Categorie archief: Onderzoek

Verschil in snelheid van informatieverwerking tussen tienerjongens en -meisjes.

Snelheid van informatieverwerking is een factor die belangrijk is voor veel schoolse taken. Op een schooldag worden leerlingen met veel informatie geconfronteerd, en de snelheid en efficiëntie waarmee ze die verwerken is medebepalend voor hoe goed zij kunnen presteren. Er is onderzocht of er tijdens de vroege adolescentie verschillen zijn tussen jongens en meisjes in de efficiëntie waarmee ze informatie kunnen verwerken. Deelnemers aan het onderzoek waren 306 adolescenten uit de brugklas en derde klas van het voortgezet onderwijs (respectievelijk 13 en 15 jaar oud). Zij maakten een zogenaamde substitutie taak, waarin ze een letter-cijfer koppeling leren en binnen een gegeven tijdsinterval zoveel mogelijk van deze letter-cijfer koppelingen invullen. De resultaten lieten zien dat leerlingen uit de derde klas beter op deze taak presteerden dan leerlingen in de brugklas. Onafhankelijk van leeftijd waren meisjes beter in deze taak dan jongens. Daarnaast was er een effect van opleidingsniveau: leerlingen van het vwo presteerden beter dan leerlingen van de havo. Schoolcijfers waren niet gerelateerd aan de snelheid van informatieverwerking. Hieruit blijkt dat niet de schoolcijfers, maar de leerling-karakteristieken zoals leeftijd, geslacht en opleidingsniveau voorspellend zijn voor de efficiëntie waarmee informatie wordt verwerkt.

Dit is de samenvatting van het artikel van Dekker et al in Frontiers in Psychology 2013.

Dekker, S., Krabbendam, L., Aben, A., de Groot, R. H. M., & Jolles, J. (2013). Coding task performance in early adolescence: A large-scale controlled study into boy-girl differences. Frontiers in Psychology, 4:550. doi: 10.3389/fpsyg.2013.00550

Download hier gratis het onderzoek. Sanne promoveerde op 1 november 2013 onder andere op dit onderzoek (VU).

De blog van Jelle Jolles over dit onderzoek is hier te lezen.

Oproep ouders/scholen vervolgonderzoek dyslexie en hoogbegaafdheid UU

Universiteit UtrechtAan de Faculteit Sociale Wetenschappen van de Universiteit Utrecht is in september 2012 een grootschalig onderzoek gestart naar dyslexie bij hoogbegaafde kinderen. Dyslexie is een aanhoudend en ernstig probleem met de technische leesvaardigheid. Eén van de grootste problemen met betrekking tot hoogbegaafdheid is dat veel van deze kinderen (te) laat of helemaal niet worden herkend. Dit probleem is vooral nijpend wanneer kinderen niet alleen hoogbegaafd zijn, maar ook een specifiek leerprobleem hebben, zoals dyslexie. Hierdoor blijft veelal adequate ondersteuning voor deze kinderen uit. Dit onderzoek wordt mede uitgevoerd om hier verandering in te brengen.

Naar verwachting krijgen hoogbegaafde kinderen met dyslexie doorgaans pas echt problemen wanneer zij een vreemde taal gaan leren. Voor dit onderzoek zijn we daarom op zoek naar kinderen die aankomend schooljaar in de eerste of de tweede klas van het voortgezet onderwijs zitten (geboren tussen 1999 en 2002). Kinderen van alle niveaugroepen kunnen in aanmerking komen om deel te nemen aan het onderzoek. De specifieke onderzoeksgroepen die gevormd gaan worden zijn (1) hoogbegaafd/dyslexie, (2) hoogbegaafd, (3) dyslexie en (4) gemiddeld/geen leerproblemen.

Bij de deelnemende leerlingen zullen een aantal testjes worden afgenomen, om zo meer zicht te krijgen op hun intelligentie en lees- en spellingvaardigheid in het Nederlands en Engels. Daarnaast zal worden gekeken naar onderliggende factoren, zoals geheugen en algemene taalvaardigheid. Het onderzoek vindt thuis of op school plaats en zal per kind in totaal ongeveer 1,5 uur duren. De testdatum en locatie worden in overleg met de ouders/school vastgesteld. Het onderzoek zal worden uitgevoerd door een orthopedagoog in opleiding die beschikt over de benodigde ervaring met het afnemen van deze testen. Sommige kinderen zullen recent al zijn gescreend of onderzocht door een officiële instantie. Indien deze gegevens bruikbaar zijn voor dit onderzoek, kan de testafname worden ingekort.

Na afloop kunnen de ouders en/of de leerkracht, indien gewenst, een overzicht van de onderzoeksresultaten krijgen, inclusief advies. Op basis van de onderzoeksresultaten kunnen echter geen  diagnoses gesteld worden. Mochten wij duidelijke aanwijzingen vinden voor een leerstoornis en/of hoogbegaafdheid, dan zullen we het kind doorverwijzen naar een onderzoeksinstituut voor (verkort) aanvullend of vervolg onderzoek.

Alle gegevens die bij dit onderzoek worden verkregen, zullen als vanzelfsprekend anoniem worden verwerkt. Door deel te nemen aan dit onderzoek kunt u als school niet alleen een bijdrage leveren aan de wetenschap, maar ook indirect (hoog)begaafde kinderen met leerproblemen helpen. Wij hopen daarom dat we op uw medewerking mogen rekenen!

U kunt zich aanmelden door het aanmeldingsformulier op te sturen naar hbdys@uu.nl of door het aanmeldingsformulier in te vullen op onze website[1]. Mocht u vragen hebben, dan kunt u contact opnemen door een mail te sturen naar S.vanViersen@uu.nl of E.H.Kroesbergen@uu.nl.

Met vriendelijke groet,

Lilian Kalee (stagiaire), MSc. Sietske van Viersen en Dr. Evelyn Kroesbergen

Let op!

Ouders: Voor de individuele kinderen geldt dat we het liefst hebben dat er ooit al intelligentie en/of dyslexieonderzoek is gedaan. De ervaring leert dat er anders later toch veel kinderen moeten worden uitgesloten. Ook als de geldigheid van het onderzoek al is verlopen, is het nog steeds van toegevoegde waarde voor ons.

Scholen: De eisen die we stellen aan scholen is dat er dyslexiescreening wordt gedaan (in ieder geval in de 1e en 2e klas). Op basis van deze screening is het voor ons gemakkelijker om kinderen te selecteren voor de verschillende onderzoeksgroepen. Verder hebben scholen met alle niveaus (vmbo, havo, atheneum, gymnasium) onze voorkeur. Wellicht moeten we op een later punt nog op zoek naar meer hoogbegaafde kinderen, dit kan dan via de categorale gymnasia.

Onderzoeksrapport: ‘Slimme leerlingen krijgen extra stof, maar geen extra aandacht’

RUG - Gion

 

 

GION Onderzoek: Omgaan met excellente leerlingen in de dagelijkse onderwijspraktijk

Dr. Simone Doolaard Dr. Truus Harms – februari 2013

De volgende onderzoeksvraag stond centraal:

– Welke activiteiten ondernemen scholen om excellentie (niet alleen cognitief opgevat) bij leerlingen te bevorderen en is er een samenhang met de ontwikkeling van leerlingen?

Deelvragen:

– Op welke dimensies onderscheiden leerkrachten talenten bij leerlingen en welke instrumenten zetten ze vervolgens in om deze daadwerkelijk te kunnen onderscheiden?

– Welke talenten onderscheiden ouders bij hun kinderen, en hoe vinden ze dat het onderwijs daarmee omgaat?

– Hoe vindt differentiatie gericht op het omgaan met bijzondere talenten in de dagelijkse onderwijspraktijk plaats?

– Hoe ervaren betrokken leerlingen de speciale onderwijsarrangementen?

– Wat zijn de gevolgen voor de ontwikkeling van de betrokken leerlingen?

Lees het volledige onderzoeksrapport hier.

Conclusies en aanbevelingen vanaf blz 109.

Onderzoek naar de visueel-ruimtelijke en verbale informatieverwerking bij hoogbegaafde kinderen

Universiteit Utrecht

Update 26 maart: er zijn ongelofelijk veel aanmeldingen binnen gekomen. Daarom is er nu een aanmeldingstop. Er is alleen nog behoefte aan aanmeldingen uit de omgeving Breda. Iedereen hartelijk dank voor het doorsturen van dit bericht!

Ook bij hoogbegaafde kinderen is er soms sprake van leerproblemen. Worden deze veroorzaakt door een manier van leren die afwijkt van het reguliere onderwijs aanbod?

Deze vraag heb ik neergelegd bij de Universiteit van Utrecht in reactie op hun onderzoek naar dyslexie en hoogbegaafdheid.

In navolging hiervan verzoek ik jullie om medewerking bij het volgende onderzoek:

“Hoogbegaafdheid en beelddenken”

Onderzoek naar de visueel-ruimtelijke en verbale informatieverwerking bij hoogbegaafde kinderen

Dit onderzoek van de faculteit Sociale Wetenschappen – Universiteit van Utrecht loopt van maart 2013 tot juni 2013.

Het doel van het onderzoek

Er is de laatste tijd vrij veel aandacht voor ‘beelddenken’, met name onder hoogbegaafde kinderen. Er is echter nog weinig wetenschappelijk onderzoek gedaan naar dit fenomeen. In huidig onderzoek is het de bedoeling dat een groep hoogbegaafde kinderen wordt vergeleken met een groep normaal presterende kinderen, om verschillen in visueel-ruimtelijk en verbaal leren te verkennen.

De doelgroep

Voor dit onderzoek zijn wij op zoek naar kinderen uit groep 4, 5 en 6 (geboren in 2003, 2004 of 2005), met gemiddelde intelligentie of waarbij hoogbegaafdheid is vastgesteld (totale intelligentiescore minimaal >;130).

Wat vragen we van het kind?

Het kind zal eenmalig thuis of op school worden onderzocht tijdens een ongeveer 60 minuten durende testafname. Bij de deelnemers zullen verschillende testen worden afgenomen op het gebied van visueel-ruimtelijke en verbale taken. Als er recente relevante testresultaten (bijvoorbeeld IQ onderzoek) beschikbaar zijn dan maken we daar graag gebruik van.

Wat bieden wij?

Na de testafname zijn er gegevens bekend over het cognitieve vermogen van het kind. We kunnen geen diagnoses stellen (zoals hoogbegaafdheid), maar kunnen op basis van de gegevens wel handvatten geven voor het ondersteunen van het kind in zijn/haar leren.

Wat vragen we van ouders?

Van ouders vragen wij toestemming voor deelname van uw kind aan het onderzoek.

Om het onderzoek te vergemakkelijken zoeken we ook graag contact met scholen die bestaan uit een combinatie van een reguliere en een HB afdeling. Onderzoek zal dan in school plaatsvinden.

Wilt u meer informatie of uzelf opgeven? Dan kunt u kunt contact opnemen met mij via mail op l.m.vannijnatten@students.uu.nl.

Ontwikkelingsstoornissen juist diagnosticeren: kijk ook in het brein

Ontwikkelingsstoornissen bij kinderen worden meestal gediagnosticeerd door hun gedrag te beoordelen, maar Aditi Shankardass vond dat we rechtstreeks naar hun brein moesten kijken. Ze legt uit hoe het opmerkelijke EEG apparaat van haar lab foute diagnoses aan het licht heeft gebracht en levens van kinderen heeft verbeterd.
Voor Nederlandse ondertiteling: klik rechts onder de film op Languages en kies Dutch.

A second opinion on developmental disorders:

Developmental disorders in children are typically diagnosed by observing behavior, but Aditi Shankardass suggests we should be looking directly at brains. She explains how one EEG technique has revealed mistaken diagnoses and transformed children’s lives.

Bron/Source: Ted.com

Onderzoek: We feel, therefore we learn

We Feel, Therefore We Learn: The Relevance of Affective and Social Neuroscience to Education

Mary Helen Immordino-Yang and Antonio Damasio (2007)

Over de de relatie tussen leren, emotie en lichamelijke conditie.

Door: Henderika Woldhuis (neurobiologe)

Het volledige onderzoeksverslag is hier te lezen.

Mensen (en kinderen dus ook) zijn in de basis emotioneel en sociale wezens. Echte cognitieve vaardigheden die in school onderwezen worden zoals onder andere logisch redeneren, beslissingen maken, lezen, en rekenen, zijn geen opzichzelfstaande systemen die onafhankelijk van emotie en lichaam functioneren, integendeel, ze zijn gebouwd op de meest primitieve homeostatische delen van het zenuwstelsel. Iedere leraar weet dat emoties en gevoel invloed heeft op de prestaties en het leren van een leerling, net als het lichaam, hoe goed heeft het kind gegeten en geslapen, zit het lekker in zijn vel of niet. Maar dit artikel gaat verder, de relatie tussen leren, emotie en lichamelijke conditie gaat veel verder dan dat en is verweven met het begrip van leren zelf. Het is niet zo dat emoties onze cognitie beheersen, of dat ratio niet bestaat, het is eerder dat het doel waarvoor onze hersenen ge-evolueerd zijn overleving is, onze lichamen in stand houden, onze overleving veilig stellen en vooral om ons in de gelegenheid te stellen het goed te hebben. Complexe hersenen zijn niet ontwikkeld onafhankelijk van het organisme wat ze reguleren.

Bij mensen en andere sociale dieren is er nog een laag die met overleving en floreren te maken heeft: het sociale aspect, het managen van sociale interacties en relaties. Die hebben ook met leren te maken, waarom lost een middelbare scholier een wiskundig probleem op, bijvoorbeeld? De redenen kunnen de intrinsieke beloning zijn van het vinden van de oplossing, strafwerk vermijden, een goed cijfer halen, een vriend helpen, ouders en/of de docent een plezier doen, enz. Al deze redenen hebben een sterke emotionele component en zijn zowel aan plezierige dingen als aan overleven in onze cultuur gelinkt. Deze gevolgtrekking heeft belangrijke implicaties voor onderzoek naar educatie en neurologie, het leidt tot nieuwe vragen en inzichten in het onderzoek en zorgt voor meer begrip van de slecht vatbare link tussen lichaam en geest, want gezondheid en ziekte van de hersenen en van het lichaam kunnen elkaar beinvloeden. En het onderstreept onze sociale basis, dezelfde neurobiologische systemen die onze sociale interacties en relaties mogelijk maken, spelen ook een grote rol in het nemen van beslissingen en liggen ten grondslag aan veel van ons denken.

Emoties zijn lange tijd beschouwd als lastig en vertroebelend voor het logisch redeneren. Uit onderzoek bij personen waarbij het gebied wat de emoties verbindt met de ratio uitgeschakeld was (prefrontale schade), bleek dat deze personen prima konden redeneren, iq was hetzelfde gebleven, maar ze konden de emotionele informatie niet meer gebruiken om uit alternatieven te kiezen, en ze konden niet meer leren van hun fouten. Ze maakten chronisch verkeerde beslissingen, waar ze die eerder niet maakten, en ze leerden er niets van.

De emotie, het sociale aspect, is niet vertroebelend voor de ratio, maar is datgene waar de ratio op gebaseerd is.

Uit onderzoek bij kinderen die al heel jong prefrontale schade hadden opgelopen, bleek dat deze prima konden redeneren in een schoolse/laboratorium-setting, maar nooit de sociale en morele regels hadden geleerd, ze wisten het verschil niet tussen goed en kwaad en ze wisten niet welke sociale en ethische regels ze braken. Ze hebben geen emotioneel roer meer. Buiten school konden ze het geleerde niet in het leven toepassen, zelfs niet in niet-sociale contexten. Sociaal gedrag lijkt een speciaal geval van beslissingen maken te zijn en moreel gedrag een speciaal geval van sociaal gedrag.

Vanuit de basis van overleven en floreren is in de geest een manier van omgaan met gedachten, ideeen, plannen maken, verbeelding en creativiteit ontstaan die tot de meest complexe gedragingen van mensen behoort. Al dit soort gedrag wat normaal gesproken gekoesterd wordt in het onderwijs heeft dus een basis in leven binnen een cultuur/een sociale setting en een emotionele grondslag.

Emotie is een manier van beslissingen nemen, een manier van op een goede manier reageren op verschillende situaties. Hoe meer men weet, hoe rijker de schakeringen in emoties worden van waaruit de beslissingen genomen worden. Je zou kunnen zeggen dat cognitief leren bedoelt is om dit proces van met emotie ondersteunde beslissingen nemen te verfijnen en verrijken. Ethiek en altruisme zijn de pieken van dit proces, hoewel aanwezig in niet-menselijke primaten zijn mensen de dieren waarin dit het verst tot ontwikkeling is gekomen. Bij kinderen die heel jong prefrontale schade hebben opgelopen, komt dit niet eens op het niveau van apen tot ontwikkeling.

Neurobiologisch en evolutionair gesproken is creativiteit een methode om te floreren in een sociale en culturele context. Ethiek, redeneren en creativiteit zijn allemaal neurologisch gezien verbonden met emotie en spelen een belangrijke rol in het leerproces en zijn in een schoolse omgeving van zeer grote waarde.

Cognitie en emotie worden gezien als aparte processen, maar zoals al aangetoond is die dichotomie maar zeer beperkt omdat emotie de regulerende factor bij cognitie is. Creativiteit speelt zich ook af in het overlappende deel, zie figuur 1 onderzoek.

Het sensorische deel van het lichaam en de hersenen heeft een grote invloed op de emotionele staat van mensen, vooral de proprioceptie en de interoceptie, en deze processen worden versterkt bij heftige emoties. De manier waarop de emoties en de cognitie overlappen heeft behoorlijke implicaties voor het schoolse leren, voor het memoriseren en automatiseren net zo goed als voor de creativiteit en het redeneren. Let hierbij op de invloed van het lichaam op de geest en de geest op het lichaam.

Bij het onderwijs aan kinderen wordt er veel nadruk gelegd op feitenkennis en logisch redeneren, maar dan heb je twee problemen. De eerste is dat feiten leren en automatiseren niet uitsluitend in het cognitieve domein plaatsvindt, de tweede is dat er emotieloos lesgegeven wordt, het curriculum is zoveel mogelijk objectief en gespeend van normen en waarden. Zoals de mensen met prefrontale schade hebben aangetoond is dit dus van weinig waarde in de werkelijke wereld. In de werkelijke wereld worden gedachten en gevoelens beoordeelt in een sociaal-culturele context en zijn ze van overlevingswaarde. Het is niet genoeg om feitenkennis te hebben en logisch te kunnen redeneren, je moet dit kunnen toepassen en dat kan alleen als emoties, ook in het klaslokaal, op waarde geschat worden.

ABSTRACT ˜ Recent advances in neuroscience are highlighting connections between emotion, social functioning, and decision making that have the potential to revolutionize our understanding of the role of affect in education. In particular, the neurobiological evidence suggests that the aspects of cognition that we recruit most heavily in schools, namely learning, attention, memory, decision making, and social functioning, are both profoundly affected by and subsumed within the processes of emotion; we call these aspects emotional thought .
Moreover, the evidence from brain-damaged patients suggests the hypothesis that emotion-related processes are required for
skills and knowledge to be transferred from the structured school environment to real-world decision making because they provide an emotional rudder to guide judgment and action.
Taken together, the evidence we present sketches an account of the neurobiological underpinnings of morality, creativity, and culture, all topics of critical importance to education. Our hope is that a better understanding of the neurobiological relationships between these constructs will provide a new
basis for innovation in the design of learning environments .

Nieuw onderzoek naar excellentie op scholen

DIT IS EEN GEZAMENLIJK BERICHT VAN NWO EN HET MINISTERIE VAN ONDERWIJS, CULTUUR EN WETENSCHAP

Meer wetenschappelijke inzichten over de rol van excellentie op scholen, dat is de centrale gedachte achter het onderzoeksprogramma ‘Excellentie in het onderwijs’. In totaal gaan acht nieuwe onderzoeksprojecten van start. Zij krijgen geld van de Programmaraad voor het Onderwijsonderzoek, onderdeel van NWO. De onderzoeken richten zich op de identificatie en kenmerken van (potentieel) excellente leerlingen en studenten. In een aantal projecten wordt nadruk gelegd op de rol van de docent in het bevorderen van excellentie in de klas; andere onderzoeken richten zich op de effectiviteit van programma’s voor excellentiebevordering.

Ieder kind moet het onderwijs krijgen dat het verdient en worden uitgedaagd om het beste uit zichzelf te halen. Een klein deel van de leerlingen heeft zo veel potentieel dat het met de juiste stimulatie en oefening kan uitgroeien tot een waar toptalent. Niet altijd krijgen zij de aandacht die ze verdienen, ook omdat binnen het onderwijs niet altijd de kennis voorhanden is om deze leerlingen te herkennen en optimaal te bedienen. In de onderwijspraktijk is dan ook meer behoefte aan meer inzicht in de leerwijzen en het leerproces van excellente leerlingen. Daarnaast geven scholen aan meer inzicht te willen in de effectiviteit van bestaande aanpakken voor excellentie en het bereiken van een leercultuur op school die daar bij past. Hoe zorg je er als school voor dat uitblinken ‘normaal’ wordt en dat leerlingen niet bang zijn om uit te blinken?

Bruikbaar in de klas.

Onderzoekers hebben in totaal 42 onderzoeksvoorstellen ingediend die zich richten op het herkennen en selecteren van (potentieel) excellente leerlingen en studenten. De Programmaraad heeft de beste acht onderzoeksvoorstellen geselecteerd om uit te voeren. Het onderzoeksprogramma komt voort uit de actieplannen voor het primair en voortgezet onderwijs en de strategische agenda voor het hoger onderwijs van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW). Doel is om via wetenschappelijk onderzoek kennis te ontwikkelen over wat wel en niet werkt in het onderwijs, zodat leerkrachten en ouders die te maken hebben met ‘excellente leerlingen’ daar hun voordeel mee kunnen doen.

De volgende projecten worden de komende drie jaar uitgevoerd:

Dr. Stéphanie van den Berg – Universiteit Twente  – Talent moet opbloeien. De onderzoekers bestuderen de interactie tussen aangeboren talent en de invloed van gezin, school en docent in het ontplooien van cognitief talent op de basisschool. Ze gebruiken hierbij onder meer het Nederlands Tweelingenregister.

Prof. dr. Lex Borghans – Universiteit Maastricht – Excellente leerlingen: wie zijn het, wat doen ze? De wetenschappers onderzoeken in welke mate scholen excellente leerlingen in een vroeg stadium kunnen identificeren en welke aanvullende informatie deze diagnose kan aanvullen. Ook bestuderen zij de kenmerken van het studiegedrag en de motivatie van deze groepen en in welke mate hun ontwikkeling verschilt tussen scholen en naar sociale achtergrond.

Prof. dr. Carla van Boxtel – Universiteit van Amsterdam – Verbeteren van de ontwikkeling van motivatie, zelfregulatie en prestaties van potentieel excellente leerlingen met behulp van een geïntegreerd verrijkingsprogramma voor wiskunde en geschiedenis. De onderzoekers ontwikkelen twee verrijkingsprogramma’s en experimenteren hiermee met verschillende typen taken en groepssamenstellingen.

Prof. dr. Alexander Minnaert – Rijksuniversiteit Groningen – Het stimuleren van de motivatie van de hoogbegaafde leerling.   Het onderzoek richt zich op effecten van cognitieve en motivationele differentiatie bij hoogbegaafde en getalenteerde leerlingen.

Dr. Thea Peetsma – Universiteit van Amsterdam – Ontwikkelingstrajecten naar excellentie. De onderzoekers bestuderen de samenhang tussen aanleg, achtergrond-, motivationele, emotionele en sociale kenmerken van leerlingen en onderwijsgerelateerde factoren in het voorspellen van excellentie.

Prof. dr. Erik Plug – Universiteit van Amsterdam – Verheft het tij alle schepen? De onderzoekers richten zich op het meten van het effect van een verbredingsprogramma op de leerprestaties van excellente leerlingen in twee experimenten.

Dr. Judith Schoonenboom – Vrije Universiteit – Excellent studiegedrag bij samenwerkend leren in het hoger onderwijs. Dit onderzoek richt zich op de interactie tussen kenmerken van excellentie, voorkeuren, omgeving en excellent studiegedrag bij samenwerkend leren.

Dr. Eliane Segers – Radboud Universiteit Nijmegen – Het versterken van succesvolle intelligentie in de bovenbouw. De onderzoekers experimenteren met een verrijkt wetenschaps- en techniekprogramma voor getalenteerde leerlingen.

Meer informatie over de toekenningen.

Voor vragen over dit attenderingsbericht kunt u contact opnemen met Edwin Hubers

Tel: 070-349 4313
E-mail: e.hubers@nwo.nl

Programmaraad voor het onderwijsonderzoek (PROO)NWO/MaGW

HB en dyslexie onderzoek Universiteit Utrecht

Universiteit Utrecht

Oproep van Universiteit Utrecht 

Gezocht: kinderen met (vermoeden van) hoogbegaafdheid en/of dyslexie

Op 1 september 2012 start aan de Universiteit Utrecht een onderzoek dat zich richt op het identificeren en onderzoeken van mechanismen die ervoor kunnen zorgen dat hoogbegaafde kinderen met indicatoren voor dyslexie toch een (bijna) gemiddeld lees- en/of spellingsniveau kunnen bereiken. Het doel van het onderzoek is het creëren van nieuwe richtlijnen voor diagnostiek en behandeling van deze groep kinderen. 

Gezocht

Voor dit onderzoek zijn wij op zoek naar kinderen uit groep 4, 5 en 6 die mogelijk in een van onze vier onderzoeksgroepen vallen:

– Hoog IQ en vermoeden dyslexie (focusgroep)

– Hoog IQ en geen dyslexie (controlegroep)

– Gemiddeld IQ en dyslexie (focusgroep)

– Gemiddeld IQ en geen dyslexie (controlegroep)

Verschillende testen

Bij de deelnemers zullen verschillende testen worden afgenomen op het gebied van intelligentie, fonologie, lezen/spellen en werkgeheugen/aandacht/woordenschat/ grammatica. Als er recente relevante testresultaten beschikbaar zijn dan maken we daar graag gebruik van. 

Het onderzoek

Het onderzoek vindt thuis of op school plaats en ouders krijgen na de afname een kort verslagje opgestuurd met de resultaten van hun kind.

 Mocht u uitgenodigd worden om het onderzoek op de universiteit plaats te laten vinden dan worden eventuele reiskosten vergoed.

Aanmelden en meer informatie

Aanmelden kan tot en met 31 december 2012. Voor meer informatie en/ofaanmelding mail naar  S. van Viersen  (Research Master student) of E.H. Kroesbergen (onderzoeker).

 

 

 

 
 
 

Onderzoek: hoe aanstaande leerkrachten kunnen worden opgeleid voor onderwijs aan hoogbegaafde kinderen

Beste leerkracht of ouder/verzorger van (een) hoogbegaafd(e) kind(eren),

Graag uw aandacht voor een onderzoek van Pabo Hogeschool Leiden over hoe aanstaande leerkrachten kunnen worden opgeleid om onderwijs beter af te stemmen op hoogbegaafde kinderen:

“Het doel is om middels deze vragenlijst te onderzoeken hoe we aanstaande leerkrachten zo op kunnen leiden dat zij in staat zijn om hun onderwijs beter af te stemmen op de onderwijsbehoeften van hoogbegaafde kinderen. De resultaten van dit onderzoek zullen gebruikt worden in het onderwijs van de specialisatie Hoogbegaafdheid van de Pabo Hogeschool Leiden. Alle vragen in deze vragenlijst zijn gebaseerd op interviews die wij het afgelopen jaar hebben afgenomen bij leerkrachten en ouders/verzorgers van hoogbegaafde kinderen. Wij willen nu bij een grotere groep ouders/verzorgers en leerkrachten onderzoeken in hoeverre de resultaten van eerder onderzoek bevestigd worden, welke onderdelen prioriteit hebben en of er mogelijk nog nieuwe inzichten toegevoegd moeten worden.

Het maken van deze vragenlijst zal 10 tot 15 minuten van uw tijd in beslag nemen en de uitkomsten zullen anoniem worden behandeld. Onder de inzendingen worden vijf toegangskaarten voor de conferentie over hoogbegaafdheid op 10 oktober 2012 verloot.

Janine Haenen, docent onderzoeker kenniskring passend onderwijs/ inclusive education, Hogeschool Leiden
Annemieke Mol Lous, lector passend onderwijs/ inclusive education, Hogeschool Leiden

Voor eventuele vragen kunt u contact opnemen met Janine Haenen (haenen.j@hsleiden.nl)

Klik hier voor de vragenlijst

Hartelijk dank dat u deze vragenlijst in wilt vullen!

Onderzoek over onderwijs aan hoogbegaafde leerlingen – Hogeschool Leiden

hogeschool_leiden_logoLectoraat Passend onderwijs/ Inclusive education van de Hogeschool Leiden:

Leiden, juni 2012

Beste leerkracht of ouder/verzorger van (een) hoogbegaafd(e) kind(eren),

Hierbij nodigen wij u, namens het lectoraat Passend onderwijs/ Inclusive education van de Hogeschool Leiden, uit om deel te nemen aan een onderzoek over onderwijs aan hoogbegaafde leerlingen. Het doel van dit onderzoek is om middels een vragenlijst te onderzoeken hoe we (aanstaande) leerkrachten zo op kunnen leiden dat zij in staat zijn om hun onderwijs beter af te stemmen op de specifieke behoeften van deze kinderen. Er is wel veel kennis aanwezig maar de vraag is welke vaardigheden en kennis (a.s.) leerkrachten absoluut nodig hebben om hoogbegaafde leerlingen de kansen op goed onderwijs te bieden die zij verdienen. En om dit te weten te komen hebben wij uw hulp nodig: u bent namelijk de expert op dit gebied, omdat u in het basisonderwijs werkt met hoogbegaafde kinderen of omdat u ouder/verzorger bent van een hoogbegaafd kind.

Het lectoraat voert sinds 2010 praktijkonderzoek uit om antwoorden te vinden op bovengenoemde vraag. Dit gebeurt aan de hand van interviews met ouders/verzorgers en leerkrachten van hoogbegaafde kinderen. Deze vragenlijst is gebaseerd op de uitkomsten van deze interviews en hiermee willen wij bij een grotere groep ouders/verzorgers en leerkrachten onderzoeken in hoeverre de resultaten van eerder onderzoek bevestigd worden en of er mogelijk nog nieuwe inzichten toegevoegd moeten worden.

Het maken van deze vragenlijst zal 10 – 15 minuten van uw tijd in beslag nemen. De uitkomsten zullen anoniem worden behandeld. Tevens zullen er onder de inzendingen vijf toegangskaarten voor de conferentie over Hoogbegaafdheid worden verloot. Deze conferentie is op 10 oktober 2012 en wordt gehouden in samenwerking met WSNS en de AED (zie http://www.wsnsregioleiden.nl/conferentie_2012). De uitkomsten van deze vragenlijst zullen op deze conferentie ook bekend zijn. Ook zullen de resultaten van deze vragenlijst gebruikt worden binnen het onderwijs van de specialisatie Hoogbegaafdheid, die vanaf september 2012 aan vierdejaars studenten van de Pabo Hogeschool Leiden zal worden aangeboden.

Wij zijn dus druk bezig hoogbegaafdheid goed op de agenda te krijgen van de Pabo en het werkveld in de Leidse regio. Hopelijk wilt u hieraan bijdragen door deze vragenlijst in te vullen. Wij willen u alvast hartelijk bedanken voor de moeite!

Voor het maken van de vragenlijst, klik op deze link:

Vragenlijst hoogbegaafdheid

Mocht de link niet werken, dan kunt u deze ook kopiëren in een nieuw tabblad van uw browser.

Hartelijke groet,

Janine Haenen, kenniskring passend onderwijs/ inclusive education, Hogeschool Leiden Annemieke Mol Lous, lector passend onderwijs/ inclusive education, Hogeschool Leiden

Voor eventuele vragen kunt u contact opnemen met Janine Haenen haenen.j@hsleiden.nl

Voor meer informatie over het lectoraat kunt u de website van de Hogeschool raadplegen: HS Leiden