Categorie archief: Ontwikkeling

Talentontwikkeling in het onderwijs.

vonk vlamGave
Ieder mens wordt geboren met natuurlijke mogelijkheden, met een gave of bijzondere aanleg. Of dit nu op intellectueel, creatief, sensomotorisch, sociaalaffectief of een combinatie van die gebieden is maakt niet uit.

Vonkje
Aanleg is een potentie, geen vast feit. Zie het als een vonkje, dat zich als het de omstandigheden mee heeft zich kan ontwikkelen tot een vlam – die warmte of licht kan geven.
Zie je het vonkje niet dan is de kans groot dat deze uit gaat. Het zien van de aanleg is dus heel belangrijk. Om aanleg te kunnen zien moet weten hoe je deze kunt signaleren en er voor open staan. Dat betekent dat je ruimte moet hebben voor een individu en mensen niet als groep moet bekijken of benaderen.

Kun je de omstandigheden voor de ontwikkeling van het vonkje niet optimaliseren dan zal deze doven. Vonkjes worden namelijk alleen een vlam als er brandstof voorhanden is en de omgevingfactoren (oa het weer) meewerken. Een dosis geluk kan ook helpen.

Talent
Om een gave om te zetten in talent zijn er dus factoren die een bepalende rol kunnen spelen. Je speelt hierin zelf een grote rol: is er sprake van intrinsieke (van binnen uit) motivatie, een bepaalde toewijding en nieuwsgierigheid. Kun je jezelf sturen en heb je de juiste persoonlijkheid. Werken je fysieke omstandigheden mee. Iemand die blind is heeft bijvoorbeeld verminderde kansen om op het raceniveau van Max Verstappen te komen.

Naast de eigen mensfactoren is er ook sprake van omgevingsfactoren: is er sprake van een zone van naaste ontwikkeling (anders gezegd: hangt de ontbijtkoek niet te laag), is er sprake van stimulans en aanmoediging vanuit je familie, vrienden of school.

Biedt je woon-, school-, of verdere leefomgeving ruimte en activiteiten die jouw talentontwikkeling ondersteunen. Iemand die bijvoorbeeld niet in de buurt van zwemwater leeft heeft een verkleinde kans om op het zwemniveau van Pieter van den Hoogenband te komen.

Het vraagt tijd, je kunt de ontwikkeling niet versnellen. Rijpen is een belangrijk onderdeel van talentontwikkeling. Langzaam groeiende bomen kunnen ook sterker worden dan snel groeiende bomen. Het is ook een dynamische proces, dat interactie vereist.

Heb je daarnaast ook nog gewoon geluk.

Toptalent
Een toptalent is iemand die een zeer groot talent heeft. In het onderwijs vertaalt dit zich volgens het ministerie van OCW naar de top 20% best presterende leerlingen van een klas of groep. Je hebt het dan over kinderen die passen in het schoolse systeem en daar de resultaten halen waar behoefte aan is (onderwijstoptalentnorm). Echter, deze kinderen vertegenwoordigen maar een klein segment aan talent dat er voorhanden is in de scholen, zeker als we kijken naar andere talenten dan het schoolse. Schools talent is daarbij ook iets anders dan cognitief talent.

Daarnaast zijn er nog veel meer talentgebieden, die in het huidige onderwijssysteem een kleine rol spelen.

Schoolsyteem
Hoe kun je loskomen van een schoolsysteem dat talentontwikkeling kan belemmeren – doordat er sprake is van een klassenaanbod in plaats van onderwijs op maat. Een eenzijdig aanbod, in een vast ritme met een vast tijdsverloop. Dat wachten op een ander kent. Die dus de natuurlijke groei belemmerd. En wat als je talent zich buiten het schoolgebied bevindt? Is er in school ruimte voor een diversiteit aan talent, of kijken we alleen naar de cognitieve vorm.

Talentontwikkeling in het onderwijs.
Talentontwikkeling is het vrijmaken van het potentieel dat iemand al bezit. Op welk gebied of gebieden dan ook. Wat is iemands persoonlijke kracht. Hoe kun je deze persoon aanleren deze kracht om te zetten naar iets wat groeit. Hoe ondersteun je, faciliteer je. Hoe voorkom je verspilling en het afschrijven van kinderen.

Wil je doen aan talentontwikkeling in het onderwijs dan moeten we eerst de resultatenbehoefte loslaten om daarna ruimte te scheppen voor brede talentontwikkeling. Niet omdat we perse aan talentontwikkeling willen doen uit landsbelang maar omdat we bij ieder kind dat vonkje willen laten uitgroeien tot een vlam, op welk gebied dan ook. Want dat is werkelijke talentontwikkeling.

Dorien Kok
http://Dorienkok.nl

 

Advertenties

Onderwijs uitgelegd: huiswerk

HuiswerkIn de meeste landen iets heel normaals, thuis huiswerk maken. Gemiddeld werk een Europees kind 4,8 uur per week thuis aan schoolwerk. In Nederland begint dat vaak in de bovenbouw* van de basisschool, met het leren gebruiken van je agenda. Op de ene school wordt dit serieuzer opgepakt – als voorbereiding op het voortgezet onderwijs, dan op de andere school.

De meeste leerlingen worden niet blij als je het over huiswerk hebt. Toch is huiswerk maken erg belangrijk. De vraag is echter of dit thuis moet gebeuren of op school.

Doel
Wat is het doel van het opgegeven huiswerk
– herhalen en oefenen;
– voorbereiden;
– inzicht geven of verdiepen;
– toepassen op andere situaties, implementeren;
– extra stimulans;
– ondersteuning bij achterstand of lager leertempo.

Er zijn enkele randvoorwaarden, die bepalen in hoeverre thuis-huiswerk  een positief effect heeft en de opbrengsten op maat zijn. Dat er aan deze randvoorwaarden wordt voldaan kan bepalend zijn voor de kansen die een kind heeft op een optimale onderwijsontwikkeling en op diens verdere (werk)leven. Die randvoorwaarden wil ik hier bespreken.

Het thuisfront
Globaal gezien hebben kinderen van ouders die hoger opgeleid zijn betere scores en een hogere onderwijsopbrengst. Hun kinderen blijken ook meer uren te maken ten aanzien van huiswerk. Ook de opvoeding speelt hierin een rol: wordt het kind bewust gestimuleerd en ondersteund. Is men thuis bewust bezig met de ontwikkeling van het taal- en denkniveau van het kind.

De verschillen hierin per gezin kunnen erg groot zijn: kunnen ouders wel stimuleren en ondersteunen – of kan dit bijv. door hun werk-, sociale- , culturele- of financiële situatie niet.

Het bestaan van voorschoolse- en vroegschoolse educatie is hier mede op gebaseerd.

Leeromgeving
In Nederland werkt een 15-jarig kind gemiddeld 5,8 uur per week thuis aan huiswerk. Is er genoeg tijd voor het kind om thuis huiswerk te maken. Zijn er tijdbeperkende factoren als werk, mantelzorg, sport of sociale verplichtingen. In hoeverre is er sprake van verstoorde leertijd door de invloed van social media, internet of vrienden.
Heeft het kind een rustige werkplek, waar het zich goed kan concentreren – zonder afgeleid te worden door rondhuppelende kleutertjes, ‘plingende’ telefoons of pratende mensen.
Heeft het kind de beschikking over de juiste materialen, van schrift om in te schrijven, rekenmachine tot laptop of computer met internetaansluiting.
Is er iemand die zegt: ‘neem even een pauze’, helpt bij het plannen of waar even mee gespard kan worden. Die uitleg wil geven als je een vraag niet snapt.
Kan het kind makkelijk zien wat zijn of haar huiswerk is. Zeker als het niet is opgeschreven.
Biedt school een alternatief als thuis niet geschikt is als leerplek.

Huiswerkvoorwaarden voor school
Wat is het doel. Is er voldoende zicht op wat werkt voor het kind. Is men er zich van bewust dat vaardigheden als plannen, systematisch werken en om kunnen gaan met tijd zich pas op volwassen leeftijd ontwikkelen. Heeft het kind genoeg leertechnieken onder de knie om leerstof op meerdere manieren te benaderen. Heeft het kind afdoende geleerd om te leren, hoe lang te leren. Meerdere keren kort leren levert immers meer op dan lang blokken op het zelfde huiswerk. Wat is de maximale leertijd van een kind, gebonden aan leeftijd en of het een langzame of snelle leerling is. Biedt school regelmaat in het huiswerk aan, wat een positief effect heeft op hoe lang een kind huiswerk maakt. Wordt er gecontroleerd of het huiswerk thuis gemaakt is en geeft men er een follow-up aan. In welke klas begin je met huiswerk – misschien is het slim om al te wennen aan ‘huiswerk’ in groep 3 (max. 10 minuten per keer) in plaats van in de bovenbouw. Is een school zich bewust van de eerder genoemde randvoorwaarden rond het thuisfront en de leeromgeving. Dit zijn vragen die een school zich moet stellen voordat ze beginnen aan het geven van huiswerk voor thuis.

Bewustzijn bij school
In hoeverre is de school per kind van bovenstaande persoonlijke factoren op de hoogte en kan men daar bij helpen. Leerlingen met een beperkt leervermogen of langzame leerlingen zijn daarbij meer gebaat bij huiswerk dan snelle en begaafde leerlingen. Mogelijk is de verwachting van potentiële ‘opbrengsten’ eigenlijk te laag of hoog door belemmerende factoren. Maatwerk is dus nodig. Heeft de hele klas daarbij hetzelfde nodig? Als een school zich hier niet van bewust is kan er een incorrect kindbeeld ontstaan, dat negatieve invloed heeft op diens toekomstige studie- en carrièrekeuzes.
In hoeverre legt school aan ouders en leerlingen uit wat werkt en wat niet. Wat school met het thuis-huiswerk wil bereiken. Waarin ze ouders en leerlingen kunnen helpen. Geeft school tools, informatie en wordt er gesproken over regels en afspraken. Vraagt school aan ouders en leerlingen om contact op te nemen als er (mogelijk) belemmerende factoren aanwezig zijn. Lijdt het kind en het gezinsleven niet onder de hoeveelheid schoolwerk.

Follow-up
De opbrengsten zijn groter als je er opbouwend commentaar op het gemaakte werk geeft, het bespreekt en cijfers geeft. Het zorgt er voor dat kinderen trouwer zijn in het maken van huiswerk. Geef je inzicht, remediëring, gebruik je een benadering die past bij de wereld van de kinderen van nu. Dit alles op die wijze dat een kind zelfvertrouwen opbouwt in het eigen leervermogen, in plaats van verliest.

Wordt er voor een kind aan die voorwaarden voldaan dan is thuis-huiswerk een optie.

Kortom: huiswerk is veel meer dan ‘pak allemaal je agenda’. Het is een kwestie van maatwerk per kind. Geef dus niet standaard huiswerk om het huiswerk geven, al helemaal niet aan elk kind hetzelfde. Onderzoek eerst per kind de randvoorwaarden.

In de media: ‘Spanje verklaart huiswerk de oorlog‘ AD -november 2016

*Aanvulling 4 december 2017 – Op een kwart van de basisscholen krijgen kinderen al in groep 3 of 4 huiswerk mee. Deskundigen noemen het onzin: “Huiswerk gaat boven de capaciteit van jonge kinderen.” RTLNieuws: Huiswerk in groep 3 of 4? Onzin, zeggen deskundigen.

Bron cijfers: OESO

Dorien Kok
http://I-CARUS.info

Hoogbegaafden kunnen goed leren. Toch?

Labyrint Een hoogbegaafde leerling kun je herkennen aan de A en A+ scores of negens en tienen. Huiswerk hoeft niet voor een hoogbegaafd kind, ze onthouden alles altijd meteen. Bij hoogbegaafde kinderen lukt altijd alles, falen doen ze niet. Als er geen hoge leerresultaten niet gehaald worden is het kind niet hoogbegaafd. Toch?

Deze opvattingen heersen. Helaas.

Dat hoogbegaafden goed kunnen leren is een vooroordeel. Dat ze niet hoeven te leren of geen hulp nodig hebben ook. Vooroordelen die je niet alleen op scholen hoort , maar ook bij ouders en in de maatschappij. Twijfel of de IQ test achteraf wel klopt – misschien is er wel per ongeluk hoog gescoord. Als hoogbegaafd kind ga je ook knap aan jezelf twijfelen als je bovengenoemde vooroordelen hoort.

De termen hoogbegaafd en leerproblemen worden als tegenstellingen gezien.

Het is echter niet vanzelfsprekend dat een hoogbegaafde leerling goed kan leren. Ook hoogbegaafde kinderen kunnen leerproblemen hebben.

Deze verkeerde opvattingen zorgen voor 2 risico’s: deze kinderen worden niet opgemerkt (als hoogbegaafd) en ze krijgen niet het aanbod of de hulp die ze nodig hebben. Dit ontneemt ze de kans om hun potentieel – wat hoogbegaafdheid eigenlijk inhoudt – te ontwikkelen.

Hoogbegaafden zijn geen kopieerapparaten die foutloos kennis kopiëren en reproduceren. Zij nemen informatie op en gaan er creatief in hun hoofd mee aan de slag. Zoeken verbinding met wat ze al weten, draaien het rond als ware het een dobbelsteen die je van 6 kanten kunt bekijken en laten hun gevoel er op los.

Als je als leerkracht onderwijs via een logische opbouw en in stappen insteekt kan deze denkwijze conflicteren. Ook kan het er voor zorgen dat leerlingen niet geïnteresseerd zijn in het aanbod op school, omdat het ze geen ruimte geeft voor hun manier van denken. Antwoorden die je als leerkracht als fout ziet kunnen wel kloppen met hun manier van denken. Wees je je als leerkracht hier van bewust.

Deze kinderen investeren graag hun tijd, energie en creativiteit in school als ze daar de ruimte voor krijgen. In school kan het startpunt dat hoogbegaafde leerlingen goed kunnen leren kan daarbij knap in de weg staan.

Welke leerlingen hebben we het over:

  • Niet opgemerkte leerlingen: de hoog scorende leerlingen die hun leerproblemen lange tijd kunnen maskeren met hun slimheid, waardoor de problemen niet echt zichtbaar zijn.

Deze leerlingen scoren vaker hoog op de IQ test of in cijfers, maar lijken de testscores in de loop der tijd niet meer waar te maken. In deze groep zitten ook de kinderen wiens testscores niet in balans zijn. Er zitten tegenstellingen in hun ontwikkeling, verbaal zijn ze bijvoorbeeld sterk – ze vallen echter vaker uit op spelling en schrijfvaardigheid. Automatiseren en planning zijn ook gebieden waar ze op uitvallen. Ze lijken slordig te werken en ongeorganiseerd te zijn. Hoe verder je komt in jaren, hoe moeilijker ze het krijgen – mede door de steeds hogere eisen die gesteld worden. Ze redden het dus niet meer op hun slimheid. De gedachte, bij school, ouders maar soms ook de leerlingen zelf, is dat dit zich wel oplost als ze zich maar beter inzetten en harder werken. Ze moeten zich dus bewijzen.

Deze kinderen zijn absoluut expert op hun interessegebied, vallen echter uit op schoolse zaken. In het voortgezet onderwijs zie je ze vaak afzakken in niveau.

Het komt door de hoogbegaafdheid en het hiermee kunnen maskeren van de problemen in niemand op om anders naar de problemen te kijken en deze kinderen als ondersteuningsbehoeftig te zien. Het gebrek aan expertise in de scholen op het gebied van de combinatie van hoogbegaafdheid en leerproblemen speelt hier ook een belangrijke rol in. Deze leerlingen hebben baat bij een visueel-ruimtelijk leeraanbod en hulp bij het organiseren en plannen.

  • Hoogbegaafde kinderen die niet gezien worden omdat hun grote leerproblemen hun hoogbegaafdheid bedekken.

Bij deze kinderen wordt niet aan hoogbegaafdheid gedacht omdat de leerproblemen zeer groot zijn. Alleen dat laatste trekt aandacht. Ook bij hun is er de behoefde aan een programma dat aangepast is aan hun begaafdheid, echter hun leeropbrengsten geven hiervoor geen aanwijzingen. Hun geluk ligt in een leerkracht die hun talenten wel signaleert en daarop anticipeert, of ze moeten een speciaal talent hebben die los staat van leerproblemen. Deze hoogbegaafden vinden helaas vaak pas als ze volwassen zijn de antwoorden over zichzelf.

  • Onsuccesvolle hoogbegaafde kinderen wiens leerproblemen gezien worden

Emotie speelt een grote rol bij deze kinderen, een negatief zelfbeeld en faalangst liggen op de loer. Worden deze gevoelige kinderen wel gezien dan draait alles om de leerproblemen of vaker bijkomende afwijkende gedragingen (teruggetrokken of juist opvallend aanwezig), die wil men eerst oplossen of diagnostiseren – wat nog belemmerd wordt doordat ze vermijdend gedrag vertonen voor schoolwerk. Aandacht voor de talenten moet de basis zijn voor de aanpak, is er echter vaak niet. Thuis, waar schoolvaardigheden geen rol spelen is hun talent en zijn hun passies vaak wel zichtbaar. Hun potentie wordt echter niet vertaald naar schoolresultaten.

  • Hoogbegaafde kinderen met leerproblemen door motivatieproblemen ten gevolge van een verkeerd aanbod

Deze kinderen zien het nut van school niet in. Het schoolaanbod sluit niet aan bij hun behoeftes. Ze hebben een ander level van denken dan de omgeving, zijn ook slimmer dan die omgeving. Hebben vaker een succesvol leven naast school, investeren veel in hun talentgebied. Nadruk van ouders en school ligt vaak op schoolopbrengsten, waardoor er risico is bij de volwassenen voor het geen oog of ruimte hebben voor de buitenschoolse talentgerichte activiteiten. Dit zijn potentiële drop-outs, die door het oplopen van een achterstand leerproblemen krijgen.

Buiten de factoren op de basisschool niet geleerd hebben hoe te leren omdat men daar niet aan dacht of omdat dit ‘niet nodig was’ en een niet passend aanbod krijgen speelt ook een tekort aan expertise over hoe een hoogbegaafde leert een grote rol. Ook kan het zijn dat een kind hoogbegaafd is op een deelgebied, niet op alles of niet op schoolse zaken. Liggen de verwachtingen niet te hoog. Hoe is het met de motivatie gesteld. Is school wel net zo belangrijk voor het kind als voor de omgeving, ligt de motivatie misschien buiten de school en doen cijfers er voor hem of haar misschien niet toe. Zijn de kinderen sociaal en emotioneel wel in balans. Wordt er wel met de leerlingen zelf gecommuniceerd, of alleen over ze heen.

Dit zijn allemaal kinderen met een hoog potentieel, die uitvallen omdat ze niet gezien worden en niet de begeleiding krijgen die ze nodig hebben. Dit komt zoals gezegd omdat we hoogbegaafdheid niet associëren met leerproblemen en expertise over de combinatie hoogbegaafd en leerproblemen te weinig voorhanden is in scholen. De aanpak is of alleen gericht op het ‘hoogbegaafdheid en alles kunnen principe’ of de reguliere aanpak van leerproblemen.

Startpunt moet zijn hun expressiestijl (Renzulli), denkprofiel (Sternberg), hun intelligenties (Gardner) en persoonlijkheidskenmerken. Deze kun je onderzoeken. De vraag is daarna: wat heeft deze leerling op dit moment nodig om tegemoet te komen aan zijn of haar behoeften op cognitief, sociaal en emotioneel gebied. Belemmerende factoren zijn hierin aandachtspunten, stimulerende factoren aanknopingspunten. Dus school en ouders moeten samen met de leerling aan de slag. Belangrijk hierbij is dat men zich onbevooroordeeld opstelt. Daarbij geen mooie woorden maar creatieve oplossingen. Dit zorgt er voor dat ze zich optimaal kunnen ontwikkelen.

Dorien Kok
http://DorienKok.nl

Leergedrag kleuters legt belangrijke basis voor het leren lezen

Als executieve functies al in groep 2 goed worden ondersteund, kunnen leerlingen daarvan profijt hebben bij het formele leesonderwijs in groep 3 en 4. Dat blijkt uit onderzoek van Eva van de Sande, die op 6 november 2015 promoveert aan de Radboud Universiteit Nijmegen. Executieve functies of ‘leervaardigheden’ helpen complexe informatie te verwerken tijdens het lezen en zorgen ervoor dat kinderen hun aandacht erbij kunnen houden. Leerkrachten kunnen hierop vrij eenvoudig sturen.

Pedro De Bruyckere – hij blogt over over onderwijs, jongeren, cultuur en media – heeft een blog  geschreven over het onderzoek van Eva van de Sande. Deze is hier te lezen: Persbericht NRO: Leergedrag kleuters legt belangrijke basis voor het leren lezen.

Kijk voor meer informatie over executieve functies hier: Het trainen van je executieve functies.

Klik op de afbeelding van de brochure behorend bij het proefschrift om deze te lezen:

Executieve functies voor het leren lezen

Een cocon om je kind houden.

Papilio Rumanzovia Butterfly on FlowerDaag een kind uit om te groeien, in alle aspecten. Ondersteun het kind daar bij. Groeien is een kwestie van vallen en opstaan, van je neus stoten en daardoor de volgende keer een andere keuze maken. Je kunt een kind ook niet tegen alles beschermen. Behandel ze als volwaardige mensen, stimuleer hiermee hun creativiteit in denken en doen. Leer ze initiatief en verantwoording te nemen, zelf keuzes te maken. Geen ‘laat mij dat maar doen’ of ‘daar ben je nog te jong voor’.

Een cocon om je kind houden remt de ontwikkeling van het kind. Zo kan het nooit een vlinder worden.

Dorien Kok

Onderwijs uitgelegd: Doortoetsen

DoortoetsenAls een ouder of school denkt dat een leerling een ontwikkelingsvoorsprong of hiaten (het ontbreken van kennis) heeft of als hoogbegaafd is gezien moet een school deze leerling gaan ‘doortoetsen’. Ook als de leerling verder is dan de geboden leerstof of als uit de DLE scores blijkt dat een kind voorloopt.

Wat betekent doortoetsen voor een leerling met een leervoorsprong?

Doortoetsen: wat is dat?
Bij doortoetsen verzamel je informatie over een individuele leerling zodat je kunt zien wat het startpunt is voor je onderwijsaanbod. Het geeft een duidelijk beeld waar een leerling didactisch (onderwijstechnisch) staat in de ontwikkeling, iets wat een IQ test niet doet. Het kan – als de leerling niet onderpresteert en het doortoetsen goed wordt gedaan – duidelijkheid geven en voorkomt discussie intern of tussen school en ouders. Het vormt een aantoonbare basis om beslissingen te nemen voor een leerling. Het duidt ook of de leerling op slechts één vlak voorloopt of op meerdere vlakken, of het meer kan of op juist de tenen loopt. Het resultaat geeft geen inzicht in wat deze leerlingen niet kunnen.

Het is ook een hulpmiddel bij de keuze om wel of niet te versnellen – tussentijds doorstromen naar het volgende leerjaar. Doortoetsen is niet een eenmalige gebeurtenis, maar een proces van herhaling. Het is natuurlijk erg belangrijk dat school en de leerkracht iets kan met de resultaten. Als dit niet zo is, is hulp van buitenaf een must.

Wie doortoetsen
Niet alleen leerling waarvan de leervoorsprong zichtbaar is toets je door. Het doortoetsen kan ook andere vraagtekens over een leerling helder maken, bijvoorbeeld bij leerlingen die zich anders gedragen dan verwacht. Heeft een leerling zich misschien aangepast aan school (onderpresteren). Leerlingen die geen belangstelling tonen voor het huidige onderwijsaanbod, ongepast gedrag laten zien of gedemotiveerd zijn en daardoor niet gezien worden als ‘snelle snapper’ moeten ook doorgetoetst worden.

We hebben het hier ook over kleuters.

Het doortoetsen
Voor de start van het doortoetsen moet er eerst een onderzoeksdoel vast worden gesteld: niveaubepaling, mogelijk versnellen, hiaten opsporen of een andere reden.

Het afnemen van de toetsen vanuit het leerlingvolgsysteem (LVS) is specialistenwerk. Gedrag als aanpassen, faalangst en onderpresteren moet gesignaleerd worden. Dit kan immers de uitslag beïnvloeden. Ook wie de toetsen afneemt kan van grote invloed zijn. Per schooljaar zijn er 2 toetsen per vaardigheid (het lezen, hoofdrekenen, spellen, rekenen/wiskunde en begrijpend lezen) beschikbaar. Bijna alle toetsen worden in januari en juni afgenomen. Startpunt is de kalendertechnisch eerstvolgende leerstofafhankelijke toets, waarvan de leerstof nog niet is behandeld in de klas of met de leerling. Tempotoetsen zijn geen onderdeel van het doortoetsen.

Het gaat er niet om dat de leerling de toets foutloos maakt. Je kijkt alleen naar de totaalscore. Als de leerling een score A, B, of C haalt pak je er de eerstvolgende toets bij en neem je die ook af. Fouten worden geanalyseerd en geïnterpreteerd. Bij onverwachte uitval ga je nog verder met doortoetsen.

Groep 8 niveau
Er zijn geen verdere toetsen meer die aansluiten bij het niveau van de leerling als deze de lesstof van groep 8 vóór groep 8 (ruim) beheerst. Doortoetsen kan dus niet. Het is dan raadzaam om, bijvoorbeeld één keer per jaar, een toets af te nemen om vast te stellen of de lesstof bij de leerling beklijft en er geen terugval plaatsvindt. Dan moet zeker de lesstof aangepast worden.

Lesaanpak
Iets wat een leerling beheerst hoeft hij niet meer te leren. De foutenanalyse geeft aan wat een leerling nog niet beheerst. Je kijkt naar mogelijke hiaten of dat het gehele hoofdstuk nog niet beheerst wordt. Is er sprake van hiaten of wordt het hoofdstuk nog niet volledig beheerst dan wordt hier instructie en oefening op gezet, waarbij de mate van benodigde oefening lager zal zijn dan bij andere leerlingen. Ook het aantal leerstappen zal mogelijk minder zijn.

Aandachtspunt is dat deze leerling de rest van diens schoolcarrière waarschijnlijk geen 10 onderwijsmaanden nodig heeft voor een schooljaar, mogelijk beheerst het de leerstof zelfs in de helft van de tijd. Iets wat dus ook meteen gestart moet worden is het compacten (indikken leerstof) en verrijken (leerstof die tegemoet komt aan de specifieke leerlingbehoeften). Dit moet serieuze leerstof zijn, zodat deze leerlingen echt iets te doen heeft wat zoden aan de dijk zet. Het is niet de bedoeling dat de leerlingen maar een beetje bezig gehouden worden.

Versnellen
Soms is de voorsprong zo groot dat nadenken over versnellen verstandig is. Hierbij speelt niet alleen het doortoetsresultaat een rol, maar ook zullen ouders en school rekening moeten houden met factoren als welbevinden, aansluiting, persoonlijke omstandigheden enz. Observatie maar ook heldere communicatie tussen school en ouders spelen hierbij een belangrijke rol. Indien nodig is het verstandig hier een derde partij bij te betrekken, zoals een HB-specialist.

De Versnellingswenselijksheidslijst van het CBO in Nijmegen kan een tool zijn bij de besluitvorming hierover.

Lees ook:

Onderwijs uitgelegd: DL en DLE, wat kun je daar als ouder mee.

Onderwijs onderzocht: Versnellen, ja of nee.

Dorien Kok

Wachtkamerkind

Wachtkamer

En dan is je verjaardag voorbij, je bent nu 4 geworden. Eindelijk, na zo lang wachten, mag je naar school. Nu mag je echt gaan leren. Je kan al lezen, rekenen en schrijven en hebt er echt zin in.

Je vraagt op de eerste dag aan de juf: “Krijg ik hier ook les in Spaans?” Juf zegt: “Nee, alleen het ABC.” Je eerste teleurstelling: die komt hard binnen. Je kent de letters immers al lang. Je wilt dingen leren die je nog niet weet.

Dit is niet het verhaal van één kind. Er zijn veel meer kinderen, die de kleuterschool binnen komen en eigenlijk meteen al op groep 3 niveau functioneren. Helaas moeten zij gewoon aan het begin van het onderwijspad beginnen. Ze lopen 2, 3 of soms wel 4 jaar voor op leeftijdsgenoten.

In de praktijk betekent dit, dat het kind ‘in de wachtkamer’ gezet wordt. Zo zit hij (of zij) daar iedere dag opnieuw – hopend dat hij gezien zal worden, aan de beurt zal komen en men snapt wat hij kan en weet en wat hij dus nodig heeft. Wachtend tot er leerstof langskomt die hij nodig heeft om zich verder te kunnen ontwikkelen. Hopend dat ook hij nieuwe dingen mag leren, onderzoeken, sponsen – eigenlijk gewoon groeien – zoals hij tot nu toe thuis gewend was. Gewoon zijn eigen ontwikkelingslijn volgen.

We hebben het niet alleen over kinderen zoals deze, die hier als voorbeeld wordt genoemd: leergierig en tot nu toe succesvol in zijn ontwikkeling. Bij hem zijn de kenmerken zodanig dat er mogelijk direct een ontwikkelingsvoorsprong in herkend kan worden, als men er in investeert en er de kennis en tools voor heeft. We hebben het ook over kinderen die niet direct zichtbaar zijn: verlegen meisjes, stuiterballen, explosieve kinderen, drop-outs, kinderen met grote faalangst of met een scheve ontwikkeling.

Veel van deze kinderen blijven hun hele schoolse leven in de wachtkamer zitten. Dat in de wachtkamer zitten, houdt namelijk vaak niet op als ze naar groep 3 gaan. Dit los van het feit dat, als ze wel gezien worden, ze vaak nog niet krijgen wat ze nodig hebben om zich te kunnen blijven ontwikkelen. De vraag is wat dit voor het kind betekent?

Het antwoord: schade. Niet gezien worden als kind, niet aangesproken worden op de manier, die bij jou past, niet dat leeraanbod krijgen dat je nodig hebt en jou laat groeien. Het ontbreken van een stimulerende omgeving, die een kind uitdaagt. Dat doet wat met een kind: het beschadigt het kind. Het kind wordt geremd in zijn ontwikkeling en leert niet de vaardigheden, die het later nodig heeft.

Daar komt bij dat de signalen, die een beschadigd kind afgeeft verkeerd gelezen (kunnen) worden. Het kind verhuist hierdoor opnieuw naar een wachtkamer. Deze keer naar die van de jeugdgezondheidszorg, de huisarts, de psycholoog, het ziekenhuis – noem maar op – waar ze hem helemaal niet kunnen helpen. In het ergste geval verdwijnen kinderen zelfs helemaal uit het onderwijssysteem en komen ze thuis te zitten.

Hoe los je dit nu op? Voorkomen is beter dan genezen. Als je weet dat een kind bij aanvang van zijn schoolcarrière een ontwikkelingsvoorsprong heeft, kun je meteen inspelen op de onderwijsbehoefte van het kind. Het is dus van groot belang dat we dit gaan signaleren, voordat een kind naar school gaat. Aandacht voor vroegsignalering, zodat je als juf of meester op de eerste schooldag meteen handvatten hebt om het kind te zien en het daardoor meteen passend onderwijs kunt geven.

Dorien Kok