Categorie archief: Onderzoek

Onderwijs onderzocht: Versnellen, ja of nee

VersnellingIn Nederland staan we huiverig tegenover versnellen. Doe maar gewoon, dan doe je al gek genoeg is het motto. Keuzes hierover worden vaak niet op feiten gebaseerd. Middelbare scholen zijn ook erg huiverig over versnellen, hebben het idee dat zij de problemen van de basisschool op hun bord geschoven krijgen – voor wie de keuze tot versnellen vaak gebaseerd is op ‘wij weten het ook niet meer’.

De meeste leraren blijken (onderzoek Southern & Jones, Townsend & Patrick) nauwelijks op de hoogte zijn van bestaande literatuur over dit onderwerp. Struikelblok voor leerkrachten in het voortgezet onderwijs is ook de angst voor isolatie van de leerling en emotionele problemen. De praktijk wijst daarbij uit dat er bij leerkrachten ook weinig kennis voorhanden is over dat niet elke leerling met hoge intelligentie capaciteiten ook goed presteert, door bijvoorbeeld motivatieproblemen of faalangst.

Je kunt in een klas alle lessen aanpassen en eigenlijk zo ‘intern’ versnellen, maar dat is voor de meeste kinderen geen passende oplossing. De argumenten om niet te versnellen liggen zogezegd vaak op het sociale en emotionele vlak.  De sociale omgeving aanpassen in dezelfde klas is echter veel moeilijker. Een jaar overslaan is dan juist een betere oplossing.

Ouders staan ook vaak alleen en ongesteund voor deze beslissing, kunnen ook weinig informatie vinden hierover.

CITO eindtoets 2006: van de leerlingen die meededen aan de Cito eindtoets (145.742) waren van 144.274 leerlingen de gegevens over geboortedatum en geslacht bekend. Van deze groep waren 150 leerlingen 2 of meer keer versneld (dwz 10 jaar of jonger op 1 oktober in de brugklas), 91 jongens en 59 meisjes, dat is 0,1%.

 (cijfers: Leonieke Boogaard)

In Nederland is er al 2 keer onderzoek gedaan naar dit onderwerp. Ook internationaal liggen er antwoorden, uit langdurend onderzoek. Deze onderzoeken geven een ‘ja’ voor versnellen. In 2003 verscheen er in Nederland via CBO/KUN en Drs Lianne Hoogeveen het onderzoeksrapport  ‘Jonge, versnelde leerlingen in het Voortgezet onderwijs: Hoe om te gaan met leerlingen die, door het versneld doorlopen van de basisschool, als (zeer) jonge leerling het voortgezet onderwijs binnen komen. Vragen die hierin gesteld en beantwoord worden:

– Horen ze eigenlijk wel thuis op een middelbare school
– Lopen ze meer risico om problemen te krijgen binnen het voortgezet onderwijs
– Vragen zij om specifieke begeleiding?
– Hoe zou je deze leerlingen dan kunnen begeleiden

Het rapport geeft duiding over hoe de zorg om deze groep leerlingen bij de docenten te verminderen en biedt handvatten voor de begeleiding. Het rapport is daarmee een aanrader voor leerkrachten uit het voortgezet onderwijs en voor ouders.

Tijdens haar opleiding tot Specialist in Gifted Education (2008) deed Leonieke Boogaard onderzoek naar hoe het (extreem intelligente) leerlingen in het voortgezet onderwijs verging nadat ze op de basisschool twee of drie keer versneld waren, zodat ouders die voor een zelfde moeilijke keus stonden wél informatie zouden hebben over de mogelijke gevolgen. 6 jaar na haar eerste onderzoek herhaalde ze de vragen. De gemiddelde leeftijd bij de start van het voortgezet onderwijs van haar onderzoeksgroep was 10 jaar en 4 maanden. De jongste was 9 jaar en 7 maanden, de oudste 10 jaar en 11 maanden. Om te mogen meedoen aan het onderzoek moesten ze op 1 oktober in de brugklas 10 jaar of jonger zijn. De leeftijd van de ondervraagde leerlingen die meededen aan het onderzoek varieerde van 10 tot 18 jaar, dwz zeggen van brugklas tot 1e jaars student. De grootste groep zat in klas 3, daarna de grootste groep (evenveel leerlingen ) in klas 2 en 5. Zowel de leerlingen uit haar onderzoek als hun ouders gaven aan dat in het voortgezet onderwijs de contacten met klasgenoten en het aantal vriendschappen meer en beter waren dan op de basisschool. De angst van veel docenten dat jonge leerlingen op sociaal gebied geen aansluiting zullen vinden lijkt dus ongegrond. Dit komt ook naar voren uit het feit dat leerlingen én ouders aangeven dat er geen problemen zijn met de reacties van klasgenoten op zulke jonge medeleerlingen. Bovendien blijkt het merendeel van deze kinderen ook in hun vrije tijd, bij sport, muziek en andere buitenschoolse activiteiten voornamelijk met (veel) oudere kinderen en volwassenen om te gaan.

Uit onderzoek (Silverman) blijkt dat duurzame vriendschappen gebaseerd zijn op wederzijdse interesses en waarden, niet op leeftijd en dat hoogbegaafde kinderen in het algemeen een grotere sociale competentie hebben en eerder psychologisch volwassen zijn dan hun niet-begaafde leeftijdgenoten.

Sommige kinderen en ouders gaven in het onderzoek van Boogaard ongevraagd aan dat de versnellingen erg goed zijn geweest voor hun sociale leven: “Het heeft mijn sociale leven omhoog geschoten”, “Nu heb ik vrienden van gelijk niveau en gelijke ontwikkeling”, Mijn dochter bloeide emotioneel op na de versnellingen”.

Op cognitief gebied gaat het met alle jongeren redelijk tot goed, waarbij opvalt dat leerlingen op scholen die extra programma’s en/of begeleiding hebben voor hoogbegaafde leerlingen (meestal in de vorm van Compacten en Verrijken) betere resultaten halen dan leerlingen op scholen waar geen extra aandacht is voor deze groep. De angst van sommige docenten dat het te zwaar zou zijn voor zulke jonge leerlingen wordt weersproken door het feit dat de leerlingen op één na allemaal meerdere buitenschoolse activiteiten hebben. Ze doen bijna allemaal aan één of meer sporten, vaak op heel hoog (soms nationaal) niveau. Ook doet het merendeel aan muziek, dans of toneel.

Op de vraag aan leerlingen en ouders of ze met de huidige kennis achteraf wéér voor twee of drie keer versnellen zouden hebben gekozen antwoordt het merendeel (ouders 81%, leerlingen 85%) volmondig ja. Niemand antwoordde nee! Degenen die geen ja zeiden wisten het niet omdat het zowel voor- als nadelen had in hun ogen. De meeste ouders geven aan dat je domweg geen andere keuze hebt als je wilt dat je kind gelukkig is. “Ze is er erg van opgeknapt, zag het leven niet meer zitten. Dat is na de tweede versnelling nooit meer voorgekomen”.

Zes jaar later werd nogmaals de vragenlijst voorgelegd. Van de 27 leerlingen die Boogaard terugvond hebben er 22 gereageerd (14 meisjes en 8 jongens). Van hen studeerden er 17 aan de universiteit, deden er drie een tussenjaar en werkten er twee. Nog steeds deden ze gemiddeld 8 uur per week aan sport en werkten de meesten naast hun studie gemiddeld 9 uur per week. Op de herhaalde vraag of ze met de, inmiddels uitgebreide achteraf kennis, weer dezelfde keuze zouden maken antwoordde weer niemand met nee. Ja werd gezegd door 82%, een meer genuanceerd ‘weet ik niet’ door de rest. Sommigen hadden liever nog vaker versneld.

In 2013 werd het onderzoek ‘A Nation Deceived: How Schools Hold Back America’s Brightest Students – A Nation Deceived highlights disparities between the research on acceleration and the educational beliefs and practices that often run contrary to the research’* gepubliceerd, die de voorgenoemde bevindingen bevestigen. Conclusies Nicolas Colangelo na 50 jaar onderzoek:
– versnellen is goed en effectief
– versnellen levert geen schade aan emotionele sociale ontwikkeling
– onderzoek kan zeer stevig gefundeerd aantonen maar vecht tegen de praktijk die het niet gaat toepassen
– onderzoek en praktijk komen niet bij elkaar vanwege het systeem van onderwijs, sociaal en emotioneel aspect en de politieke trend’iedereen gelijk’
– angst voor het onbekende
– uit onderzoek blijkt de nummer 1 overtuiging/angst heel sterk is: we zijn bang dat er sociaal emotionele problemen ontstaan bij het kind.

Let op, dit rapport bestaat uit 2 delen! Download hier. De informatie in Volume II vormt de basis voor de inhoud van Volume I

Conclusie: In de praktijk blijkt er weinig reden tot zorg. Versnelling blijkt een praktische en productieve manier om deze kinderen passend onderwijs te geven en hun prestatie-motivatie te verhogen. Ook op sociaal-emotioneel gebied blijken de versnelde leerlingen goed te functioneren. Wat van belang is dat er indien ingezet wordt op gestructureerde extra begeleiding, gebaseerd op vertrouwen. De houding van de mentor en leerkrachten is daarbij ook van groot belang. Erkennen dat deze kinderen ‘anders’ zijn en andere behoeftes hebben is daarvoor de basis, net zoals aandacht voor het hebben van een juist beeld over deze kinderen. Aanpassing van het programma kan bestaan uit het variëren van de verrijking van de lesstof, zodat deze uitdagend is tot – indien dit eerste niet afdoende blijkt – het aanbieden van een apart lesprogramma en/of individuele begeleiding. Een investering van leerkrachten en scholen ten aanzien van kennis over deze doelgroep is een must. Tolerantie en extra ‘ruimte’ voor deze kinderen is daarbij ook een vereiste. *

Met dank aan Wijssein – Sonja Morbé voor de vertaling van de conclusies van A Nation Deceived: How Schools Hold Back America’s Brightest Students

Aanvulling 7 april 2015:

‘Versnelling in het funderend onderwijs’ – een onderzoek van Onderwijs in cijfers

Onderwijs in Cijfers is een samenwerking tussen het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS), Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) en het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW).

“Sommige leerlingen in het primair onderwijs (po) en voortgezet onderwijs (vo) hebben behoefte aan extra uitdaging. Scholen kunnen dan, onder andere, een versnelde leerroute aanbieden.

In deze thema-analyse onderzoeken we de loopbaan van twee groepen versnelde leerlingen: herfstkinderen en leerlingen die versneld hebben, maar geen herfstkind zijn. We gaan in op hoeveel en welke leerlingen versnellen, hoe succesvol deze leerlingen zijn in hun verdere schoolloopbaan en de effecten van versnellen voor de ontwikkeling van kinderen.”

Lees hier verder.

Lees ook:

Onderwijs uitgelegd: DL en DLE, wat kun je daar als ouder mee

Onderwijs uitgelegd: Doortoetsen

Dorien Kok

Uw brein is een regenwoud

Dit artikel is niet door mij zelf geschreven of bewerkt. Het is een herplaatsing met toestemming.
“Met toestemming bewerkt en overgenomen van Neurodiversity: Discovering the Extraordinary Gifts of Autism, ADHD, Dyslexia, and Other Brain Differences, door Thomas Armstrong, uitgegeven door Da Capo Lifelong, onderdeel van Perseus Books Group. © 2010.”

Van mensen met aandoeningen als een aandachtstekortstoornis, autisme of dyslexie wordt automatisch gezegd dat ze een ‘beperking’ hebben. Maar verschillen tussen het ene brein en het andere zijn even verrijkend – en even onmisbaar – als verschillen onder planten en dieren. Welkom op een nieuw terrein: neurodiversiteit.

Brein

Denk u eens in dat onze cultuur is getransformeerd in een maatschappij van bloemen. Laten we gemakshalve aannemen dat de psychiaters rozen zijn. Stel u nu een gigantische zonnebloem voor die bij de psychiater komt. De roos trekt zijn diagnostische gereedschapskist open en komt na een half uur met een diagnose: ‘U lijdt aan enormisme. Dat is een behandelbare afwijking als we er vroeg bij zijn, maar helaas kunnen we er in dit ontwikkelingsstadium niet zo gek veel meer aan doen. Wij beschikken echter wel over enige strategieën die u kunnen helpen met uw stoornis om te gaan.’ De zonnebloem hoort de suggesties aan en als hij de behandelkamer uitkomt, hangt zijn schitterende geelbruine bloemhoofd gelaten langs zijn stengel.

De volgende patiënt is een piepklein korenbloempje. De roos-psychiater neemt het korenbloempje wat diagnostische tests af en doet een volledig lichamelijk onderzoek. Dan volgt zijn oordeel: ‘Het spijt me, korenbloem, maar u hebt een groeibeperking. Wij vermoeden dat het genetisch is. Maar u hoeft zich geen zorgen te maken. Met de juiste behandeling kunt u ergens op een stukje goed doorlatende, lemige zandgrond nog best een productief en succesvol leven leren leiden.’ Als de korenbloem de behandelkamer uitgaat, voelt hij zich nog kleiner dan eerst.

Ten slotte komt er een calla-lelie binnen en de psychiater heeft maar vijf minuten nodig om het probleem vast te stellen: ‘U hebt BDS, ofwel een bloembladdeficiëntiestoornis. Die kunnen wij weliswaar niet genezen, maar met een speciaal samengesteld bestrijdingsmiddel wel degelijk afremmen. Ik heb toevallig juist wat gratis monsters binnengekregen, dus als u het eens wilt proberen?’

Deze scenario’s doen nogal onnozel aan, maar ze dienen als metafoor voor de manier waarop tegenwoordig in onze cultuur wordt omgegaan met neurologische verschillen tussen mensen. In plaats van de natuurlijke diversiteit die inherent is aan de menselijke hersenen toe te juichen, neigen we er maar al te vaak toe die verschillen te medicaliseren en pathologiseren door te zeggen: ‘Karel heeft autisme. Emmie heeft een leerstoornis.

Peter lijdt aan ADHD, aandachtstekortstoornis met hyperactiviteit.’ Stel dat we dat deden met culturele verschillen (‘mensen uit Nederland lijden aan hoogtedeprivatiesyndroom’) of rasverschillen (‘Mohammed heeft een pigmentstoornis, want zijn huid is niet blank’). Dan zouden we als nationalisten en racisten worden bestempeld. En toch wordt er onder het vaandel van ‘objectieve’ wetenschap voortdurend op deze manier gedacht als het gaat over de menselijke hersenen.

De lessen die we hebben geleerd over biodiversiteit en culturele diversiteit moeten ook worden toegepast op het menselijk brein. We hebben behoefte aan ‘neurodiversiteit’, een nieuw terrein dat het brein van de mens ziet als de biologische entiteit die hij is en dat oog heeft voor de enorme natuurlijke verschillen tussen het ene brein en het andere waar het gaat om sociale en leervermogens, aandacht, stemming en andere belangrijke psychische functies.

In plaats van te doen alsof er ergens in een kluis een volkomen ‘normaal’ brein ligt weggeborgen waarmee alle andere breinen moeten worden vergeleken (bijvoorbeeld dat van de roos-psychiater), zullen we moeten erkennen dat er geen standaardbrein bestaat, precies zoals er geen standaardbloem of standaard culturele of raciale groep bestaat en dat in feite de diversiteit onder breinen net zo’n verrijking is als biodiversiteit en de verscheidenheid onder rassen en culturen.

De afgelopen zestig jaar zijn we getuige geweest van een enorme groei in het aantal nieuwe psychische aandoeningen, met als resultaat onze door stoornissen geteisterde cultuur. In 1952 waren er in de eerste editie van het Diagnostic and Statistical Manual (DSM), het Amerikaanse handboek dat in de meeste landen wordt gezien als standaard in de psychiatrische diagnostiek, honderd soorten psychische aandoeningen opgenomen. Tegen 2000 was dit aantal verdrievoudigd.

Wij zijn als cultuur gewend geraakt aan het idee dat een aanzienlijk segment van de bevolking lijdt aan neurologische aandoeningen als dyslexie, ADHD en het syndroom van Asperger: klachten waar zestig jaar geleden niemand van had gehoord. Inmiddels staan er weer nieuwe aandoeningen op de nominatie voor de volgende editie van het DSM in 2012, zoals de relatiestoornis, seksueelgedragsstoornis en gameverslaving. De trend is overduidelijk en onrustbarend, met name in de Verenigde Staten, dat vooroploopt. Op ieder willekeurig moment heeft ruim een kwart van alle Amerikaanse volwassenen een diagnosticeerbare psychische aandoening. Naar mijn idee naderen we een tijdperk waarin ieder mens in meerdere of mindere mate aan een psychische stoornis van neurologische oorsprong lijkt te lijden.

Hoe is het zover gekomen? Een van de redenen ligt zonder meer in de enorme kennissprong van de laatste tientallen jaren met betrekking tot het menselijk brein. Ieder jaar verschijnen duizenden studies, die ons steeds meer informatie verschaffen over de exacte werking van de hersenen. Dat heeft ons inzicht in het mentaal functioneren van de mens radicaal veranderd en dat is een goede zaak die ik zeker niet wil bagatelliseren. Maar die vooruitgang is er volgens mij tegelijk verantwoordelijk voor dat wij een cultuur van stoornissen en beperkingen worden.

Het probleem is dat medische wetenschappers in hun benadering van de hersenen over het algemeen gefocust zijn op ziekte en niet zozeer op gezondheid en welzijn. De financiering voor hersenonderzoek gaat namelijk – en dat is heel begrijpelijk – naar de rammelende onderdelen. Zo is er een overvloed aan studies naar wat er precies mis is met de linkerhersenhelft van dyslectici. Maar er is weinig research gedaan naar een gebied in de rechterhersenhelft van dyslectici dat losse woord-associaties verwerkt en mogelijk de bron van dichterlijke inspiratie is.

Het nieuwe concept van neurodiversiteit biedt een evenwichtiger perspectief. In plaats van tot dusver gepathologiseerde bevolkingsgroepen als ‘beperkt’ te beschouwen, ligt bij neurodiversiteit de nadruk op anders-zijn. Mensen met dyslexie zijn vaak goed in driedimensionaal visualiseren (zie ook Ode 39, juli/augustus 2001). Mensen met ADHD hebben een andere, meer diffuse vorm van aandacht. Mensen met autisme kunnen beter omgaan met dingen dan met mensen.

Dit is niet, zoals sommigen misschien vermoeden, alleen maar een nieuwe vorm van politieke correctheid, zoals in ‘seriemoordenaars zijn anders-assertief’. Onderzoek uit de hersenwetenschap, evolutionaire psychologie, antropologie en sociologie wijst uit dat de verschillen reëel zijn en serieuze overweging verdienen.

Ik erken dat de hier genoemde stoornissen enorme problemen, leed en pijn met zich meebrengen. Het belang van het vaststellen van psychische aandoeningen, de juiste behandeling en de ontwikkeling van middelen voor preventie in de eerste levensjaren kan niet sterk genoeg worden benadrukt. Een nieuwe visie op een probleem verandert niet de omvang ervan.

Echter, een belangrijk ingrediënt voor de verlichting van dit lijden is het beklemtonen van de positieve dimensies van mensen die vanouds zijn gestigmatiseerd als minder dan normaal. Mijn eigen definitie van neurodiversiteit betreft het verkennen van zeven mentale stoornissen met een neurologische grondslag die representatief kunnen zijn voor alternatieve vormen van de natuurlijke verschillen tussen mensen: ADHD, autisme, dyslexie, stemmingsstoornissen, angststoornissen, verstandelijke beperkingen en schizofrenie.

Ik heb daarom zeven principes van neurodiversiteit ontwikkeld, die als wegwijzers kunnen dienen op deze verkenningstocht.

– 1 –

Het brein werkt meer als een ecosysteem dan als een machine

De voornaamste metafoor die de laatste vierhonderd jaar voor de werking van de hersenen is gebruikt is de machine. Het probleem met deze benadering is dat het menselijk brein geen machine is: het is een biologisch organisme. Miljoenen jaren evolutie hebben miljarden hersencellen gecreëerd, georganiseerd en verbonden in onvoorstelbaar complexe systemen van organiciteit. Het lichaam van een neuron of zenuwcel ziet eruit als een wijdvertakte exotische boom. Het elektrische geknetter van neurale netwerken lijkt op weerlicht in een woud. De golfbewegingen van neurotransmitters tussen de zenuwcellen doen denken aan de getijden van de zee. Net als een ecosysteem heeft het brein een enorm vermogen zich te transformeren als reactie op verandering. De studente Christina Santhouse in Pennsylvania was acht jaar toen hersenontsteking en de toevallen die ermee gepaard gingen het noodzakelijk maakten haar hele rechterhersenhelft te verwijderen. Niettemin slaagde ze met vlag en wimpel voor haar eindexamen en volgt inmiddels een studie. Haar linkerhersenhelft was in staat om, laten we zeggen, de zaak over te nemen, zodat ze praktisch normaal kan functioneren.

Nog een voorbeeld: er is een vorm van dementie die frontale hersengebieden vernietigt, waardoor patiënten hun spraakvermogen verliezen. Het gevolg is echter ook dat occipitale (in het achterhoofd gelegen) gebieden ter compensatie nog krachtiger kunnen functioneren, wat een stroom van creativiteit in de kunst of muziek op gang kan brengen. Juist omdat het menselijk brein eerder een ecosysteem is dan een machine is het terecht om, in plaats van een op ziekte gefocuste benadering of een mechanistisch model, het concept neurodiversiteit te hanteren waar het individuele verschillen tussen breinen betreft.

– 2 –

Mensen functioneren langs een verlopende schaal van competentie

Vroeger reed ik van mijn huis aan de Californische kust zo’n 450 kilometer landinwaarts naar Yosemite National Park om er in de weekends trektochten te maken. Onderweg zag ik dan de waterrijke kuststreek plaatsmaken voor de groene akkers van de landbouwrijke Central Valley, die zich op hun beurt transformeerden in de bruine heuvels van Gold County. Deze werden vervolgens hoger en hoger tot ik terechtkwam tussen torenhoge kliffen, op de bochtige wegen naar de indrukwekkende Yosemite Valley zelf. Wat me op deze reis trof, was hoe onmerkbaar de overgang van de ene streek naar de andere soms kan zijn. De groene akkers hielden niet plotseling op om plaats te maken voor de bruine heuvels. De heuvels werden niet abrupt bergen. Het gebeurde allemaal geleidelijk langs een verlopende schaal.

Op een vergelijkbare manier bestaan de verschillen tussen mensen met betrekking tot een bepaalde eigenschap – laten we zeggen: sociaal gevoel – langs een verlopende schaal. Aan het ene eind van deze schaal zijn er mensen die in een toestand van vrijwel totaal sociaal isolement leven. Dat zijn diegenen onder ons met de zwaarste vorm van autisme. Maar er is een spectrum van autistische stoornissen waar ook mensen met een grotere mate van sociabiliteit onder vallen, zoals mensen met het syndroom van Asperger. Volgen we deze lijn verder, dan kunnen we excentrieke individuen aantreffen met een ‘schaduwsyndroom’ die niet in aanmerking komen voor de diagnose autismespectrum-stoornis, maar zich toch afsluiten voor hun omgeving. Bij sommigen van hen zou je de diagnose ‘ontwijkende persoonlijkheidsstoornis’ kunnen stellen.

Bewegen we ons verder langs de schaal, dan zien we bijvoorbeeld mensen die wel goed met anderen kunnen omgaan, maar zeer introvert van temperament zijn en liever alleen willen zijn. Langzamerhand zien we een toenemende mate van sociabiliteit, tot we ten slotte bij de hoogsociale, en daaraan voorbij zelfs bij de overmatig sociale mens uitkomen. Waar het hier om gaat, is dat personen met een beperking niet bestaan als een ‘eiland van incompetentie’, totaal afgescheiden van ‘normale’ mensen. Ze functioneren veeleer langs een verlopende schaal van competentie, waarbij ‘normaal’ gedrag niet meer is dan een halte onderweg.

Dit is een belangrijk principe, omdat het bijdraagt aan de destigmatisering van mensen met een mentale stoornis van neurologische oorsprong. Wij hebben de neiging mensen met een diagnostisch etiket zo ver mogelijk bij ons vandaan te zetten. Een groot deel van de pijn die mensen met een mentale aandoening doormaken is het gevolg van dit soort vooringenomenheid. De wetenschap dat we allemaal met elkaar verbonden zijn, net als ecosystemen, betekent dat we veel toleranter moeten zijn voor mensen wier zenuwstelsel anders is georganiseerd dan het onze.

– 3 –

Competentie wordt gedefinieerd naar de waarden van de cultuur

Voor de Amerikaanse Burgeroorlog was er een arts in Louisiana, in het zuiden van de VS, genaamd Samuel A. Cartwright, die een artikel in het New Orleans Medical Journal publiceerde waarin hij beweerde een nieuwe geestesziekte te hebben ontdekt. Hij noemde die drapetomanie (afgeleid van het Griekse drapeto, ‘vluchten’, en mania, ‘obsessie’). Cartwright geloofde dat het een aandoening was waar weggelopen slaven aan leden en dat ‘met het juiste medische advies, mits strikt opgevolgd, deze hinderlijke neiging tot weglopen die veel negers hebben vrijwel geheel kan worden voorkomen’.

Tegenwoordig zien we zo’n soort diagnose als een staaltje van schaamteloos racisme. Toch ging het toentertijd door voor degelijke wetenschap. Maar minder lang geleden, in de jaren dertig van de vorige eeuw, werden mensen die laag scoorden op een intelligentietest nog beschouwd als debielen, imbecielen of zwakzinnigen, en homoseksualiteit werd door de Amerikaanse vereniging van psychiaters zelfs tot begin jaren zeventig gezien als een psychische stoornis. Dit zijn slechts een paar voorbeelden die illustreren hoe vermeende ‘psychische aandoeningen’ de waarden van een willekeurig sociaal en historisch tijdperk weerspiegelen.

Wij mogen graag denken dat ons huidige assortiment van mentale stoornissen vrij is van dergelijke waardeoordelen, maar als we over vijfentwintig of vijftig jaar terugkijken op de psychiatrische diagnoses van vandaag, zullen we er ongetwijfeld het stevige stempel van onze huidige vooroordelen op gedrukt zien. Misschien is het nog te vroeg om te bekijken welke vooroordelen dat precies zullen zijn, maar mijns inziens is een van de redenen waarom al deze psychische aandoeningen door onze samenleving als abnormaal worden gedefinieerd dat ze inbreuk maken op een of meer belangrijke sociale waarden of deugden. Door nauwkeurig te specificeren welke vormen van menselijk gedrag staan voor abnormaal functioneren, houdt de maatschappij in wezen die sociale waarden hoog die zij als onschendbaar beschouwt.

In Amerika, bijvoorbeeld, lijkt ADHD het protestantse arbeidsethos te schenden. Dyslexie druist in tegen onze overtuiging dat alle kinderen moeten lezen. In de agrarische samenleving van honderdvijftig jaar geleden werd alleen een bevoorrechte minderheid geacht geletterd te zijn. Maar met de komst van de algemene leerplicht kwam het mandaat dat iedereen moest leren lezen; wie daar problemen mee had, werd als afwijkend gezien.

– 4 –

Of je als begaafd of beperkt wordt beschouwd, is afhankelijk van wanneer en waar je leeft

Geen enkel brein bestaat in een sociaal vacuüm. Elk brein functioneert binnen een specifieke culturele setting en een bepaalde historische periode die zijn competentieniveau definiëren. Ook definieert elke beschaving zijn eigen vormen van begaafdheid. In oude culturen die voor hun sociale cohesie afhankelijk waren van religieuze rituelen waren de schizofrenen (die de stemmen van de goden hoorden) of de dwangneurotici (die de nauwkeurig voorgeschreven rituelen uitvoerden) misschien wel de hoogvliegers. Zelfs in de wereld van vandaag is het kennelijk cruciaal om op het juiste moment op de juiste plaats te zijn als het gaat om de definitie van begaafdheid dan wel beperking.

Een van de dingen die mij zijn opgevallen in mijn werk als remedial teacher is dat de kinderen die ik ondersteun meestal het zwakst zijn in de zaken die de school het hoogst aanslaat (lezen, schrijven en rekenen, toetsen maken, regels volgen) en het sterkst in die dingen die voor de school het minst tellen (kunst, muziek, natuur, fysieke vaardigheden, bijdehandheid). Dan oordeelt de maatschappij dus dat ze een aandachtstekortstoornis of leerstoornis hebben en worden ze uiteindelijk gedefinieerd door wat ze niet kunnen in plaats van door wat ze wel kunnen.

– 5 –

Succes is gebaseerd op aanpassing van het brein aan de behoeften van de samenleving

Het is nu eenmaal zo dat mensen moeten leven in de complexe en hectische wereld van vandaag, die van hen eist dat ze sociaal zijn, kunnen lezen, rationeel denken, regels volgen, proeven afleggen, een prettig karakter hebben en zich conformeren aan andere duidelijk gedefinieerde manieren en handelwijzen. Succesvol zijn in de wereld betekent dus in belangrijke mate aanpassing, niet aan een leefomgeving die duizenden jaren geleden bestond of een die er eigenlijk nu zou moeten zijn, maar het milieu dat we krijgen toebedeeld.

In deze context kunnen we nog een metafoor aan de biodiversiteit ontlenen wanneer we onderkennen dat alle dieren en planten van nu zijn geëvolueerd uit voorouders die er, vaak via de toevalstreffer van een genetische mutatie, in zijn geslaagd zich in de loop van miljoenen jaren aan te passen aan veranderende omstandigheden. In de wereld van nu hebben we geen tijd om te zitten wachten op een toevalsmutatie. Willen we overleven, dan moeten we alle mogelijkheden aangrijpen om ons aan te passen aan het omringende milieu.

Veel conventionele benaderingen waarmee de hier genoemde stoornissen worden behandeld, zijn in wezen van dat adaptieve type. Ze helpen mensen met een diagnostisch etiket om zich zo goed mogelijk aan te passen aan het ‘neuroprototype’. Het beste voorbeeld van deze adaptieve benadering is het gebruik van psychofarmaca. Middelen als Ritalin, Prozac en Zyprexa zijn van onschatbare waarde gebleken om mensen met ADHD, depressiviteit en schizofrenie te helpen functioneren in de werkelijkheid. Ook bepaalde medicatievrije strategieën, zoals gedragsmodificatie, vertegenwoordigen een manier om neurodiverse mensen te helpen bij hun aanpassing aan een conventioneel milieu. Maar wat vaak in dit geheel ontbreekt, zijn strategieën die erop zijn gericht een omgeving te ontdekken die aansluit bij het unieke brein van de neurodiverse mens.

– 6 –

Succes hangt af van aanpassing van de omgeving aan de behoeften van het brein

Het individu heeft zich weliswaar aan te passen aan de wereld die hem omringt, maar het is ook een feit dat de wereld groot is en dat er binnen die complexe cultuur van ons allerlei subculturen of ‘microhabitats’ voorkomen, die verschillende leefeisen stellen. Als mensen binnen dit grote levensweb nu hun eigen ‘niche’ kunnen ontdekken, een eigen onderdeeltje binnen hun biotoop, zijn ze wellicht in staat succesvol te zijn op hun eigen voorwaarden.

In feite zijn we allemaal constant bezig onze omgeving te veranderen om dergelijke niches voor onszelf te creëren. De bever die een dam bouwt en de spin die een web weeft houden zich bezig met nicheconstructie, net als de vogel die een nest bouwt of een konijn dat een hol graaft. Dieren die migreren zijn op zoek naar een gunstige niche om in te kunnen gedijen.

Wetenschappers beseffen nog maar sinds kort dat nicheconstructie misschien wel even belangrijk voor de evolutie is als natuurlijke selectie. Voor neurodiverse mensen kan dat betekenen dat zij, in plaats van zich altijd te moeten aanpassen aan een statisch, vast en ‘normaal’ milieu, in staat worden gesteld het omringende milieu te veranderen zodat het tegemoetkomt aan hun eigen, unieke brein. Op die manier kunnen ze zich veel meer ontplooien tot wie ze eigenlijk zijn.

Een goed voorbeeld van nicheconstructie voor de mens is al voorhanden. Volgens onderzoek van Simon Baron-Cohen, psycholoog aan de universiteit van Cambridge, zijn mensen met aandoeningen binnen het autismespectrum eerder systematisch dan empathisch ingesteld. Hoewel overduidelijk is dat ze de omgang met anderen en het uitvoeren van andere interpersoonlijke taken (empathiseren) moeilijk vinden, is minder bekend dat ze vaak buitengewoon goed overweg kunnen met niet-menselijke elementen als apparaten, computers, schema’s, landkaarten en andere systemen.

De computerindustrie heeft graag mensen die alleen werken aan hun eigen werkstation, met gebruikmaking van programmeertaal en andere systemen. Verhuizen naar Silicon Valley lijkt dus een goede loopbaanverandering voor iemand met hoogfunctionerend autisme, en een uitstekend voorbeeld van persoonlijke nicheconstructie. Interessant feit is dat er in en rond Silicon Valley in Californië een groter percentage mensen met een autismespectrum-stoornis blijkt te wonen dan in de rest van Amerika.

– 7 –

Nicheconstructie veroorzaakt veranderingen in het brein, dat zich daardoor leert aanpassen

Eind jaren zestig van de vorige eeuw hielden biologisch psycholoog Mark Rosenzweig en neuroanatoom Marian Diamand van de universiteit van Californië in Berkeley een experiment dat van cruciaal belang bleek voor de neuropsychologie. Ze plaatsten ratten langere tijd in verschillende omgevingen (of ‘niches’). Sommige ratten zaten in een ‘verrijkte’ omgeving, die bestond uit grote kooien met doolhoven, ladders, tredmolens en andere toestellen die prikkelden tot activiteit. Andere ratten werden in een standaardomgeving geplaatst, waar ze alleen of met een of twee soortgenoten zaten en niet beschikten over stimulerende activiteiten.

Na een aantal weken werden de hersenen van de ratten ontleed en bestudeerd. Rosenzweig en Diamand ontdekten dat de hersenen van de ratten in de verrijkte kooien meer synapsen – verbindingen tussen de zenuwcellen – hadden dan die in de minder stimulerende kooien. De ervaring in de stimulerende omgeving bleek de hersenstructuur van de ratten rechtstreeks te hebben veranderd.

Sindsdien zijn we heel wat wijzer geworden over de krachtige invloed van de omgeving op hersenontwikkeling, in het bijzonder in de eerste levensjaren. We weten dat een sterk problematische omgeving (inclusief gezinsconflicten en criminaliteit van de ouders) een groter risico op ADHD met zich meebrengt. We weten dat jonge kinderen die een depressie hebben gehad meer risico lopen op een tweede episode vanwege het kindling-effect, dat inhoudt dat het emotionele trauma van de eerste depressie een verandering in de chemie van de hersenen aanwakkert, waardoor de kans op een volgende episode toeneemt.

Aan de positieve kant weten we dat een kind met autisme bij een vroege interventie aanzienlijk meer kans heeft op verbetering van zijn sociaal functioneren en dat een warme thuisomgeving in de kinderjaren een buffer tegen depressiviteit biedt.

Deze onderzoeksresultaten bieden nog een belangrijke motivatie voor positieve nicheconstructie: het kan letterlijk de hersenen veranderen. De hersenen van kinderen in de eerste levensjaren zijn bij uitstek ‘plastisch’, ontvankelijk voor prikkels van de omgeving. Daarom zou voor ouders en verzorgers van neurodiverse kinderen nicheconstructie in de eerste levensjaren de hoogste prioriteit moeten hebben.

Zo hebben emotioneel gevoelige kinderen met een genetische kwetsbaarheid voor depressiviteit of angsten een veilige, warme en stabiele thuisomgeving en school nodig. Kinderen met een leerbeperking (die met andere woorden ‘andersbegaafd’ zijn), hebben behoefte aan een stimulerende leeromgeving die hen helpt hun vaardigheden te ontwikkelen. Kinderen met autisme zouden gelegenheid moeten krijgen voor zinvolle sociale interactie.

Verzorgers zouden nicheconstructie kunnen opvatten als een soort ‘speciale behandeling’ voor het brein van het kind, om het te helpen de positieve kanten te maximaliseren en de negatieve te minimaliseren, zodat het zich leert aanpassen aan de leefomgeving en zich tegelijkertijd optimaal ontplooit.

Het is met dit pleidooi voor het nieuwe concept van neurodiversiteit niet mijn opzet psychische aandoeningen te romantiseren. Door de aandacht te vestigen op de ‘verborgen sterke kanten’ van mentale aandoeningen, probeer ik niet de schade die deze stoornissen doen te ontkennen. Ik zeg niet dat het eigenlijk geen stoornissen zijn, of dat we door ze ‘neurodivers’ te noemen het leed wegnemen. Dat is uiteraard onmogelijk.

Maar focussen op de positieve kanten heeft zijn waarde. De term neurodiversiteit is geen sentimenteel trucje om mensen met een psychische aandoening en hun zorgverleners ‘een goed gevoel’ te geven over hun klachten. Het is juist een krachtig concept, geruggensteund door substantieel onderzoek uit de hersenwetenschap, evolutionaire psychologie, antropologie en andere gebieden die onze visie op psychische aandoeningen radicaal kunnen veranderen.

Met een enorme campagne over de sterke kanten van mensen met een psychische stoornis zou wellicht een deel van de vooroordelen ontzenuwd kunnen worden. Ook lijkt het mij therapeutisch zinvol dat mensen met een psychische aandoening (en hun zorgverleners) zich zelf even veel – zo niet meer – op hun positieve kanten richten als op de negatieve.

Erkenning van onze eigen sterke eigenschappen bouwt ons zelfvertrouwen op, geeft ons de moed om onze dromen na te jagen en bevordert de ontwikkeling van specifieke vaardigheden die een diepe voldoening in het leven kunnen schenken. Dit creëert een positieve feedback-lus die tegengas geeft aan de vicieuze cirkel waarin mensen met een psychische stoornis zich als gevolg van hun beperkingen helaas maar al te vaak bevinden.

Mijn hoop is dat mensen met neurodiverse hersenen, net als minderheden die overal ter wereld hun vrijheid hebben verworven, uit hun misère worden getild en hulp krijgen om waardigheid, integriteit en heelheid in hun leven te vinden.

Dorien Kok
http://I-Carus.info

Oktober 2013: Met toestemming, onder voorwaarde bronvermelding, overgenomen uit Ode Magazine 125 april/mei 2010 issue.

Mogen peuters nog peuteren en kleuters nog kleuteren

Peuter kleuterArtikel uit de Wereld van het Jonge Kind van Sieneke Goorhuis-Brouwer uit 2006. Ondanks verschijningsdatum nog zeer actueel.

De misvatting dat peuters en kleuters al leerlingen zijn.

Sieneke Goorhuis-Brouwer geeft hierin aan:

In het onderwijs een doorgaande lijn maken voor kinderen van vier tot twaalf jaar kan problematisch zijn. Kinderen tot een jaar of zeven zitten qua ontwikkeling nog in een fase waarin zij niet per definitie toe zijn aan het schoolse leren. Daarmee moet rekening worden gehouden in het onderwijsaanbod.

In de huidige maatschappij zijn kinderen, zelfs peuters en kleuters, producten geworden, in die zin dat ze moeten voldoen aan allerlei normen. De prestaties van alle kinderen samen leveren het onderwijsproduct op. Van diverse kanten worden jonge kinderen in de gaten gehouden en gescreend, getoetst of behandeld teneinde ontwikkelingsachterstanden te voorkomen.

De wens tot voorkomen en bestrijden van achterstanden leidt er ook toe dat scholen de opdracht krijgen om rendement te leveren. Door de overheid gestelde doelen dienen bereikt te worden en scholen worden op hun output beoordeeld.

Om vast te stellen of een kind een mogelijke ontwikkelingsachterstand heeft en om vast te stellen of een school wel voldoende leeropbrengst biedt, moet getoetst worden.

Het toetsen van jonge kinderen heeft hiermee een tweeledig doel. Enerzijds wordt getoetst om te weten of een kind extra aandacht nodig heeft, anderzijds wordt getoetst of de school wel een ‘goede’ school is. Dit lijkt een spagaat waaraan kinderen onderdoor kunnen gaan. Dit mede omdat de leerkrachten gespannen raken over de doelen die ze moeten bereiken, met als gevolg een negatief effect op de spontane interactie met het kind

Binnen de klinische praktijk neemt het aantal jonge kinderen met ontwikkelingsstoornissen opvallend toe. Ook blijft er een toeloop van kinderen naar het speciaal basisonderwijs, waarbij vooral het grote aantal kinderen met gedragsproblemen opvalt. Ook jongere kinderen (21 maanden tot vier jaar) vertonen al veelvuldig gedragsproblemen (Reijneveld e.a., 2005).

Bestaat er een verband tussen het moeten ondergaan van vroege remediërende programma’s en het ontstaan van gedragsproblemen?

Natuurlijk moeten kinderen goed geobserveerd worden, zodat aangesloten kan worden bij hun eigenheid. Maar als het een beetje anders is dan anders, is er dan een afwijking?

Kinderen krijgen soms meerdere therapieën tegelijk, omdat er door deskundigen steeds naar een klein stukje van de ontwikkeling wordt gekeken. Het jonge kind lijkt opgedeeld in motoriek, cognitie, taal en sociaal-emotionele ontwikkeling.

Een tabel in het artikel geeft duidelijk de ontwikkelingsdomeinen weer met de bijbehorende vaardigheden en denkpatronen in bepaalde leeftijdsfasen. Een tweede tabel schets de voorwaarden voor de stimulans van de vroegkinderlijke ontwikkeling.

Lees het gehele artikel hier. (download)

Verschil in snelheid van informatieverwerking tussen tienerjongens en -meisjes.

Snelheid van informatieverwerking is een factor die belangrijk is voor veel schoolse taken. Op een schooldag worden leerlingen met veel informatie geconfronteerd, en de snelheid en efficiëntie waarmee ze die verwerken is medebepalend voor hoe goed zij kunnen presteren. Er is onderzocht of er tijdens de vroege adolescentie verschillen zijn tussen jongens en meisjes in de efficiëntie waarmee ze informatie kunnen verwerken. Deelnemers aan het onderzoek waren 306 adolescenten uit de brugklas en derde klas van het voortgezet onderwijs (respectievelijk 13 en 15 jaar oud). Zij maakten een zogenaamde substitutie taak, waarin ze een letter-cijfer koppeling leren en binnen een gegeven tijdsinterval zoveel mogelijk van deze letter-cijfer koppelingen invullen. De resultaten lieten zien dat leerlingen uit de derde klas beter op deze taak presteerden dan leerlingen in de brugklas. Onafhankelijk van leeftijd waren meisjes beter in deze taak dan jongens. Daarnaast was er een effect van opleidingsniveau: leerlingen van het vwo presteerden beter dan leerlingen van de havo. Schoolcijfers waren niet gerelateerd aan de snelheid van informatieverwerking. Hieruit blijkt dat niet de schoolcijfers, maar de leerling-karakteristieken zoals leeftijd, geslacht en opleidingsniveau voorspellend zijn voor de efficiëntie waarmee informatie wordt verwerkt.

Dit is de samenvatting van het artikel van Dekker et al in Frontiers in Psychology 2013.

Dekker, S., Krabbendam, L., Aben, A., de Groot, R. H. M., & Jolles, J. (2013). Coding task performance in early adolescence: A large-scale controlled study into boy-girl differences. Frontiers in Psychology, 4:550. doi: 10.3389/fpsyg.2013.00550

Download hier gratis het onderzoek. Sanne promoveerde op 1 november 2013 onder andere op dit onderzoek (VU).

De blog van Jelle Jolles over dit onderzoek is hier te lezen.

Oproep ouders/scholen vervolgonderzoek dyslexie en hoogbegaafdheid UU

Universiteit UtrechtAan de Faculteit Sociale Wetenschappen van de Universiteit Utrecht is in september 2012 een grootschalig onderzoek gestart naar dyslexie bij hoogbegaafde kinderen. Dyslexie is een aanhoudend en ernstig probleem met de technische leesvaardigheid. Eén van de grootste problemen met betrekking tot hoogbegaafdheid is dat veel van deze kinderen (te) laat of helemaal niet worden herkend. Dit probleem is vooral nijpend wanneer kinderen niet alleen hoogbegaafd zijn, maar ook een specifiek leerprobleem hebben, zoals dyslexie. Hierdoor blijft veelal adequate ondersteuning voor deze kinderen uit. Dit onderzoek wordt mede uitgevoerd om hier verandering in te brengen.

Naar verwachting krijgen hoogbegaafde kinderen met dyslexie doorgaans pas echt problemen wanneer zij een vreemde taal gaan leren. Voor dit onderzoek zijn we daarom op zoek naar kinderen die aankomend schooljaar in de eerste of de tweede klas van het voortgezet onderwijs zitten (geboren tussen 1999 en 2002). Kinderen van alle niveaugroepen kunnen in aanmerking komen om deel te nemen aan het onderzoek. De specifieke onderzoeksgroepen die gevormd gaan worden zijn (1) hoogbegaafd/dyslexie, (2) hoogbegaafd, (3) dyslexie en (4) gemiddeld/geen leerproblemen.

Bij de deelnemende leerlingen zullen een aantal testjes worden afgenomen, om zo meer zicht te krijgen op hun intelligentie en lees- en spellingvaardigheid in het Nederlands en Engels. Daarnaast zal worden gekeken naar onderliggende factoren, zoals geheugen en algemene taalvaardigheid. Het onderzoek vindt thuis of op school plaats en zal per kind in totaal ongeveer 1,5 uur duren. De testdatum en locatie worden in overleg met de ouders/school vastgesteld. Het onderzoek zal worden uitgevoerd door een orthopedagoog in opleiding die beschikt over de benodigde ervaring met het afnemen van deze testen. Sommige kinderen zullen recent al zijn gescreend of onderzocht door een officiële instantie. Indien deze gegevens bruikbaar zijn voor dit onderzoek, kan de testafname worden ingekort.

Na afloop kunnen de ouders en/of de leerkracht, indien gewenst, een overzicht van de onderzoeksresultaten krijgen, inclusief advies. Op basis van de onderzoeksresultaten kunnen echter geen  diagnoses gesteld worden. Mochten wij duidelijke aanwijzingen vinden voor een leerstoornis en/of hoogbegaafdheid, dan zullen we het kind doorverwijzen naar een onderzoeksinstituut voor (verkort) aanvullend of vervolg onderzoek.

Alle gegevens die bij dit onderzoek worden verkregen, zullen als vanzelfsprekend anoniem worden verwerkt. Door deel te nemen aan dit onderzoek kunt u als school niet alleen een bijdrage leveren aan de wetenschap, maar ook indirect (hoog)begaafde kinderen met leerproblemen helpen. Wij hopen daarom dat we op uw medewerking mogen rekenen!

U kunt zich aanmelden door het aanmeldingsformulier op te sturen naar hbdys@uu.nl of door het aanmeldingsformulier in te vullen op onze website[1]. Mocht u vragen hebben, dan kunt u contact opnemen door een mail te sturen naar S.vanViersen@uu.nl of E.H.Kroesbergen@uu.nl.

Met vriendelijke groet,

Lilian Kalee (stagiaire), MSc. Sietske van Viersen en Dr. Evelyn Kroesbergen

Let op!

Ouders: Voor de individuele kinderen geldt dat we het liefst hebben dat er ooit al intelligentie en/of dyslexieonderzoek is gedaan. De ervaring leert dat er anders later toch veel kinderen moeten worden uitgesloten. Ook als de geldigheid van het onderzoek al is verlopen, is het nog steeds van toegevoegde waarde voor ons.

Scholen: De eisen die we stellen aan scholen is dat er dyslexiescreening wordt gedaan (in ieder geval in de 1e en 2e klas). Op basis van deze screening is het voor ons gemakkelijker om kinderen te selecteren voor de verschillende onderzoeksgroepen. Verder hebben scholen met alle niveaus (vmbo, havo, atheneum, gymnasium) onze voorkeur. Wellicht moeten we op een later punt nog op zoek naar meer hoogbegaafde kinderen, dit kan dan via de categorale gymnasia.

Onderzoeksrapport: ‘Slimme leerlingen krijgen extra stof, maar geen extra aandacht’

RUG - Gion

 

 

GION Onderzoek: Omgaan met excellente leerlingen in de dagelijkse onderwijspraktijk

Dr. Simone Doolaard Dr. Truus Harms – februari 2013

De volgende onderzoeksvraag stond centraal:

– Welke activiteiten ondernemen scholen om excellentie (niet alleen cognitief opgevat) bij leerlingen te bevorderen en is er een samenhang met de ontwikkeling van leerlingen?

Deelvragen:

– Op welke dimensies onderscheiden leerkrachten talenten bij leerlingen en welke instrumenten zetten ze vervolgens in om deze daadwerkelijk te kunnen onderscheiden?

– Welke talenten onderscheiden ouders bij hun kinderen, en hoe vinden ze dat het onderwijs daarmee omgaat?

– Hoe vindt differentiatie gericht op het omgaan met bijzondere talenten in de dagelijkse onderwijspraktijk plaats?

– Hoe ervaren betrokken leerlingen de speciale onderwijsarrangementen?

– Wat zijn de gevolgen voor de ontwikkeling van de betrokken leerlingen?

Lees het volledige onderzoeksrapport hier.

Conclusies en aanbevelingen vanaf blz 109.

Onderzoek naar de visueel-ruimtelijke en verbale informatieverwerking bij hoogbegaafde kinderen

Universiteit Utrecht

Update 26 maart: er zijn ongelofelijk veel aanmeldingen binnen gekomen. Daarom is er nu een aanmeldingstop. Er is alleen nog behoefte aan aanmeldingen uit de omgeving Breda. Iedereen hartelijk dank voor het doorsturen van dit bericht!

Ook bij hoogbegaafde kinderen is er soms sprake van leerproblemen. Worden deze veroorzaakt door een manier van leren die afwijkt van het reguliere onderwijs aanbod?

Deze vraag heb ik neergelegd bij de Universiteit van Utrecht in reactie op hun onderzoek naar dyslexie en hoogbegaafdheid.

In navolging hiervan verzoek ik jullie om medewerking bij het volgende onderzoek:

“Hoogbegaafdheid en beelddenken”

Onderzoek naar de visueel-ruimtelijke en verbale informatieverwerking bij hoogbegaafde kinderen

Dit onderzoek van de faculteit Sociale Wetenschappen – Universiteit van Utrecht loopt van maart 2013 tot juni 2013.

Het doel van het onderzoek

Er is de laatste tijd vrij veel aandacht voor ‘beelddenken’, met name onder hoogbegaafde kinderen. Er is echter nog weinig wetenschappelijk onderzoek gedaan naar dit fenomeen. In huidig onderzoek is het de bedoeling dat een groep hoogbegaafde kinderen wordt vergeleken met een groep normaal presterende kinderen, om verschillen in visueel-ruimtelijk en verbaal leren te verkennen.

De doelgroep

Voor dit onderzoek zijn wij op zoek naar kinderen uit groep 4, 5 en 6 (geboren in 2003, 2004 of 2005), met gemiddelde intelligentie of waarbij hoogbegaafdheid is vastgesteld (totale intelligentiescore minimaal >;130).

Wat vragen we van het kind?

Het kind zal eenmalig thuis of op school worden onderzocht tijdens een ongeveer 60 minuten durende testafname. Bij de deelnemers zullen verschillende testen worden afgenomen op het gebied van visueel-ruimtelijke en verbale taken. Als er recente relevante testresultaten (bijvoorbeeld IQ onderzoek) beschikbaar zijn dan maken we daar graag gebruik van.

Wat bieden wij?

Na de testafname zijn er gegevens bekend over het cognitieve vermogen van het kind. We kunnen geen diagnoses stellen (zoals hoogbegaafdheid), maar kunnen op basis van de gegevens wel handvatten geven voor het ondersteunen van het kind in zijn/haar leren.

Wat vragen we van ouders?

Van ouders vragen wij toestemming voor deelname van uw kind aan het onderzoek.

Om het onderzoek te vergemakkelijken zoeken we ook graag contact met scholen die bestaan uit een combinatie van een reguliere en een HB afdeling. Onderzoek zal dan in school plaatsvinden.

Wilt u meer informatie of uzelf opgeven? Dan kunt u kunt contact opnemen met mij via mail op l.m.vannijnatten@students.uu.nl.