Categorie archief: Onderzoek

Gameverslaving bij kinderen. Een stoornis of bestaat dit eigenlijk niet?

Wat is jullie visie hierop?

Blijft je kind gamen, ook al komt het daardoor in de problemen op school, met werk of vrienden? Dan is er volgens de Wereldgezondheidsorganisatie WHO sprake van een stoornis. Dat blijkt uit de nieuwste versie van de ICD (nummer 11), die deze week verscheen. Zie International Classification of diseases-11

Schermafdruk 2019-05-30 08.26.35Per 2022 kan hiervoor een diagnose gesteld worden, waardoor behandeling vergoed wordt. Nu moet voor vergoeding bijv. eerst de diagnose ADHD gesteld worden.

Er woedt echter een hele wetenschappelijke discussie of gameverslaving wel bestaat. Immers: kinderen vluchten pas in games als er andere problemen spelen, zoals in mijn werkveld vaak als school en onderwijs niet past. Maar ook vanuit een problematische thuissituatie. Bijv. bij een vechtscheiding.

Een vluchtroute waarin ze klem komen te zitten, omdat deze -bij wijze van spreken- taps toeloopt: als je er in geraakt kun je er eigenlijk niet meer uit.

Zaak is in ieder geval dat je als ouder goede afspraken maakt over gamen en een duidelijk kader neerlegt. De voor games gestelde leeftijden is al een goed startpunt voor dat laatste.  Zaak is ook dat je je zelf en je kind hieraan houdt. Houd het dialoog hierover dus op gang. En wees alert op signalen als vlucht- of dwanggedrag.

Dorien Kok

 

Advertenties

Vroeg signaleren van begaafdheid bij jonge kinderen: het startdocument.

Vroeg signaleren van begaafdheid bij jonge kinderen
Op 15 juli 2013 hebben wij vanuit stichting 360grView, waarvan ik in die tijd voorzitter was, staatssecretaris Martin van Rijn benaderd met de vraag of het mogelijk is om onderzoek te starten naar het gebruik van het Van Wiechenschema bij het vroeg signaleren van begaafdheid bij jonge kinderen en of het mogelijk was om hier meer aandacht voor te genereren. De staatsecretaris reageerde hier schriftelijk positief op.

Wat is er al gedaan
Het NCJ heeft in overleg met stichting 360grView succesvol het onderwerp vroegsignalering aangepakt. In goede samenwerking is de brochure ‘Jonge hoogbegaafde kinderen: een bijzondere groep. Kenmerken en problemen’ ontwikkeld. Met deze brochure hebben professionals in de JGZ een duidelijk handvat voor het signaleren van potentiële hoogbegaafdheid bij kinderen in de consultatiebureauleeftijd. De brochure is zowel binnen het zorgveld als daarbuiten zeer positief ontvangen.
Daarnaast is er de door de stichting gemaakte informatieve website http://ontwikkelingsvoorsprong.info, voor ouders, onderwijs- en zorgspecialisten.
Ook is er dossieronderzoek gedaan. Dit werd mogelijk met hulp van ouders, die de consultatiebureaudossiers van hun kinderen op hebben gevraagd.

Dossieronderzoek
Conclusies dossieronderzoek: vroegsignalering van een ontwikkelingsvoorsprong/hoogbegaafdheid gebeurt nauwelijks via het consultatiebureau. Er is slechts sprake van signalering van P10 uitval op de norm. Daarnaast is het consultatiebureau voor veel ouders met een kind met een ontwikkelingsvoorsprong niets meer dan een weeg- en meetbureau. Ouders ervaren geen kundige sparringpartner in de consultatiebureau-artsen en -verpleegkundigen. Daarnaast zijn ouders bang voor misvattingen, voelen ze zich niet gehoord en krijgen ze te vaak adviezen die niet passen bij kinderen met een ontwikkelingsvoorsprong.

Toptalenten en excellentie
Omdat vroegsignalering binnen de consultatiebureaus in lijn is met de in het ‘Plan van aanpak toptalenten 2014-2018’ geformuleerde doelstellingen, hebben wij Staatssecretaris Sander Dekker in het verleden eveneens op de hoogte gebracht van het verschijnen van de NCJ-brochure en ons onderzoek naar dit thema.

Het Ministerie van onderwijs zet in op de toptalenten en excellentie. Excellentie is iets anders dan hoogbegaafdheid. Hoogbegaafdheid is een potentie: het geeft geen garantie op excelleren, in ieder geval niet per definitie op schoolgebied. Het excellentiebeleid van het ministerie richt zich op  – zoals OCW dat zelf definieert – de ‘schoolloopbaan van leerlingen met hoge Citoscore’.

Het toptalentenbeleid is gericht op ‘de top 20% best presterende leerlingen van een klas of groep’. Er is bij het ministerie dus geen beleid gericht op hoogbegaafden en daarmee ook niet op het ontwikkelen van hun potentieel en hun optimale groei.

Frappant detail is dat steeds minder leerlingen zichzelf in de definitie van toptalent herkennen: het blijkt dat 16% (2015) van de leerlingen in het Voortgezet onderwijs zich tot toptalenten rekent, in 2013 was dit nog 23% (cijfers CBS). Hoeveel leerlingen daarvan (mogelijk) hoogbegaafd zijn is niet onderzocht.

Op basis van het feit dat hoogbegaafde leerlingen niet automatisch ‘excelleren’ kun je dus stellen dat het excellentie- en toptalentenbeleid vanuit het ministerie en de scholen geen relatie heeft met hoogbegaafdheid. Je loopt hiermee het risico veel potentieel over te slaan.

Scholen
Er is in de afgelopen jaren vanuit de scholen zelf meer aandacht voor hoogbegaafdheid in het onderwijs gekomen, onder andere via voltijds scholen voor hoogbegaafdheid. Toch gaat het nog steeds niet goed met deze groep kinderen. Te vaak vallen deze leerlingen uit, of hebben ze onderweg ondersteuning nodig om het schoolsysteem te doorlopen. Het lijkt erop dat juist een bepaalde groep hoogbegaafde leerlingen vaker uitval laat zien dan anderen groepen.

Van Wiechenschema
Om het vroegsignaleren een vaste plaats in de systematiek van het consultatiebureau te kunnen geven, is er in die periode ook gekeken in hoeverre de Van Wiechenschema’s een adequaat instrument vormen voor het signaleren van talent. Voor ouders en voor basisscholen biedt het een concreet aanknopingspunt bij de vraag welk onderwijs het meest passend is voor een kind. De zorgvraag die nu vaak in de loop van een schoolcarrière ontstaat kan zo worden beperkt, hetgeen binnen de werkvelden volksgezondheid en onderwijs leidt tot een daling van het gebruik van voorzieningen, misdiagnoses en langdurende uitval op school (thuiszitters). Vroegsignalering van talent op het consultatiebureau leidt ook tot meer maatwerk in het onderwijs en op termijn ook tot kostenbesparing.

Waar staan we nu
Inmiddels zijn we een aantal jaren verder. Mijn dagelijkse professionele betrokkenheid bij maatwerk in het onderwijs en de thema’s vroegsignalering, misdiagnoses en thuiszitters noden mij om nogmaals contact met de staatsecretarissen van Rijn en Dekker te zoeken, ook nu ik niet meer betrokken ben bij stichting 360grView.

Zeker ten aanzien van thuiszitters kan, zoals geconcludeerd in de sessies Preventie op de Thuiszitterstop, vroegsignalering 0-4 jaar een grote rol spelen – niet alleen rond een ontwikkelingsvoorsprong.

Onderlinge afstemming tussen de ministeries die gaan over volksgezondheid (VWS) en onderwijs (OCW) hierover leek mij zinvol, omdat een succesvolle implementatie van vroegsignalering staat of valt met de zorgvuldige overdracht van gegevens tussen de zorgprofessionals van het consultatiebureau en de onderwijsprofessionals van de basisschool.

Overleg met OCW en VWS
De ministeries OCW en VWS hebben mijn uitnodiging om samen om tafel te gaan om te praten over het belang van vroegsignalering van een ontwikkelingsvoorsprong aangenomen. Op 31 mei ging ik daarvoor naar Den Haag. Natuurlijk ging Lilian van der Poel met me mee, we werken immers al ruim 5 jaar samen aan het thema ontwikkelingsvoorsprong.

In een gesprek kun niet alles vertellen en onthouden. Daarom is er een gesprekshandleiding geschreven waarin we de onder andere huidige situatie, knelpunten, oplossingen en opbrengsten van een ander beleid hebben beschreven. Deze longread is hier te lezen.

Startdocument
Willen we passend onderwijs leveren voor hoogbegaafdheid leerlingen en gaan voor een optimale ontwikkeling dan moeten we inzetten op (vroeg-)signalering. De manier waarop is eigenlijk simpel: volg daarvoor de rode draad in de ontwikkeling van het kind. Stimulerend signaleren en een breder gebruik van het Van Wiechenschema zijn daarvoor de juiste gereedschappen, die leiden tot wat ik noem een startdocument, die niet alleen voor kinderen met een voorsprong te gebruiken is:
1. Zorg ervoor dat het consultatiebureau de taak en mogelijkheden krijgt om vroeg te signaleren.
2. De bevindingen van 4 jaar continu signaleren kunnen dan, indien de ouders dat wensen, als startdocument ter ondersteuning aan hen meegeven worden.
3. Met het startdocument kunnen de ouders gericht op zoek naar een school met passende expertise.
4. Scholen kunnen met het startdocument van consultatiebureau vanaf het begin van de onderwijscarrière van het kind op zijn minst insteken op het ontwikkelingsniveau van het kind.
5. De mogelijkheden en het potentieel van het kind kunnen op deze manier beter benut worden.

Aan de ontwikkeling van het startdocument wordt door mij al gewerkt.

Verdere aanbevelingen
• Onderzoek naar de groep P90 kinderen om meer informatie te krijgen over ontwikkelingsvoorsprong is noodzakelijk. Alleen als we weten wanneer er sprake is van een voorsprong en wanneer we zicht krijgen wat de werkelijke signaleren van een voorsprong zijn, wordt signaleren ook werkelijk signaleren.
• Vroegsignalering, specifieke kennis over de verschillende vormen van begaafdheid en de onderwijsbehoeften van deze kinderen moeten vast onderdeel worden van de lerarenopleidingen.
• Inventarisatie van mogelijkheden tot vroegsignalering op de kinderopvang en peuterspeelzaal is noodzakelijk gevolgd door scholing van de pedagogisch medewerkers.

(H)erkenning, en dan
Na de (h)erkenning moet de nadruk liggen op individueel maatwerk in het onderwijs, het op de correcte manier uitleggen van signalen en voorkomen van een verkeerde kijk op het kind en uitval op het gebied van gezondheid. Dit is iets wat de ministeries van OCW en VWS samen op moeten pakken. Hoogbegaafden komen er niet vanzelf, daar is degelijk hoogbegaafdenbeleid voor nodig, zowel in de groep 0-4 jarigen als in de groep 4 en ouder.

Een lang, vaak pijnlijk en nutteloos duur traject voor school, ouders en kind met misdiagnoses en onnodige zorgkosten worden hiermee voorkomen. Het onderwijs kan weer doen waar ze goed in is: het kind vanaf het begin passend onderwijs bieden en ervoor zorgen dat de leerlijn van het kind daadwerkelijk stijgt. Door vroegsignalering wordt het mogelijk problematiek rondom hoogbegaafde kinderen voorgoed uit te bannen.

Winstpunten zitten hierin dus zowel aan de kant van het ministerie van VWS als aan de kant van het ministerie van OCW.

We vragen om de samenwerking tussen de twee ministeries te intensiveren en op die manier bij te dragen aan het daadwerkelijk optimaliseren van de kindontwikkeling – met brede opbrengsten voor (alle inwoners van) Nederland, het mogelijk maken van Passend Onderwijs – het speerpunt van het onderwijsbeleid en een correct invulling van het volksgezondheidsbeleid – met vermindering van onnodige kosten.

De boodschap is, zo hebben we het idee, deels goed binnengekomen bij VWS en OCW. Het andere deel moet, om de woorden van Lilian van der Poel te gebruiken: ‘net als een wasmiddel eerst inwerken’.

Dorien Kok
http://DorienKok.nl

De Werkelijke Staat van de Ouder in onderwijs.

Op woensdag 12 april 2017 verscheen ‘De Staat van de Ouder’. De ‘Staat van de Ouder’ is een nieuw onderdeel van ‘De Staat van het Onderwijs’, een rapport dat ieder jaar door de Inspectie van het Onderwijs wordt uitgegeven. Het optekenen van ouderverhalen is een initiatief van Ouders & Onderwijs, de ‘landelijke organisatie voor ouders met schoolgaande kinderen’.

In 2013 besloot staatssecretaris van Onderwijs Sander Dekker de subsidie voor bestaande  ouderorganisaties in te trekken. Er was voor hen ‘geen wettelijke taak’, redeneerde Dekker. Dit leverde in één keer een bezuiniging op van 2,9 miljoen euro. Sinds 2014 worden álle Nederlandse ouders bij het ministerie van Onderwijs vertegenwoordigd door deze landelijke organisatie Ouders & Onderwijs, die door het Ministerie wordt betaald.

De Staat van Ouders

De Staat van de Ouder geeft, zoals Ouders & Onderwijs aangeeft, ‘de ervaringen en meningen van ouders weer, het is hun perspectief, inclusief blinde vlekken en roze brillen’*

Ouders & Onderwijs: ‘In het basis- en voortgezet onderwijs samen zitten 2,5 miljoen kinderen. Als we voor het gemak uitgaan van een gemiddelde van twee kinderen per gezin, zijn er dus 2,5 miljoen ouders met kroost in het funderend onderwijs’ Ouders konden zich via een oproep melden voor het onderzoek.**

Ouders & en Onderwijs komt met de volgende conclusie over de uitkomsten: ‘Wel nu, alles overziend zijn de wensen van ouders niet overdreven groot. Een beetje ruimte voor eigen inbreng in het opnemen van vrije dagen. Iets meer informatie over de aanpak van pestgedrag. Wat meer bij de hand genomen worden bij de overgangen binnen en tussen scholen. Graag een tikje beter op de hoogte gehouden worden over de ontwikkeling van het eigen kind. En iets meer afstemming over de gewenste bijdragen aan de school. Het is niet moeilijk om hierin een rode draad te herkennen: ouders willen geïnformeerd, gehoord en bij de hand genomen worden. Ouders willen graag meer samenwerken.

Nou, prachtig deze uitkomsten. We kunnen als ouders met z’n allen met een gerust hart naar bed. Of…..?

Wie betaalt die bepaalt
Zoals eerder benoemd wordt de organisatie Ouders & Onderwijs betaald door het Ministerie van Onderwijs. Vragen beantwoorden, ouders bijstaan en het in contact brengen van partijen die elkaar kunnen versterken is de gestelde taak. Het ministerie ziet Ouders & Onderwijs als ‘landelijke gesprekspartner voor de politiek, het ministerie van Onderwijs, Cultuur & Wetenschap en uiteenlopende andere partijen in de onderwijssector.’ Ouders & Onderwijs is hiermee een prima oplossing voor het in opdracht van het ministerie verstrekken van feitelijk informatie over onderwijs.

Conclusie die je hier uit kunt trekken is dat Ouders & Onderwijs geen onafhankelijke ouderorganisatie is. Die zijn er wel in Nederland, al jaren. Meest bekend zijn de grote landelijke oudervereniging Balans en het onafhankelijke platform ‘Ouders Online’. Verder kent Nederland nog onder andere Mama Vita, Onderwijs Consumenten Organisatie, Ouderkracht voor ‘t kind en de werkgroep Thuiszitters Tellen.

Het verschil tussen deze organisaties en Ouders & Onderwijs is groot:

  • Ouders & Onderwijs is een stichting, ouders kunnen dus, in tegenstelling tot de andere ouderorganisaties, niet lid worden.***
  • Ouders & Onderwijs is financieel afhankelijkheid van het Ministerie. Met een té kritische houding richting het Ministerie zou deze organisatie zichzelf in de vingers snijden. Initiatief en doorzettingsvermogen op het gebied van ouderbelangen boor je hier dus mee in de grond. Ouders zijn immers dé spiegel als het gaat om falen van overheidsbeleid op het gebied van onderwijs…
  • De andere ouderorganisaties kenden al jaren voor het ontstaan van Ouders & Onderwijs een ouderhulpsysteem via het telefoonnummer 0800-5010, waar ouders naast feitelijke informatie ook terecht konden voor voor inhoudelijke vragen, bij onder andere  ervaringsdeskundigen, juristen en wetenschappers. Over bijvoorbeeld passend onderwijs of een specifieke kindsituatie. Die inhoudelijke expertise is eigenlijk komen te vervallen met het verplaatsen van het eigenaarschap van telefoonnummer 0800-5010 naar Ouders & Onderwijs.
  • Ouders & Onderwijs mag bepalen of het andere ouderorganisaties financieel steunt. Dit geeft een scheefte en beschadigd het reeds jaren bestaande systeem van  onafhankelijke ouderhulp.
  • De overheid bepaalt hiermee wie haar gesprekspartner is. Andere ouderorganisaties worden hiermee in grote mate buiten spel gezet. In hoeverre komen dus de inhoudelijke feiten uit de onderwijspraktijk bij de overheid terecht. Feiten kunnen hiermee dus heel makkelijk genegeerd worden.

De andere ouderorganisaties stellen vraagtekens bij het functioneren van Ouders & Onderwijs. Er loopt daarom vanuit meerdere ouderorganisaties een Wob-verzoek (verzoek tot openbaarmaking van bepaalde overheidsinformatie) richting Ouders & Onderwijs. Uitspraak van de rechter wordt verwacht op 12 oktober 2017 (update zie #).

Thema’s
‘Het onderwijs’ is te veel geeft Ouders & Onderwijs aan, daarom is gekozen voor vijf thema’s die vaak terugkomen in de vragen die ouders stellen bij het informatiepunt van Ouders & Onderwijs. Dat zijn: de bijdragen van ouders aan het onderwijs (in tijd en financieel), pesten en veiligheid, dossiervorming en privacy, schooltijden, en ten slotte overgangen binnen en tussen scholen.

Onderwerpen als de gelijkheid van kansen, passend onderwijs en begeleiding op maat hadden evenzeer invalshoeken voor de Staat van de Ouder kunnen zijn staat er op de website. Daar is niet voor gekozen geeft Ouders & Onderwijs aan.

Als je naast deze 5 thema’s het grote onderzoek van de Onderwijsinspectie, ’De Staat van Onderwijs’****, legt zie je dat het geen juiste keuze is geweest.

Gelijkheid van kansen
In het rapport De Staat van onderwijs speelt het thema gelijkheid van kansen de hoofdrol: ‘het aantal leerlingen dat goed presteert is de afgelopen tien tot twintig jaar flink teruggelopen. Vooral bij rekenen, wiskunde en natuurwetenschappen. Daarmee gaan kansen van kinderen verloren en blijft talent van leerlingen en studenten onbenut.

Onderwijsinspectie: ‘Dit komt deels door de oplopende ongelijkheid die de Onderwijsinspectie het jaar daarvoor al signaleerde. De grote kwaliteitsverschillen tussen scholen is een andere oorzaak van het missen van talent. Zelfs bij vergelijkbare leerlingen en studenten zijn er grote verschillen tussen scholen en opleidingen.‘ En de Onderwijsinspectie ziet deze verschillen in elke sector en bij elk schooltype. Een thema dat je dus moet bespreken met ouders.

Passend onderwijs en begeleiding op maat
Twee derde deel van de schoolleiders geeft in het rapport van de Onderwijsinspectie aan dat de zorgbreedte van de school veranderd is sinds de invoering van passend onderwijs. Ook is driekwart van de schoolleiders van mening dat de ontwikkelbehoefte van leraren veranderd is. Scholen ervaren nog steeds veel bureaucratie met name als zij afstemmen met jeugdhulp(verlening), toelaatbaarheidsverklaringen aanvragen en ontwikkelingsperspectieven opstellen. Zaken waar ouders in de praktijk de gevolgen van zien en waar zij ook prima duiding over kunnen geven als ze het was gevraagd. Ook zij zien dat leraren problemen ervaren op het gebied van onder andere groepsgrootte en werkdruk. Zij zien dat leraren worstelen op thema’s als cognitie, het gedrag of de sociale en emotionele ontwikkeling van kinderen – met vaak negatieve gevolgen voor hun kind.

Het aantal leerlingen dat wel stond ingeschreven, maar niet naar school ging is gestegen. Er zijn vooral meer leerlingen die meer dan drie maanden niet op school zijn (toename langdurig relatief verzuim). Het hoge aantal en de stijgende trend in langdurig verzuim is onacceptabel. Het aantal vrijstellingen op grond van artikel 5 onder a, van de Leerplichtwet is de afgelopen vijf jaar sterk gestegen. Er is mogelijk niet voor alle leerlingen een passende plek in het onderwijs beschikbaar. De mogelijkheden voor onderwijszorgarrangementen worden in sommige gemeenten nog onvoldoende benut. Er is weinig zicht op de kinderen en jongeren met een dergelijke vrijstelling. Dat is zorgwekkend en onwenselijk. Bij bijna de helft van de registraties is onduidelijk welke interventies een samenwerkingsverband onderneemt en met welk succes. Sinds de invoering van passend onderwijs gaan maar iets meer leerlingen naar het
regulier onderwijs. Het gaat om kleine verschuivingen. Instroom vanuit speciaal onderwijs betreft hooguit enkele leerlingen.

Waarom zijn er leerlingen die niet binnen drie maanden op een passende onderwijsplaats maar thuis zitten? En hebben leerlingen met extra ondersteuningsbehoefte en die wel naar school gaan een werkelijk passende onderwijsplaats?

Dit zijn volgens de Onderwijsinspectie lastige maar essentiële zaken en vragen waarop nog geen antwoorden zijn, maar waarbij ouders een belangrijke rol kunnen spelen in de beantwoording.

Het onderzoek
Over de gestelde 5 thema’s – de bijdragen van ouders aan het onderwijs (in tijd en financieel), pesten en veiligheid, dossiervorming en privacy, schooltijden, en ten slotte overgangen binnen en tussen scholen – zijn er in februari 2017 1083 ouders bevraagd die kinderen hebben in het primair en het voortgezet onderwijs. Met de uitkomsten hiervan doet Ouders & Onderwijs kwantitatieve uitspraken (bijvoorbeeld dat 9 procent van de ondervraagden luizenmoeder is).

De ouders zijn door middel van een enquête en veertig groepsgesprekken ondervraagd over hun ervaringen, hun meningen, hun ideeën over hoe het (nog) beter kan en over de rol die ze voor zichzelf zien in het onderwijs van hun kind.

Is een percentage van 1083 ouders op een totaal van ongeveer 2,5 miljoen ouders (0,04%) representatief? Die vraag is moeilijk te beantwoorden. Bij veel onderzoeken kun je immers niet de volledige populatie ondervragen.

Achtergrondinformatie deelnemers

Er is daarbij gekozen voor kwantitatief onderzoek. Dit biedt cijfermatig inzicht en geeft veelal antwoorden op vragen die in termen van hoeveelheid kunnen worden uitgedrukt.

Was het niet slimmer geweest om een meer kwalitatief onderzoek te doen en daarin ouders zelf te laten meedenken over bijvoorbeeld de invulling van innovaties en toekomstig beleid? Kwalitatief onderzoek is immers gericht op het verkrijgen van informatie over wát er leeft onder een bepaalde doelgroep en waaróm. Deze vorm van onderzoek geeft diepgaande informatie door in te gaan op achterliggende motivaties, meningen, wensen en behoeften van de doelgroep. Het gaat in op het waarom van heersende meningen en bepaalde gedragingen. Daarbij worden bewuste motivaties van de doelgroep besproken, maar ook onbewuste motivaties kunnen worden achterhaald, door gebruikmaking van projectieve technieken. (Bron Right Marktonderzoek)

Conclusie
Uit de enquête blijkt dat 90 procent van de 1083 ouders ‘tevreden’ tot ‘neutraal’ is over de kwaliteit van het onderwijs van de school van hun kind. En 72 procent van die ouders omschrijft de relatie met de school als ‘goed’ tot ‘zeer goed’, tegen 10 procent ‘matig’ tot ‘slecht’.

Relatie ouders & school

Wat waren de uitkomsten geweest als het onderzoek gedaan was door een organisatie die onafhankelijk is, die de ouders en hun problemen echt kent en ondersteund. Wat als er voor thema’s gekozen was die bij het onderzoek van de de Onderwijsinspectie aansloten en wat als er meer ouder gevraagd waren niet alleen om hun mening, maar ook om mee te denken?

Volgens Balansdirecteur Swanet Woldhuis, wiens organisatie zelf onderzoek deed naar de staat van onderwijs, werkelijk bekeken vanuit de ouder (‘Staat Onderwijs. Volgens ouders’*****), ontbreekt het op dit moment vooral aan visie op onderwijs bij het ministerie van onderwijs. Alleen maar meer regeltjes invoeren leidt niet tot betere kwaliteit.

Ook hekelt Woldhuis de eenzijdige aandacht van de Inspectie en de politiek voor de kansenongelijkheid van kinderen uit lage sociale milieus. “Het wordt tijd dat er daarnaast óók aandacht komt voor de grote kansenongelijkheid van kinderen met ontwikkelingsproblemen. Doordat de juiste ondersteuning ontbreekt, stromen zij namelijk vaak af naar lagere onderwijsniveaus”, aldus Woldhuis. “En dat terwijl er nog 80 miljoen euro aan geld voor passend onderwijs op de plank ligt bij samenwerkingsverbanden. Dit is onacceptabel.”

Ik deel de mening van Swanet Wolhuis. Zelf vul ik dit graag aan met de vraag waarom er niet meer aandacht is voor kinderen met een ontwikkelingsvoorsprong. Ook zij hebben last van onterecht afstromen naar lagere onderwijsniveaus, verplaatsing naar het speciaal onderwijs of onterechte diagnostiek. Te vaak nog wordt geld van de Samenwerkingsverbanden niet besteedt aan deze groep kinderen.

Ik denk dat het onderzoek ‘De Staat van de Ouder’ in ieder geval één ding heel duidelijk heeft gemaakt: de overheid geeft ouders duidelijk niet de ruimte en het respect dat ze moeten krijgen, als informant van inhoudelijke onderwijsfeiten, als gesprekspartner en als eindverantwoordelijke voor hun kind en als kindexpert. Dat zien we niet alleen hier in dit onderzoek maar ook in de praktijk, bij landelijke bijeenkomsten als de Thuiszittertop en op de scholen.

Dorien Kok
http://DorienKok.nl

Meer lezen hierover:

# Update 3-5-2018: ‘Waarom het vreemd is dat deze oudervakbond zo positief is beoordeeld’
De Correspondent: “De stichting Ouders en Onderwijs, die moet opkomen voor schoolgaande kinderen, ligt al drie jaar onder vuur. Dat zou je niet zeggen als je de positieve evaluatie leest die het ministerie van Onderwijs, financier van de stichting, liet opstellen. Gevalletje slager-keurt-zijn-eigen-vlees, zeggen betrokkenen.
Waarom het vreemd is dat deze oudervakbond zo positief is beoordeeld?
Sinds de oprichting kreeg de organisatie veel kritiek van de reeds bestaande ouderorganisaties. Ze verwijten Ouders & Onderwijs gebrek aan deskundigheid, gebrek aan transparantie en een te meegaande houding tegenover hun broodheer, het ministerie van Onderwijs. Daarmee voldoet de stichting volgens hen niet aan de opdracht die ze van de Tweede Kamer kregen: een kritische gesprekspartner zijn van regering en het onderwijsveld.”
Lees hier het volledige artikel van De Correspondent.

Vervroegde instroom op de basisschool.

– Eerder naar school –

Wet op primair onderwijs – Artikel 39. Toelatingsleeftijd onderwijs:
39.1
Om als leerling tot een school te worden toegelaten, moet een kind de leeftijd van 4 jaar hebben bereikt.

39.3
In de periode vanaf de leeftijd van 3 jaar en 10 maanden tot het bereiken van de leeftijd van 4 jaar kan het bevoegd gezag kinderen gedurende ten hoogste 5 dagen toelaten. Deze kinderen zijn geen leerlingen in de zin van de wet.

Kinderen ontwikkelen zich niet gelijk. Soms vormt die leeftijdsgrens voor toelating op de basisschool dus ook werkelijk een probleem. Als een jong kind bijvoorbeeld een taalachterstand heeft, maar ook als een kind eerder toe is aan school – vanuit een cognitieve ontwikkelingsvoorsprong van soms wel 2 jaar.

Juni 2014 – Onderwijsinspectie
Navraag op verzoek van enkele van mijn cliënten over vervroegde instroom bij een ontwikkelingsvoorsprong leverde in juni 2014 de volgende reactie op van het Loket Onderwijsinspectie:
De inspectie meent dat vervroegde toelating in sommige gevallen een uitkomst is voor kinderen met een grote ontwikkelingsvoorsprong en wijst vervroegde toelating dan ook niet per definitie af. Voorop staat de vrijwillige medewerking van de school. Anders gezegd: de school moet akkoord zijn met vervroegde toelating. Is de school niet akkoord, dan is vervroegde toelating niet mogelijk. Er is dus heel nadrukkelijk geen sprake van een recht op vervroegde toelating. 

De wettelijke toelatingsleeftijd voor het basisonderwijs is 4 jaar, maar het bestuur van een school heeft in uitzonderingsgevallen de mogelijkheid aan kinderen onder de 4 jaar toegang te verlenen. Het bestuur zou bij het inwilligen van een dergelijke wens er wel om moeten denken dat:
* de peuter niet als leerling kan worden toegelaten, cq ingeschreven;
* voor de 3 jarige geen rijksbekostiging wordt gegeven;
* ouders van tot de school toegelaten leerlingen bedenkingen kunnen hebben tegen het door de 3-jarige gebruik maken van het onderwijsaanbod, voor zover dat ten koste zou gaan van de eigenlijke leerlingen van de school;
* de bestaande aansprakelijkheidsverzekeringen van de school mogelijk niet op de peuter van toepassing zijn;
* wellicht een aanvullende verzekering moet worden afgesloten die erin voorziet dat zaken geregeld zijn als de peuter iets overkomt of deze zelf iets aanricht dat schade oplevert (door de ouders af te sluiten).

Maatwerkgedachte scholen
We horen vanuit het onderwijswerkveld steeds vaker dat scholen hierop in willen spelen vanuit de maatwerkgedachte. Dat is een goede ontwikkeling. Helaas verloopt dit nog niet altijd goed, afstemming vanuit alle betrokkenen is verder nodig:
In februari 2017 werd ik geïnformeerd over een situatie rond een kind met een ruime ontwikkelingsvoorsprong, waarbij er overeenstemming was tussen ouders en school over de noodzaak van vervroegde instroom. Dit om de natuurlijke ontwikkeling van het kind te ondersteunen en om schade bij het kind te voorkomen. De onderwijsinspectie gaf hiervoor echter geen toestemming. Dit is in tegenspraak met de eerdere reactie van de Onderwijsinspectie.

Februari 2017 – Onderwijsinspectie
De Onderwijsinspectie stelt zich bij nieuwe navraag van mijn kant op het standpunt dat ‘(in ieder geval) structurele toelating van driejarigen tot het onderwijs zonder inschrijving niet de bedoeling is’. De inspectie gaf aan ‘bezig te zijn met het opstellen van een een beleidslijn met OCW, SZW (Samenwerkingsverbanden) en de GGD. Het is afwachten of en wanneer het huidige standpunt wordt gewijzigd.’ Echter: GGD-GHOR april 2017: “Er is in tegenstelling tot wat de inspectie meldt geen nieuwe beleidslijn in de maak.”

November 2017 Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
Hernieuwde navraag geeft in november 2017 het volgende antwoord van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW):

Er is binnen de huidige wetgeving geen mogelijkheid om een uitzondering te maken op de toelatingsleeftijd van 4 jaar. Zoals u in uw e-mail al aangeeft, kunt u in artikel 39 van de Wet op het primair onderwijs meer lezen over de toelating en het wennen van een kind op de basisschool.

Op de website van de Inspectie van het Onderwijs kunt u vinden wat er wel wettelijk toegestaan is op het gebied van onderwijs aan driejarigen in opvang-onderwijs. Zo is het soms mogelijk om met de beoogde basisschool van een kind te bespreken of zij lesmateriaal dat aansluit bij de behoefte van het kind beschikbaar willen stellen aan het kinderdagverblijf of de peuterspeelzaal. Op deze manier kan een kind dat daar al aan toe is meer worden uitgedaagd in de groep.

VVE: voorschoolse of vroegschoolse educucatie
In Nederland kennen we het systeem van VVE: voorschoolse (voor kinderen van 2,5 tot 4 jaar) of vroegschoolse (voor kinderen uit groep 1 en 2) educatie indien er sprake is van een achterstand. Kinderen krijgen deze vorm van educatie op de peuterspeelzaal, basisschool of in de kinderopvang. De gemeente bepaalt of een kind hiervoor in aanmerking komt. Meestal gaat dit via het consultatiebureau. In de voorschoolse of vroegschoolse educatie leert een kind al spelend de Nederlandse taal. Zo kan het kind de achterstand inhalen en een goede start maken op de basisschool.

Brede discussie over vroeginstroom
Graag trek ik de discussie over vroeginstroom breder: Nederland is erg succesvol als het gaat om het signaleren van een achterstand (o.a. via vroegsignalering door de consultatiebureau’s) en op het inspelen hierop via de VVE programma’s. Succesvolle implementatie van vroegsignalering staat of valt echter met samenwerking en overeenstemming tussen de onderwijsprofessionals van de basisschool en dé kindspecialist en wettelijk verantwoordelijke: de ouder. Indien nodig aangevuld met een zorgvuldige overdracht van gegevens tussen de zorgprofessionals van het consultatiebureau en de school.

Vroegsignalering
Op 15 juli 2013 hebben we vanuit stichting 360grView, waarvan ik in die tijd voorzitter was, staatssecretaris Martin van Rijn van VWS benaderd met de vraag of het mogelijk is om onderzoek te starten naar het gebruik van het Van Wiechenschema bij het vroeg signaleren van begaafdheid bij jonge kinderen, en of het mogelijk is om hier meer aandacht voor te genereren. De staatsecretaris reageerde hier positief op (brief met kenmerk 108821-PG). De stichting is hier mee aan de slag gegaan, met onder andere het NCJ (Nederlands centrum Jeugdgezondheid).

Bevindingen: voor ouders en voor basisscholen biedt het breed gebruiken van Van Wiechenschema’s op de consultatiebureau’s een concreet aanknopingspunt bij de vraag welk onderwijs het meest passend is voor een kind én wanneer het per kind leeftijdtechnisch gezien in het belang van dat kind is om in te stromen in het basisonderwijs, indien er sprake is van een ontwikkelingsvoorsprong. De zorgvraag die nu vaak in de loop van een schoolcarrière ontstaat kan zo worden beperkt, hetgeen leidt tot een daling van het gebruik van voorzieningen, misdiagnoses en langdurende uitval op school (thuiszitters).

Het NCJ heeft verder in overleg met stichting 360grView succesvol het onderwerp vroegsignalering aangepakt. In goede samenwerking is de brochure ‘Jonge hoogbegaafde kinderen: een bijzondere groep; Kenmerken en problemen’ ontwikkeld (https://ontwikkelingsvoorsprong.info/2014/03/27/ncj-brochure-jonge-hoogbegaafde-kinderen/). Met deze brochure hebben professionals in de JGZ een duidelijk handvat voor het signaleren van potentiële hoogbegaafdheid bij kinderen in de consultatiebureauleefijd. De brochure is zowel binnen het zorgveld als daarbuiten zeer positief ontvangen. Daarnaast is er de door de stichting gemaakte informatieve website http://ontwikkelingsvoorsprong.info, voor ouders, onderwijs- en zorgspecialisten.

Omdat vroegsignalering binnen de consultatiebureaus in lijn is met de in het ‘Plan van aanpak toptalenten 2014-2018’ geformuleerde doelstellingen, hebben wij Staatssecretaris Sander Dekker eveneens op de hoogte gebracht van het verschijnen van de NCJ-brochure en ons onderzoek naar dit thema. Er ligt immers een duidelijke link tussen vroegsignalering en besluitvorming rond vervroegde instroom op de basisschool als we het hebben over maatwerk.

Vroegsignalering van talent op het consultatiebureau leidt niet alleen tot meer maatwerk in het onderwijs maar op termijn ook tot kostenbesparing. Zeker ten aanzien van thuiszitters kan, zoals geconcludeerd in de sessies Preventie op de Thuiszitterstop op 6 februari 2017, vroegsignalering 0-4 jaar een grote rol spelen – niet alleen rond een ontwikkelingsvoorsprong.

Maatwerk
Maatwerk is dus nodig. Het is aan te bevelen het Van Wiechen systeem van vroegsignalering van het consultatiebureau ook actief te gebruiken voor het signaleren van een voorsprong. Zo kan een kind met een voorsprong, net zoals een kind met een achterstand, een passende en waarschijnlijk vroegere start maken op de basisschool. Ruimte voor een 0/1 groep zou wat dat betreft een goed voorbeeld zijn. Een bredere kijk op of hervalidatie van Artikel 39 is daarvoor aan te raden.

Dorien Kok
http://DorienKok.nl

Klap-pen in let-ter-gre-pen of inzetten op klankbewustzijn

Het systeem van de Nederlandse taal is eenvoudiger en logischer dan veel mensen denken. Als het maar op een goede en duidelijke manier wordt aangeboden en geoefend.

Het klankbewustzijn is een belangrijke voorspeller voor het leren lezen (Ukrainetz en collega’s, 2011). Voldoende reden dus om extra in te zetten op dat klankbewustzijn in de kleuterklas.

In dit artikel van de website Kleutergewijs wordt de noodzaak om het klankbewustzijn te stimuleren bij de oudste kleuters goed uitgelegd:

Klap-pen in let-ter-gre-pen: overbodig en zelfs hinderlijk volgens recent onderzoek

Het artikel spreek over  lettergrepen (let-ter-gre-pen). Deze hebben bij het (leren) lezen geen functie. Wel functie hebben het auditieve verdelen en het ontsleutelen: als je het woord lettergrepen auditief (je hoort het) moet verdelen, is het le-ter-gree-pen.  Wanneer je het woord moet ontsleutelen (je leest het) lees je let-ter-gre-pen. Deze oefening is van belang voor het goed leren lezen.

Het is dus noodzakelijk voor de leesontwikkeling om niet gebruik te maken van het klappen van lettergrepen.

Wellicht is het verdelen in klankgroepen voor een niet-Nederlandse taal minder belangrijk, maar hier is het van groot belang om deze twee belangrijke spellingregels goed aan te kunnen leren, te weten het kunnen toepassen van de verenkeling van de lange klinker en verdubbeling van de medeklinker.

taalinblokjesDe in mijn praktijk gebruikte F&L-methode Taal in Blokjes gaat uit van de klanken van de taal. Aan de hand van de verschillende groepen klanken wordt het taalsysteem met de bijbehorende regels duidelijk gemaakt. Hierbij worden wetmatigheden behandeld die in het normale onderwijs niet aan bod komen. Met een beperkt aantal basisregels kan het grootste deel van de Nederlandse woorden al correct worden geschreven.

Om de verschillen tussen de verschillende klanksoorten zichtbaar en tastbaar te maken, wordt gebruik gemaakt van een kleurcode en ´klankblokken´ in verschillende kleuren.

Taalregels

Elk blok stelt een letter voor, de klank bepaalt de kleur van het blok. Met behulp van deze klankblokken kunnen woorden worden samengesteld. Doordat de structuur van de woorden op deze manier goed zichtbaar wordt, kan het toepassen van de basisregels op een eenvoudige en overzichtelijke manier worden geoefend.

Binnen de F&L methode leren de kinderen zonder problemen onderscheid te maken. Inzicht in de structuur van de taal is belangrijk om de regels te kunnen toepassen.

Springpleinen

Aan de Universiteit Utrecht is in 2007 een onafhankelijk onderzoek uitgevoerd naar de effectiviteit van de F&L-methode. De dossiers van 117 Taalhulp-leerlingen zijn geanalyseerd. Uit dit onderzoek blijkt dat behandeling met de F&L-methode® effectief is bij kinderen met dyslexie. De resultaten zijn gepubliceerd in het Tijdschrift voor Orthopedagogiek nr. 9, 2008.
Lees hier meer over de methode Taal in Blokjes.

logoikleerandersmettekstEen goed vervolg op de methode Taal in Blokjes, of startpunt als de problematiek minder groot is is de methode Ik leer anders, waar oa gekeken wordt naar alfabet- en klankbeheersing. Automatiseren speelt in deze methode ook een grote rol.

In mijn praktijk zie ik te vaak dat leerlingen het alfabet en de klanken niet beheersen, terwijl dat de basis is voor het leren lezen. Scholen gaan er automatisch van uit dat dit beheerst wordt. Ook bij leerlingen in het voortgezet onderwijs, waarvoor  Ik leer anders een prima methode is om hieraan te werken.
Lees hier meer over de methode Ik leer anders.

Met dank aan Annet Homburg van Stichting Taalhulp.

Leergedrag kleuters legt belangrijke basis voor het leren lezen

Als executieve functies al in groep 2 goed worden ondersteund, kunnen leerlingen daarvan profijt hebben bij het formele leesonderwijs in groep 3 en 4. Dat blijkt uit onderzoek van Eva van de Sande, die op 6 november 2015 promoveert aan de Radboud Universiteit Nijmegen. Executieve functies of ‘leervaardigheden’ helpen complexe informatie te verwerken tijdens het lezen en zorgen ervoor dat kinderen hun aandacht erbij kunnen houden. Leerkrachten kunnen hierop vrij eenvoudig sturen.

Pedro De Bruyckere – hij blogt over over onderwijs, jongeren, cultuur en media – heeft een blog  geschreven over het onderzoek van Eva van de Sande. Deze is hier te lezen: Persbericht NRO: Leergedrag kleuters legt belangrijke basis voor het leren lezen.

Kijk voor meer informatie over executieve functies hier: Het trainen van je executieve functies.

Klik op de afbeelding van de brochure behorend bij het proefschrift om deze te lezen:

Executieve functies voor het leren lezen

Onderwijs onderzocht: meerkeuzeopgaven van de Cito

Er is in het verleden al meerdere malen onderzoek gedaan naar of de keuze die Cito heeft gemaakt om de toetsing van de spellingvaardigheid als een onderdeel van het dictee te vervangen door een meerkeuzetoets verantwoord is. Het antwoord daarop is een heel helder: nee, ‘het meerkeuzedeel van de Cito is niet valide, diagnostisch onbruikbaar en didactisch nutteloos’. Ik citeer hierbij uit het 2014 onderzoek van Bosman & Schraven – ‘Meerkeuzeopgaven van de Cito- spellingtoets zijn echt niet valide’ (2014).  Lees hier meer over spelling en meerkeuzevragen.

Die uitkomsten zijn heel helder, helaas niet voor Cito zelf blijkt. Ook de politiek komt er niet uit, ook al is men wel verbijsterd hierover.

Mij gaat het nu om de meerkeuzevragen buiten spelling. Ik heb het over de “Welke in de rij hoort er niet bij?” vragen. Want daar valt ook wel een en ander over te zeggen.

Al jaren hebben we hier thuis aan de eettafel pret met de “Welke in de rij hoort er niet bij?” vragen van Cito, die door mijn werk regelmatig voorbij komen. Niet alleen omdat we graag spelen met taal, maar ook omdat de vraag er om vraagt: er is ruimte voor veel interpretatie, oftewel: hoe lees je de vraag en antwoordmogelijkheden.

Bij meerkeuzevragen is er geen ruimte voor meerkeuzeantwoorden. Iemand heeft bedacht welk antwoord goed is, de rest is fout. De bedenker van de toets denkt tijdens het maken hiervan gericht vanuit zijn eigen invalshoek. Veel kinderen (onder andere hoogbegaafden en visuele-ruimtelijke denkers) bekijken de vraag en antwoorden vanuit alle hoeken die er maar zijn, wat ook veel tijd kost.

En dat is mijn punt: voor velen is de rest niet fout. Het creatieve denken wordt hiermee ook absoluut niet gestimuleerd.

Vorige week kwam de volgende vraag vanuit het huiswerk van Amy (groep 7) langs op Facebook:

Welke in de rij hoort er niet bij?: peer – appel – banaan – kers

Vele mensen hebben een erg leuke middag gehad met deze vraag:
Banaan, de andere 3 hebben een pit(ten).*
Banaan, is de enige waar de schil af moet voordat je deze kunt eten.
Banaan, is de enige die niet van Europa kan komen.
Banaan, is de enige zonder de letter E.

Appel omdat het de enige die met een klinker begint.
Appel is de enige die een beetje heel blijft in je schooltas.

Kers! Die wordt als enige niet bruin als je ‘m even aangesneden laat liggen.
Het is de kers! Want met kers kan je verven.
Kers, want dat is de enige met een pit (steen) waar je een kussen van kan maken.
Kers, je hebt een bewaarbox voor een appel in de vorm van een appel. Dat zelfde geldt voor de banaan en de peer, maar niet voor de kers!
Een appel, peer en banaan kan je makkelijk schillen voordat je het eet. Maar een kers niet.
Kers

Het ‘juiste’ antwoord komt onderaan deze blog. Lees dus graag nog even door.

Een andere leuke – ook voor op verjaardagen 😉
Welke in de rij hoort er niet bij?: auto bus vrachtauto vliegtuig?

Een vaak besproken Cito-vraag. Vliegtuig hoort daar niet tussen, want die kan vliegen. Andere antwoorden zijn echter ook logisch te beredeneren: vrachtwagen, want die vervoert voornamelijk goederen en de rest voornamelijk mensen. Vrachtwagen nogmaals: alleen met die ga je niet op vakantie. Auto: dat is de enige die in een parkeergarage past.

Er bestaat nog een categorie meerkeuzevragen, die een ‘verhaal’ als basis hebben. Niet alleen voor minder talige kinderen zijn verhaal-sommen lastig, ook voor kinderen die verder denken of creatief denken:

Jantje fiets 5 kilometer per uur.
Hij moet naar de andere kant van de brug. Daar is zijn huis, op 7.5 kilometer afstand. Hoe lang doet Jantje er over om thuis te komen. Er zijn 4 antwoordmogelijkheden gegeven.

Deze vraag heb ik in de lijn van oefen Cito-vragen zelf bedacht voor mijn praktijk. Reacties van kinderen: tja, vertrekt Jantje wel meteen, of blijft hij eerst kletsen. Wie is Jantje eigenlijk en in welk dorp woont hij. Ken ik die route, ik woon immers ook bij een brug. Heeft hij wind mee of wind tegen. Is het een rechte brug of moet hij hoogtje op en hoogtje af. Kan de brug trouwens open, dan kan het namelijk zijn dat hij moet wachten. Moet hij onderweg schuilen tegen de regen. Moet je de brug meerekenen of na de brug beginnen. Etc etc. Ondertussen tikt de klok gewoon door.

Kwalitatief indicatief onderzoek CITO bij hoogbegaafde kinderen
Marleen van Dijk, orthopedagoge, heeft samen met Nienke Ryan en B. Noorland gekeken naar de effectiviteit van Cito toetsen bij hoogbegaafde kinderen. Bij creatief denkende kinderen bemerk je het zelfde effect als zij hebben gemeten.

Hun bevindingen: de kinderen proberen te achterhalen wat de vraag eigenlijk wil meten en werden verward door zaken die niet kloppen. Voorbeeld: als in de tekst staat dat mensen ijsjes gaan kopen en het regent of als er informatie toe wordt gevoegd die er niet toe doet. Dit zien we ook vaak terug bij plaatjes bij de vragen. Ook als er zaken worden benoemd met namen die op meerdere manier uit te leggen en te begrijpen zijn. Dit maakte de kinderen onzeker, maar vertraagt hen ook bij het maken van de toets. Dit terwijl het werkelijke doel – meten wat de kinderen geleerd hebben – niet in kaart werd gebracht.

Daarnaast wordt voorbij gegaan aan bepaalde specifieke kenmerken van oa hoogbegaafde kinderen en ook visuele-ruimtelijke denkers, bijvoorbeeld dat zij vaker problemen hebben met automatiseren. Problemen hebben met automatiseren zegt niets over de intelligentie, vragen die hier een beroep op doen en niet goed beantwoord worden beïnvloeden echter wel de totaal score. Er worden dus conclusies getrokken uit de test terwijl de inhoud niet aansluit bij het kind.

Ook worden in vragen problemen beschreven  die niets met de werkelijkheid te maken hebben of niet relevant zijn. De kinderen begrijpen het doel van de vraag dan niet en worden onzeker, waardoor er meer fouten gemaakt worden. Ook hier streeft de toets zijn doel voorbij, want er wordt niet gemeten wat de kinderen kunnen of hebben geleerd.  Deze kinderen hebben het vermogen om oplossingen te vinden voor echte problemen, zij raken echter verward door ‘domme’, ongeloofwaardige voorbeelden.

“Iedereen weet toch dat een poes 4 poten heeft, dat kan het antwoord dus echt niet zijn. Daar zit meer achter. Misschien moet ik de staart wel mee tellen, dus dan is het antwoord 5!”

Zij kunnen zich dan niet voorstellen dat dit werkelijk gevraagd wordt en gaan er meer achter zoeken – met verkeerde antwoorden tot gevolg.

Het komt bij deze groep kinderen ook regelmatig voor dat ze meer over het gestelde onderwerp weten dan diegene die de vragen gemaakt heeft.  De kinderen kunnen dan niet voor antwoorden kiezen omdat de vragen niet (helemaal) kloppen

De terechte conclusie: de Cito toets meet wat het kind kan, maar zou zich meer moeten richten op waartoe het kind in staat is. Dit is afhankelijk van de methodes die worden gebruikt om kinderen iets te leren, de competentie van de leerkracht en de wijze waarop getoetst wordt. Het gevaar van zoveel variabelen is dat het vormen van conclusies over de invulling van onderwijs voor het kind op basis van de resultaten van de Cito niet aansluit bij het kind en zeker niet zal leiden tot ontwikkeling van het aanwezig potentieel.

Eerst zou gemeten moeten worden of de methodes effectief zijn per kind, of de competenties van de leerkracht toereikend zijn en welke wijze van testen voor welk kind het meest geschikt is.

Tot die tijd gaat de meerkeuzevraag aan diens doel voorbij. Ik heb dit enkele jaren geleden samen met Lilian van der Poel (stichting 360grView) besproken met Cito. Helaas zonder effect. Mijn advies aan ouders is dan ook: ga oefenen op de vraagstelling van de meerkeuzevragen. Niet om de scores van je kind te verhogen, maar om je kind te laten snappen wat Cito bedoelt.

Cito (voorbeeld) rekentoetsen
Voor wie nog meer geïnteresseerd is in toetsen en meten, buiten de meerkeuzevragen om:
ten aanzien van de Cito (voorbeeld) rekentoetsen zijn er ook vraagtekens, iets waar Ben Wilbrink (vraagontwerp, toetszaken) en Henk Pfaltzgraff (wiskunde) zich in ruime mate in verdiept hebben. Die rekenvaardigheid toetst vooral het werkgeheugen, wat absoluut niet het doel hoort te zijn van een toets. De heren spreken over kronkels die moeten worden recht gestreken en over de mogelijkheden om mis te interpreteren. Dit heeft niets met rekenvaardigheid te maken, net zoals de ook hier aanwezige afleidende en niet van toepassing zijnde afbeeldingen in de toetsen. Lees hier meer over de rekentoetsen.

NPO 1 Radio – Arthur Umbgrove maakt zich druk over de Cito-toets: Cito is niet de oplossing, maar het probleem. Creativiteit wordt niet op prijs gesteld. Daarnaast is er sprake van stigmatisering. De test test ook maar één intelligentie.

Uitslag
En dan nog de beloofde uitslag van ‘Welke in de rij hoort er niet bij?’ vraag: peer – appel – banaan – kers. Er zijn in totaal 141 verschillende antwoorden gegeven op deze ene ‘simpele’ vraag. Banaan is de absolute winnaar met 71%. Ook juf bevestigt dat banaan de juiste keuze is. Uitleg waarom, daar was helaas geen tijd voor. Juf bevestigt wel dat er in de praktijk meerdere antwoorden mogelijk waren.

Het onderzoek van Amy:

Amy Huikeshoven met haar uitwerkingen.

De naam en foto’s van Amy zijn met toestemming van haar moeder geplaatst.

Ook interessant: Kleuters en Cito.

* Reactie op de opmerking dat een banaan geen pitjes heeft: hoewel de zaden uit de bananen die wij eten zijn gekweekt heeft een banaan oorspronkelijk echt wel zaadjes! Zou net zoiets zijn als zeggen dat er in een druif geen pitjes zitten alleen omdat wij ze zo aanpassen dat er ze ook zonder kunnen kopen.

Dorien Kok
http://DorienKok.nl