schoolse zaken. In het voortgezet onderwijs zie je ze vaak afzakken in niveau.

Het komt door de hoogbegaafdheid en het hiermee kunnen maskeren van de problemen in niemand op om anders naar de problemen te kijken en deze kinderen als ondersteuningsbehoeftig te zien. Het gebrek aan expertise in de scholen op het gebied van de combinatie van hoogbegaafdheid en leerproblemen speelt hier ook een belangrijke rol in. Deze leerlingen hebben baat bij een visueel-ruimtelijk leeraanbod en hulp bij het organiseren en plannen.

  • Hoogbegaafde kinderen die niet gezien worden omdat hun grote leerproblemen hun hoogbegaafdheid bedekken.

Bij deze kinderen wordt niet aan hoogbegaafdheid gedacht omdat de leerproblemen zeer groot zijn. Alleen dat laatste trekt aandacht. Ook bij hun is er de behoefde aan een programma dat aangepast is aan hun begaafdheid, echter hun leeropbrengsten geven hiervoor geen aanwijzingen. Hun geluk ligt in een leerkracht die hun talenten wel signaleert en daarop anticipeert, of ze moeten een speciaal talent hebben die los staat van leerproblemen. Deze hoogbegaafden vinden helaas vaak pas als ze volwassen zijn de antwoorden over zichzelf.

  • Onsuccesvolle hoogbegaafde kinderen wiens leerproblemen gezien worden

Emotie speelt een grote rol bij deze kinderen, een negatief zelfbeeld en faalangst liggen op de loer. Worden deze gevoelige kinderen wel gezien dan draait alles om de leerproblemen of vaker bijkomende afwijkende gedragingen (teruggetrokken of juist opvallend aanwezig), die wil men eerst oplossen of diagnostiseren – wat nog belemmerd wordt doordat ze vermijdend gedrag vertonen voor schoolwerk. Aandacht voor de talenten moet de basis zijn voor de aanpak, is er echter vaak niet. Thuis, waar schoolvaardigheden geen rol spelen is hun talent en zijn hun passies vaak wel zichtbaar. Hun potentie wordt echter niet vertaald naar schoolresultaten.

  • Hoogbegaafde kinderen met leerproblemen door motivatieproblemen ten gevolge van een verkeerd aanbod

Deze kinderen zien het nut van school niet in. Het schoolaanbod sluit niet aan bij hun behoeftes. Ze hebben een ander level van denken dan de omgeving, zijn ook slimmer dan die omgeving. Hebben vaker een succesvol leven naast school, investeren veel in hun talentgebied. Nadruk van ouders en school ligt vaak op schoolopbrengsten, waardoor er risico is bij de volwassenen voor het geen oog of ruimte hebben voor de buitenschoolse talentgerichte activiteiten. Dit zijn potentiële drop-outs, die door het oplopen van een achterstand leerproblemen krijgen.

Buiten de factoren op de basisschool niet geleerd hebben hoe te leren omdat men daar niet aan dacht of omdat dit ‘niet nodig was’ en een niet passend aanbod krijgen speelt ook een tekort aan expertise over hoe een hoogbegaafde leert een grote rol. Ook kan het zijn dat een kind hoogbegaafd is op een deelgebied, niet op alles of niet op schoolse zaken. Liggen de verwachtingen niet te hoog. Hoe is het met de motivatie gesteld. Is school wel net zo belangrijk voor het kind als voor de omgeving, ligt de motivatie misschien buiten de school en doen cijfers er voor hem of haar misschien niet toe. Zijn de kinderen sociaal en emotioneel wel in balans. Wordt er wel met de leerlingen zelf gecommuniceerd, of alleen over ze heen.

Dit zijn allemaal kinderen met een hoog potentieel, die uitvallen omdat ze niet gezien worden en niet de begeleiding krijgen die ze nodig hebben. Dit komt zoals gezegd omdat we hoogbegaafdheid niet associëren met leerproblemen en expertise over de combinatie hoogbegaafd en leerproblemen te weinig voorhanden is in scholen. De aanpak is of alleen gericht op het ‘hoogbegaafdheid en alles kunnen principe’ of de reguliere aanpak van leerproblemen.

Startpunt moet zijn hun expressiestijl (Renzulli), denkprofiel (Sternberg), hun intelligenties (Gardner) en persoonlijkheidskenmerken. Deze kun je onderzoeken. De vraag is daarna: wat heeft deze leerling op dit moment nodig om tegemoet te komen aan zijn of haar behoeften op cognitief, sociaal en emotioneel gebied. Belemmerende factoren zijn hierin aandachtspunten, stimulerende factoren aanknopingspunten. Dus school en ouders moeten samen met de leerling aan de slag. Belangrijk hierbij is dat men zich onbevooroordeeld opstelt. Daarbij geen mooie woorden maar creatieve oplossingen. Dit zorgt er voor dat ze zich optimaal kunnen ontwikkelen.

Dorien Kok
http://DorienKok.nl

Flipping the schools: meer ruimte voor vernieuwend onderwijs. #MRvVO

MRvNS
Iedereen in het onderwijs kent wel de afkorting MRvNS: Meer ruimte voor nieuwe scholen: naar een moderne interpretatie van artikel 23.*

Staatssecretaris Sander Dekker vraagt hiermee aandacht voor de hedendaagse problematiek rond het starten van een school in ons land. “Het is in Nederland enorm ingewikkeld om een nieuwe school te beginnen. Zeker wanneer deze school niet behoort tot een traditionele geloofsovertuiging. Hierdoor is er weinig ruimte voor vernieuwend en innovatief onderwijsaanbod. Bij het beoordelen van een nieuw schoolinitiatief kijken wij nu vooral naar geloofsovertuiging en aantallen leerlingen.”

Dit is iets wat ik met mijn vernieuwingsschool Omniumschool letterlijk ondervind. Lees dit hier.

MRvVO
Niet alleen de voorwaarden om een nieuwe school te starten zijn aan vernieuwing toe. Vernieuwing in het onderwijs zelf, in de scholen dus, behoeft ruimte: MRvVO, oftewel: Meer ruimte voor vernieuwend onderwijs.

INVULLING ONDERWIJS
Wat goed onderwijs is kun je niet in één definitie zeggen. De kracht van goed onderwijs ligt in de diversiteit.

In landen als Frankrijk bepaalt de overheid het onderwijs. Gelukkig is dit in Nederland niet zo. De overheid speelt wel een grote rol in het Nederlandse onderwijs, vanuit de gedachte dat er meer onderwijskwaliteit is als je eenduidige normen stelt. Normen die afgestemd worden met organen die de onderwijssector vertegenwoordigen, zoals besturen, raden en koepels. De onderwijsinspectie controleert in opdracht van de overheid of scholen zich aan deze afspraken houden. Een andere rol ligt in de educatieve uitgeverijen, die ook zeer bepalend zijn voor de invulling van het onderwijs in Nederland.

TOEZICHT
Er is in Nederland sprake van een toegenomen toezichtlast voor scholen, ook voor de Onderwijsinspectie zelf. Basisscholen geven aan door de regeldruk “nauwelijks nog aan lesgeven toe te komen”. De ondoorgrondelijke wegen van de Inspectie om tot een oordeel over de kwaliteit van een school te komen hindert niet alleen de scholen, maar ook de inspectie zelf. Een blokkade voor onderwijsverbetering en voor onderwijsvernieuwing. Te weinig mogelijkheid en ruimte voor leraren om hier aan te werken, terwijl zij cruciaal zijn voor de kwaliteit van onderwijs. Het huidige systeem wurgt zichzelf dus ten aanzien van onderwijsvernieuwing.

ONDERWIJSVERNIEUWING
De onderwijsvernieuwing die in Nederland plaatsvindt is weinig terug te vinden in bestaande schoolbesturen, wat lijkt te werken wijzig je immers niet. Conformisme, functioneren binnen de strakke normen en regels, want daar zijn die besturen aan gewend. Niet echt een startpunt voor onderwijsvernieuwing.

Het zijn de kleine nieuwe initiatieven die het voortouw nemen in Nederland richting onderwijsvernieuwing. Vaak zijn dit niet overheidsgefinancierde scholen, uit eigen keuze of omdat ze niet aan de startvoorwaarden van de overheid kunnen of willen voldoen ten aanzien van richting of onderzoek naar aantallen leerlingen – een onderzoek dat volgens de staatsecretaris zelf 20.000-30.000 Euro kost. Je moet dat laatste maar net hebben!

FINANCIERING
Niet-overheidsgefinancierd betekent dat je de kosten voor het onderwijs en daarmee ook voor de vernieuwing op het bord van de ouders legt. In Nederland lopen die kosten op van een paar duizend Euro tot bedragen boven de 20 duizend Euro per kind per schooljaar.

Ouders kiezen voor deze vorm van onderwijs omdat ze hun kind niet willen laten onderwijzen in een systeem van strakke normen en regels, behoudend onderwijs of omdat hun kind uitvalt in het reguliere systeem. Probleem is dan vaak het kostenplaatje, iets waar ik nu zelf voor de Omniumschool ook tegen aan loop.

ONDERWIJSVERNIEUWERS
De onderwijsvernieuwers in de niet-gefinancierde scholen (B3) worden gehinderd de kwaliteit te leveren die ze willen leveren, omdat ze het met minder financiële middelen moeten doen. Je kunt niet die leerkrachten betalen die je zou willen hebben, hetzelfde geldt voor de onderwijsmiddelen. Toch lukt het ze om te vernieuwen.

Aan de andere kant heb je overheidsgefinancierde scholen die niet aan onderwijsvernieuwing toekomen door het systeem van strakke normen en regels. Terwijl ze dat wel graag willen.

INSPECTIEKADERS
In Nederland kennen we 2 inspectiekaders, de reguliere – voor scholen die overheidsgefinancierd zijn en het B3 kader, voor scholen die door ouders gefinancierd worden. Het B3 kader kent maar 9 kwaliteitsaspecten, wat ruimte geeft voor innovatie.

B3 KADER
Kwaliteitsaspecten voor toetsing**:
1 – Bereidt het leerstofaanbod de leerlingen voor op het vervolgonderwijs?
2 – Krijgen de leerlingen voldoende tijd zich het leerstofaanbod eigen te maken?
3-4 – Leidt het pedagogisch handelen van de leraren/het schoolklimaat tot een leeromgeving die volgens maatschappelijk breed gedragen uitgangspunten veilig en motiverend is?
5 – Ondersteunt het didactisch handelen van de leraren het leren van de leerlingen?
6 – Wordt de voortgang in de ontwikkeling van leerlingen gevolgd?
7 – Krijgen leerlingen met specifieke onderwijsbehoeften passende zorg en begeleiding?
8 – Liggen de resultaten van de leerlingen ten minste op het niveau dat mag worden verwacht?
9 – Zorgt de school voor het behoud of verbetering van de kwaliteit van haar onderwijs?

PILOT
Het verhaal rond MRvNS lijkt heel technisch te worden. De kans op nog strakkere normen en regels ligt op de loer.

Zullen we het gewoon simpel houden:

Een pilot per schooljaar 2016-2017, voor B3 scholen en overheidsgefinancierde scholen samen: de één krijgt meer ruimte door overheidsfinanciering, de ander door de compactere 9 kwaliteitsaspecten voor toetsing. Eens kijken of dat tot een evolutie in het Nederlands onderwijs kan leiden. In basis gaat de overheid al uit van financiering voor alle kinderen. Bijkomend voordeel: er hoeft niet gesleuteld te worden aan de richtingen.

Dorien Kok

*Meer ruimte voor nieuwe scholen: naar een moderne interpretatie van artikel 23 een onderwijs
https://www.rijksoverheid.nl/documenten/kamerstukken/2015/07/02/kamerbrief-meer-ruimte-voor-nieuwe-scholen-naar-een-moderne-interpretatie-van-artikel-23

**Toezichtkader niet bekostigd primair onderwijs http://www.onderwijsinspectie.nl/binaries/content/assets/publicaties/2008/toezichtkader-niet-bekostigd-primair-onderwijs.pdf

Vragen aan de staatssecretaris

Welkom thuiszitters, we tellenLeerrecht voor alle kinderen in Nederland.

Dat is waar het om draaide op 1 oktober 2015. In Den Haag werden op die dag thuiszitters geteld. Thuiszitters? Ja, thuiszitters!

Thuiszitters zijn kinderen die op een school staan ingeschreven en (tijdelijk) thuis komen te zitten. Vaak gaat het hier om kinderen met specifieke onderwijsbehoeften op medisch, sociaal, intellectueel of emotioneel gebied. Het doel van de meeste ouders en kinderen in deze categorie is terugkeer naar school. Deze kinderen hebben geen vrijstelling van de leerplicht.

Voor ruim 16.000 kinderen is het zo dat ze geen onderwijs krijgen maar juist leerachterstanden oplopen omdat ze om bovengenoemde redenen niet naar school gaan en dus geen onderwijs krijgen – laat staan onderwijs dat past. Sommige kinderen zitten al jaren thuis. De oorzaak ligt in het vlak van specifieke onderwijsbehoeften waaraan scholen niet kunnen voldoen. Het startpunt ligt daarbij niet alleen in het kind, maar absoluut ook in de scholen zelf. Veel scholen willen of kunnen geen onderwijs bieden dat is aangepast aan individuele leerlingen. Ook Passend onderwijs heeft hier geen verandering in bewerkstelligd. Het is de taak van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap om hier een einde aan te maken. Zowel ouders als scholen moeten beter voorgelicht worden over wat de mogelijkheden zijn en weten dat je het onderwijs aan mag passen aan de behoeftes van individuele kinderen. Hier leest u meer over thuiszitters.

Meer informatie over de manifestatie van 1 oktober 2015: http://ThuiszittersTellen.nl.

Programma

Programma manifestatie

Welkom uitgesproken door Juliëtte Mutsaers, lid oudercomité ThuiszittersTellen met rechts Katinka Slump.

Welkom uitgesproken door Juliëtte Mutsaers, lid oudercomité ThuiszittersTellen met rechts Katinka Slump.

Klik op het programma om deze te vergroten.

Deze dag heeft Katinka Slump, jurist en voorvechter voor onderwijsrecht, staatsecretaris Sander Dekker enkele vragen gesteld. Zijn antwoorden kunt u op een later moment via een verslag hier lezen. Rafael – thuiszitter – las zijn hartverscheurend gedicht aan de staatsecretaris voor.

Aanwezig op deze dag: ouders en ervaringsdeskundigen, de thuiszittende kinderen zelf, Loes Ypma (PvdA), Paul van Meenen (D’66), Tjitske Siderius (SP), Emile Roemer (SP), Karin Straus (VVD), Michel Rog (CDA), Rich van den Berg (directeur SWV Primair Passend Onderwijs), Carmen Heijligers (Landelijk Aktie Komitee Scholieren). Arnold Jonk Hoofdinspecteur Primair en Speciaal onderwijs en Floor Wijnands Inspecteur van het onderwijs/teamleider toezicht samenwerkingsverbanden passend onderwijs, waren ook aanwezig en zijn in gesprek gegaan met thuiszitters en hun ouders. Ook was er een afgevaardigde van Ouders & Onderwijs aanwezig. Paul Rosenmöler, bestuursvoorzitter van de VO-Raad, was helaas verhinderd.

Interview van de staatssecretaris Sander Dekker door Katinka Slump

Staatsecretaris Onderwijs Sander Dekker en Katinka Slump

Staatsecretaris Onderwijs Sander Dekker en Katinka Slump

1.  Op 25 november 2013, vond de afsluitende conferentie plaats van de Ecpo (Expertcommissie passend onderwijs). De voorzitter gaf aan dat ouders niet betrokken waren en docenten onvoldoende voorbereid. Het licht stond op oranje. Er werd gevreesd dat er ook na invoering van de Wet passend onderwijs nog steeds slachtoffers zouden vallen. Uit de zaal kwam de vraag aan u over een vangnet.

Een jaar na de invoering van passend onderwijs constateren we dat het passend onderwijs ons niet heeft gebracht wat we hadden gehoopt. U stelt uw doelstelling bij. Eerst was het: op 1 augustus 2014 alle leerlingen een plek. Nu wordt het: in 2020 geen kind langer dan 3 maanden thuis (AO 30/6, p.23)

Nu de vrees van toen waarheid is geworden, wat is uw vangnet voor de kinderen die nu nog steeds buiten de boot vallen? 

2.  Er komen meer aparte regelingen. Niet alleen wordt er een landelijke regeling opengesteld voor financiering van het onderwijs voor kinderen met een Ernstige Meervoudige Beperking (EMB) (AO 30/6, p.31), maar ook speciale regelingen voor kinderen die uit detentie komen of hier naar toe zijn gevlucht en zo snel mogelijk naar school moeten. Op 30 juni jl. zegt u in de kamer over deze bijkomende ontwikkelingen: “Wij hebben de vorige keer al gezegd dat de inwerkingtreding van de Wet passend onderwijs niet de afronding is, maar het begin.” (AO 30/6, p. 19).

Ik begrijp u niet. We hebben zeven jaar lang geïnvesteerd in de voorbereidingen van deze wet, hoezo is de wet het begin en niet het resultaat van dat proces?

Als jurist vraag ik u dan ook: “Hebben we nu een wet of niet?”

3.  U heeft gezegd: “In het eerste jaar is het misschien nog even wennen voor scholen, maar ik word minder tolerant naarmate de tijd vordert. De wet is hierover heel duidelijk. Als scholen daarin niet hun verantwoordelijkheid nemen hebben ze echt een groot probleem.” (AO 30/6, p.36)

Als ouders de Leerplichtwet overtreden volgt er direct straf, u bent daar heel duidelijk in. Daar geldt geen inlooptijd, met tot gevolg zo’n 11.000 strafzaken per jaar.

Welke straf krijgen de schoolbesturen in het tweede jaar passend onderwijs als zij de zorgplicht niet naleven, dus vanaf nu?

4.  U heeft toegezegd dat u de mogelijkheid van ouders om een school op te richten wilt verruimen. Daartegenover staat dat u de mogelijkheid op grond van artikel 5b Lpw, vrijstelling om thuisonderwijs te geven, wilt afschaffen. Ook als u de mogelijkheden om een school op te richten verruimt zal het voor ouders praktisch onmogelijk zijn om tijdig een nieuwe school op te richten voor hun kind. Het oprichten van scholen door ouders is een papieren mogelijkheid geworden.

Ik zie uw beleid dan ook als een verdere beperking van de rechten van ouders waar het gaat om de vrijheid van schoolkeuze in het kader van hun recht op opvoeding (artikel 2 EP EVRM).

Bent u het eens met mijn conclusie?

5.  Er zijn vele, vele kinderen die thuisonderwijs of afstandsonderwijs volgen. Soms omdat er geen school is die hen wil hebben. Soms zelfs met uw uitdrukkelijke instemming, zie de Miep Ziek contracten. Er zijn kinderen die thuis bijles krijgen van hun ouders of door een huisonderwijzer worden bijgespijkerd omdat er sprake is van onderwijsachterstanden. Al deze vormen van thuisonderwijs worden soms betaald door een school, soms door ouders.

Waarom al die pijlen gericht op die 450 kinderen met een vrijstelling onder 5b (geloofsovertuiging) terwijl thuisonderwijs niet meer is weg te denken binnen ons onderwijsstelsel?

6. U weet net als ik dat homeschooling zeer succesvol is in het buitenland. Ouders die er voor kiezen worden beloond met voorrang aan de beste universiteiten in Amerika. U blijft kiezen voor een schoolplicht voor alle kinderen omdat dat zou bijdragen aan hun sociale ontwikkeling. Kinderen die thuisonderwijs krijgen zouden in hun sociale ontwikkeling worden belemmerd. De stelling van u is nooit bewezen. Integendeel. Het blijkt dat juist scholen veel schade aanrichten aan een kind en dat de thuissituatie, wegens bijzondere omstandigheden, voor sommige kinderen een noodzakelijk rustpunt is.

Vanwaar uw angst voor thuisonderwijs?

7.  Op 30 juni jl. zegt u in de Tweede Kamer:
–  “Ik vind het nogal ingewikkeld om het geld voor maatwerkbudgetten bij de school weg te halen en direct aan ouders te geven dan wel in te zetten voor het particulier onderwijs.”

–  “Aan de ene kant geef je de scholen in het stelsel van passend onderwijs en in de samenwerkingsverbanden een manier om het erg makkelijk van zich af te organiseren.” (AO 30/6, p.24 en 25)

–  “Als je scholen de mogelijkheid geeft om die kinderen met een zakje geld naar een andere onderwijsinstelling te brengen wordt het scholen wel gemakkelijker gemaakt om tegen het te zeggen: ga met dat geld naar het particulier onderwijs.” (AO 30/6, p.27)

Als ik deze reactie van u lees dan krijg ik een unheimisch gevoel. Laten wij de kinderen bungelen omdat we de schoolbesturen moeten opvoeden? Wat blijft er nog over van de opdracht aan de overheid, het onderwijs als aanhoudende zorg van de regering (artikel 23 Grondwet)? Is het niet de taak van de overheid om ouders in staat te stellen om hun kinderen op te voeden? (EVRM en Kinderrechtenverdrag)

Krijgen de kinderen die thuiszitten van u geen onderwijsaanbod omdat dit past in uw beleid om de Zwarte Piet bij de schoolbesturen te leggen in de hoop het misbruik tegen te gaan?

8.  We hadden gehoopt dat de 10.000 leerbare en leerplichtige leerlingen binnen 8 weken na 1 augustus 2014, dus op 1 oktober 2014, op een school zouden staan ingeschreven. Dat is niet gelukt. Daardoor bespaart het ministerie van OCW zo’n 60 tot 100 miljoen, en mogelijk nog meer, op jaarbasis. Uw ambtenaren zeggen dat dit bedrag, het onderwijsgeld van de niet op scholen ingeschreven thuiszitters, niet is begroot.

Heeft u er dan al rekening mee gehouden dat deze kinderen ondanks de wet niet zouden worden ingeschreven?

Moeten we concluderen dat OCW over de ruggen van de leerlingen die nergens staan ingeschreven geld verdient zolang de Wet passend onderwijs niet effectief is, waarmee de prikkel voor het ministerie om de wet te handhaven enorm verslapt?

Videofragment, met dank aan Penny Holloway: 

Staatsecretaris Sander Dekker gaf aan: ‘als je thuis zit, geef het door aan de Onderwijsinspectie – dan gaan we er morgen mee aan de slag’. De ouders tellen zelf al de thuiszitters, maar moeten van Sander Dekker het nu zelf ook melden als het bestuur in de fout gaat. Een taak die bij de inspectie op het bord hoort te liggen, niet bij de ouders. De angst bij ouders om melding te doen is tot nu toe terecht gebleken, oa door meldingen bij de leerplichtambtenaar na melding door ouders. De staatssecretaris wil beter optreden tegen scholen die zich niet aan de wet houden.

Sander Dekker houdt daarbij vast aan onderwijs op scholen, er komt dus wat hem betreft geen ruimte om anders naar thuisonderwijs te kijken. Dit terwijl de onderwijspraktijk in het buitenland het succes van thuisonderwijs onderschrijft.

Er komt geen onderzoek naar verwijderingen door schoolbesturen en onrechtmatige verwijderingen zegt Sander Dekker ook, ‘de stroom gaat door’. Wel 11.000 rechtszaken tegen ouders! Waarom ouders beboeten als schoolbesturen weigeren thuiszitters aan te nemen. Liever thuiszitters zonder onderwijs dan maatwerk in het onderwijs zonder toezicht lijkt het standpunt van het ministerie.

Katinka Slump bepleit tevergeefs voor het ‘kwartje van Loes’ (Ypma), om de positie van ouders te versterken. Zij hebben immers de kennis van passend onderwijs.

Sander Dekker krijgt ter afscheid een telraam uitgereikt, zodat hij op zijn kamer alle thuiszitters nog een keer kan tellen.

Sander Dekker krijgt ter afscheid een telraam uitgereikt, zodat hij op zijn kamer alle thuiszitters nog een keer kan tellen. Op de slingers foto’s en verhalen van thuiszitters.

Conclusie over vandaag, na het toehoren van alle sprekers: we zijn op weg, de eerste stap richting verandering is gezet. We zijn er echter nog niet. Het is jammer dat Sander Dekker zich tijdens het gesprek verschuilt achter de belemmeringen van zijn eigen regelgeving. Aandacht voor maatwerk, duidelijk over de besteding van onderwijsbudgetten, geen Miep Ziek meer (zie *), ruimte voor kennis van de ouders over hun kind en passend onderwijs, ontschotting van het onderwijs, andere visie op thuisonderwijs, medezeggenschap en hoorrecht voor ieder kind en respect voor de Kinderrechten wet, is nodig. Er ligt nog veel werk. Er moet ruimte komen voor een meldpunt, waar indien mogelijk zelfs anoniem melding gedaan kan worden over misstanden in het onderwijs. Zodat ouders – zoals genoemd werd vandaag – niet meer geconfronteerd worden met de dreiging van uithuisplaatsing als ze een klacht indienen. Het recht op onderwijs moet in de wet worden opgenomen. Het onderwijs moet ook om het kind draaien. er moet ruimte komen voor thuisonderwijs. We moeten hierover verder met de staatsecretaris in gesprek, want thuisonderwijs is vaak juist wel in het belang van het kind. Lees hier waarom. Verandering mag niet stuklopen op regeltjes. We moeten samenwerken om te doen wat nodig is om het onderwijs voor IEDER kind passend te maken.

In de media
– NOS Duizenden leerlingen kunnen niet naar school.
– Hart van Nederland (SBS6) Moeders in de bres voor thuiszittende kids.
– Hallo Nederland (Max) Manifestatie ‘thuiszitters tellen’.
– Noord-Hollands Dagblad ‘Ik lig nu al 3 jaar op uw bureau’.
– Telegraaf – Niels wil naar school. ‘Ik ben heel ongelukkig thuis.’

*Miep Ziek: Constructies illegaal thuisonderwijs – ministerie ontkent ontduiking wet.

Thuis is Daphne Daphne

Dorien Kok
http://DorienKok.nl