Categorie archief: Onderwijs

Over ‘Gewoon niet doen, zo’n speeldag voor hoogbegaafde kinderen.’

Esther Vuijsters schreef op 7 november een opiniestuk in de VROUW sectie van dagblad de Telegraaf: ‘Gewoon niet doen, zo’n speeldag voor hoogbegaafde kinderen.’ Het weekend ervoor stond er namelijk een oproepje in de krant: er wordt weer een speeldag georganiseerd voor (vermoedelijk) hoogbegaafde kinderen (vanaf 3 jaar).

Esther: “En passant stond erbij vermeld dat de ouders die dag ‘informatie’ konden krijgen. Vermoedelijk over de vermoedelijke hoogbegaafdheid van hun kind. Ik vind daar wat van. Van zo’n speeldag.

Nederland is een heerlijk vrij land, met vrijheid van meningsuiting hoog in het vaandel. Esther mag hier dus absoluut iets van vinden en zeker ook haar mening geven over de oproep in de krant. Dit betekent dat ik ook mag reageren op haar mening. Ik citeer hieronder enkele van haar uitspraken. Lees Esthers volledige stuk via deze link.

Beste Esther,

Geen mens is hetzelfde. Dat is mooi, maar meteen ook lastig. Begrip hebben voor een kind dat anders is en andere behoeftes heeft is dan soms ook moeilijk.

Laten we eens beginnen bij dat vermoedelijke. Want wie vermoedt dat dan? Uiteraard de ouders. Want er zijn nogal wat ouders die vermoeden dat hun kind hoogbegaafd is.

Ik ben blij te kunnen zeggen dat steeds meer professionals – bijv. op het consultatiebureau, huisartsen en peuterspeelzaalmedewerkers – de signalen van een ontwikkelingsvoorsprong herkennen. Het Nederlands Centrum Jeugdgezondheid (NCJ) heeft hier ook een mooie brochure voor geschreven. Vaak zijn het niet eens de ouders die dat signaleren. Zeker bij een eerste kind, omdat je dan nog geen ‘vergelijkingsmateriaal’ hebt.

Signaleren van een ontwikkelingsvoorsprong is belangrijk, net zo belangrijk als het signaleren van een ontwikkelingsachterstand –  waar we in Nederland al jaren heel erg goed in zijn. Als je signaleert kun je op maat gaan begeleiden om een optimale ontwikkeling te bevorderen. Dat is toch iets wat we voor ieder kind willen? Ook voormalig staatssecretaris Sander Dekker en de huidige minister Arie Slob delen deze mening.

“En dan dat ‘vanaf 3 jaar’. Is het nou werkelijk nodig om kinderen al op die leeftijd in hokjes te gaan stoppen? Is het niet gewoon genoeg de slimmerdjes een extra boekje en een leuke puzzel te geven? ‘Nee’ zeggen de voorstanders dan, ‘het voor die kinderen goed om onder gelijkgestemden te zijn’.”
Gelijkgestemden?! Kom op, we hebben het hier over een kind van 3! Die moet gewoon lekker met andere driejarigen omgaan. En tussen die driejarigen zit dan ook heus wel een gelijkgestemde. Gaat hij of zij daar lekker mee over Nijntje filosoferen.”

Omgaan met gelijkgestemden is belangrijk, ook al als je 3 bent. Veel van deze kinderen functioneren op een veel ouder leeftijdsniveau, bij de start op de basisschool bijvoorbeeld al op groep 3 niveau. Je komt dan in een klas waarvan je de lesstof voor het hele jaar al beheerst, bij kinderen die jou niet snappen. Het is dan lekker als je soms kunt spelen met een kind van jouw ontwikkelingsniveau. Soms, want deze kinderen en ouders gaan niet dagelijks naar zo’n speelmiddag, of wekelijks. Het risico op een sociaal isolement, jouw in je opiniestuk benoemde angst, door een bezoek aan zo’n middag is dus klein.

Hoogbegaafdheid is nog net niet iets waarvoor je je schaamt in Nederland, gezien de reacties die altijd op dit thema in de media te lezen zijn. Voor ouders is het dan ook fijn om op zo’n bijeenkomst openlijk over de ontwikkeling van je kind te praten zonder dat er iemand roept dat je opschept. Die zegt dat je kind iemand is waar anderen zich altijd aan moeten op kunnen trekken. Aan wie kan jouw kind zich dan optrekken?

Hoe vaak ik de afgelopen tijd niet heb gehoord ‘Ik ben heel slim, ik ben hoogbegaafd!’ Je wilt ’t niet weten. En nee, andere kinderen reageren daar dan niet heel lekker op. Die willen uiteindelijk niet meer met zo’n kind spelen. Voilà, sociaal isolement in optima forma. En dat ga je met zo’n speeldag even lekker op scherp zetten.

De kinderen benoemen zichzelf niet als hoogbegaafd, andere kinderen zien vaak al snel dat ze anders zijn – wat ze een makkelijk pestslachtoffer maakt.

Maar 2% van de mensen is hoogbegaafd. Hoe groot is dan de kans dat je in je straat of op de peuterspeelzaal een kind die ook een ontwikkelingsvoorsprong heeft tegenkomt? En toevallig ook nog bij je past, je interesses deelt. Die kans is klein. Het risico op sociaal isolement is hierdoor groot.

Sommige scholen hebben aparte klassen voor hoogbegaafde kinderen. Daar kan ik me nog wel wat bij voorstellen. Alhoewel ik in de basis ook daar geen voorstander van ben – mijn voorkeur gaat uit naar lekker ‘minglen’ in de klas, goede voorbereiding op het echte leven – zie ik in mijn omgeving dat dat ‘minglen’ niet altijd goed uitpakt. Zo’n klas kan dan een oplossing zijn. Kán. Maar spelen? Dat kan juist met iedereen. Die vaardigheden moet je met elkaar ontwikkelen.

Als je op basis van intelligentie ook allerlei andere levensdomeinen gaat afbakenen krijg je echt heel rare situaties. Gaan we straks dan ook aparte sportclubs oprichten voor hoogbegaafden? Misschien speciale wijken? Ik geloof niet dat je de (vermoedelijk) hoogbegaafde kinderen daar een plezier mee doet. Ze worden naar mijn idee toch al te vaak ‘speciaal’ behandeld.

Onderzoek op de eerste voltijds hoogbegaafdenschool in Nederland duidde dat hoogbegaafde kinderen veel beter functioneren op de sportclub of welke club dan ook als je ze op school bij elkaar zet. Ze functioneren beter in de maatschappij als je ze dit dus gunt.

Bovenstaande was mijn reactie op het opiniestuk van Esther Vuijsters. Ik kan nog verder gaan, bijvoorbeeld over het door haar benoemde ‘over Nijntje filosoferen’, wat in werkelijk een discussie over theorieën over het ontstaan van de mens kan zijn.  Ja, ook bij een 3-jarige.

Over IQ testen, die moeten bewijzen dat een kind hoogbegaafd is, maar eigenlijk niet voor het meten van hoogbegaafdheid ontwikkeld zijn.  Over het krijgen van buikpijn, als je alleen maar aan school denkt.  Over het ‘in de wachtkamer’ gezet worden op school: iedere dag opnieuw – hopend dat je gezien zal worden, aan de beurt zal komen en men snapt wat je kan en weet wat je nodig hebt. Wachtend tot er leerstof langskomt die je nodig hebt om je verder te kunnen ontwikkelen. Hopend dat ook je nieuwe dingen mag leren, onderzoeken, sponsen – eigenlijk gewoon groeien – zoals je tot nu toe thuis gewend was. Gewoon je eigen ontwikkelingslijn volgen. En hopend dat je niet door dit alles onterecht in een andere wachtkamer terechtkomt door bijkomende negatieve effecten: die van de psychiatrie.

Over het je continue moeten aanpassen aan anderen en jezelf daarbij verliezen.  Om er zelfs dan niet bij te horen. Over de vele hoogbegaafde thuiszitters, de drop-outs. Of over de zelfmoordgedachten van hoogbegaafde kinderen op basisschoolleeftijd, zelfs al in de onderbouw …..

Het hoeft niet zo te zijn. Gelukkig is het ook niet bij elk hoogbegaafd kind zo. Met velen gaat het goed. Zou het niet fijn zijn als het met ieder (hoogbegaafd) kind goed gaat? Dat we ieder kind konden geven wat het nodig heeft? Of op z’n minst daar naar streven? Al is het door ze een paar uurtjes per zo veel weken contact met ontwikkelingsgelijken te gunnen?

Esther, mocht je meer willen weten over ontwikkelingsvoorsprong dan raad ik je deze website aan: http://ontwikkelingsvoorsprong.info.

Of kom eens langs bij één van de georganiseerde speel(mid)dagen of andere ontmoetingsmomenten. Deze zijn er ook vanuit een niet-commercieel oogpunt. Zelfs voor volwassenen. Dan kun je het uit eerste hand horen van de kinderen en ouders.

En ouders, ik snap dat jullie moedeloos worden van dit soort mediaberichten en daarom eigenlijk terughoudend zijn geworden ten aanzien van hardop reageren: als we de onjuistheid niet benoemen zal er nooit iets veranderen. Misschien kunnen we door te reageren bij één iemand de ogen openen. Als die dat dan weer bij een ander doet etc ….. Voel je ook vrij om onder dit bericht te reageren.

Lees hier de wel behouden Facebook reacties van anderen op het opiniestuk van Esther.

Dorien Kok

Aanvullend
Reactie van Esther Vuijsters op VROUW Facebook, 8 november. Klik op onderstaande afbeelding om naar de discussie op Facebook te gaan.

20171108 Esther Vuijsters VROUW Telegraaf

Advertenties

Leeskilometers maken – veilig leren lezen

Hoe stimuleer je het maken van leeskilometers en visualiseer je de opbrengsten? Heel simpel!

Per zelf gelezen bladzijde in een boek mag een kind, na afloop van het lezen, een cm op het meetlint inkleuren. Eén kleur per gelezen centimeter of één kleur voor het totaal aantal bladzijden per keer. Zo kun je goed zien hoeveel je gelezen hebt. 🙂 Dit kan individueel thuis of op school met een meetlint voor ieder kind in de klas.

De papieren meetlinten zijn verkrijgbaar bij diverse bouwmarkten en de Ikea. Overleg even met de winkel als je er meerdere mee wilt nemen.

Tip: op de school van een cliënt hebben de kinderen, na introductie van dit systeem,  in de zomervakantie zowel hun reiskilometers als hun leeskilometers bijgehouden!

Ook interessant:
* Strips voor de beginnende lezer. 
* Veilig leren schrijven.

Dorien Kok

 

Arie Slob – minister van Onderwijs

Directeuren in het basis- en voortgezet onderwijs gaven minister Bussemaker en staatssecretaris Dekker van onderwijs een negatief eindoordeel. Bussemaker krijgt een 5,7 als rapportcijfer. Dekker scoort nog lager met een 4,6. (DUO, 2017)

Nu gaat Arie Slob het stokje voor PO en VO overnemen, samen met het thema media.

Arie Slob is de voormalige fractievoorzitter van de ChristenUnie. Hij begon zijn carrière als leerkracht maatschappijleer en geschiedenis in het VO. Hij staat bekend als een verbinder en schijnt erg constructief te zijn. Hij is zeer ervaren op het gebied van onderwijs.

Wat kunnen we verwachten:
– Er zal aandacht gevraagd worden voor meer mannen voor de klassen meer technisch VMBO (regeerakkoord/idee ChristenUnie)
– In het regeerakkoord: “Er komen specialisaties die zich richten op jongere en oudere (tot en met de onderbouw in het vmbo) kinderen en op vakgericht lesgeven in het beroepsonderwijs. Het beroep van onderwijzer wordt hierdoor aantrekkelijker, zowel voor mannen als voor vrouwen”
– Met een eigen motie zorgde Arie Slob ervoor dat de regering de effecten van het leenstelsel zouden gaan monitoren, hij voorspelde namelijk (terecht) dat negatieve effecten van het leenstelsel uit zouden komen – wat weer een negatief effect heeft op de toegankelijkheid van het hoger onderwijs.
– Arie Slob bepleitte dat ook op openbare scholen het scheppingsverhaal zou moeten worden onderwezen, om zo ruimte te geven voor het idee van meer dan één theorie over het begin van de aarde.
– Zoveel mogelijk kinderen naar school – thuisonderwijs dus alleen bij wijze van uitzondering. Dat was het uitgangspunt van Sander Dekker, ingegeven door angst voor religie en ouders die anders denken. Arie Slob zal hier ander mee om gaan dan Sander Dekker. De ChristenUnie wil graag de ruimte die er was voor thuisonderwijs behouden. Veel ouders geven dit volgens Arie Slob juist op een gewetensvolle manier. Strenger toezicht van de overheid is volgens hem niet nodig en zelfs onwenselijk.
– Arie Slob heeft zich verder ook verdiept in het thema vluchtelingen in het onderwijs: scholen moeten adequaat onderwijs kunnen bieden en daar ook het budget voor hebben.
– Arie Slob heeft al bijna 10 jaar geleden aangegeven dat er structurele aandacht, beleid en visie moet zijn voor hoogbegaafde kinderen. Elk kind dat een schoolgebouw binnenstapt moet de kans krijgen om uitgedaagd, gestimuleerd en gemotiveerd te blijven. Onderwijs moet maatwerk zijn. Scholen moeten in staat gesteld worden leerlingen die zorg te bieden die ze nodig hebben. “Niet alleen achterom moeten kijken, naar de achterblijvers, maar ook vooruit, naar degene die vooraan lopen of in ieder geval de potentie hebben dat te doen.”

Het verkiezingsprogramma van de ChristenUnie voor onderwijs: https://www.christenunie.nl/standpunt/onderwijs

Dorien Kok

Beleid voor hoogbegaafdheid is nodig, niet alleen aandacht. #regeerakkoord

Voorpagina regeerakkoordHet regeerakkoord, het was even wachten maar dan heb je ook wat. Als je de voorkant meerekent, 70 bladzijdes aan vertrouwen in de toekomst van Nederland. Het was wel even zoeken naar de tekst van dat akkoord, want als je het woord regeerakkoord online intoetst krijg je allemaal lijstjes onder de noemer ‘Dit is wat je moet weten’ en ‘De belangrijkste punten’.

Voor mijn werk zijn kinderen en hun ouders de belangrijkste punten en zoals verwacht kwamen de woorden thuisonderwijs en thuiszitters voor in het akkoord. Er moet nodig gesproken worden over de werkelijke invulling van de 2 thema’s – ik zie wat angels, maar mijn aandacht ging echter eerst naar wat anders: ik was blij verrast dat het woord hoogbegaafd voor kwam in het regeerakkoord. Zelfs 2 keer!

Waarom ik dit woord niet verwachtte?
We hebben jaren achter de rug waarin man en paard niet benoemd werden, waarin staatsecretaris Sander Dekker het woord hoogbegaafdheid verstopte in termen als excellentie en toptalenten – met definities die niet aansloten bij de praktijk van hoogbegaafde kinderen. Het ministerie rekent de top 20% best presterende leerlingen van een klas of groep tot de zogenaamde toptalenten en laat hiermee veel hoogbegaafde kinderen in de kou staan, omdat ze niet gezien worden en niet dat krijgen wat ze nodig hebben om hun talenten te ontwikkelen.

De angel ligt echter niet alleen bij het ministerie: gesteggel tussen samenwerkingsverbanden en schoolbesturen over wie nou waar verantwoordelijk voor is speelt ook een rol.

Er zijn gelukkig mooie voorbeelden van goede initiatieven en maatwerk, maar ondanks dat ‘passend onderwijs’ inmiddels toch al een paar jaar oud is lijken de samenwerkingsverbanden en schoolbesturen vooral nog steeds vast te lopen op, jawel.. samenwerking.

SLO conferentie ‘Bijzonder Begaafd’ – Signalen van schoolbesturen en samenwerkingsverbanden. 12 oktober 2017

Wanda Glebbeek, vanuit de SLO conferentie:
‘Passend onderwijs (sinds 2014) streeft naar een passende plek voor ieder kind, dus ook voor begaafde leerlingen met mogelijk extra ondersteuningsbehoeften. De samenwerkingsverbanden voor passend onderwijs krijgen hiervoor sinds 1 augustus 2015 een extra impuls oplopend van 8 miljoen in 2015 tot 29 miljoen euro in 2019. Deze middelen zijn bedoeld om binnen passend onderwijs recht te doen aan de brede doelstelling van passend onderwijs voor alle leerlingen, waaronder hoogbegaafden.’ aldus de site van SLO. In hoeverre zijn deze passende plekken inmiddels gerealiseerd en welke ambities hebben deze samenwerkingsverbanden nog om hierin verder te gaan faciliteren? De SLO zocht het, samen met het ministerie van OCW, uit. Een van de uitkomsten was deze. Opvallend (en best schrijnend) vind ik vooral dat blijkt dat 42,9% niet eens deeltijd voorziening (plusklas) heeft en ook geen ambitie deze te gaan realiseren en zelfs 62,2% aangeeft geen voltijds hoogbegaafden voorziening te hebben en ook geen ambitie om deze te gaan realiseren..(?!) Laat dit even op u inwerken..

Even terug naar dat regeerakkoord: 2x het woord hoogbegaafd:
“Het budget voor het onderwijsachterstandenbeleid wordt verhoogd met 15 miljoen euro per jaar en de verdeling wordt geactualiseerd. Tegelijkertijd wordt hetzelfde bedrag geïntensiveerd op het onderwijs voor hoogbegaafde kinderen.” Zo, die staat!

En dan verder, onder punt G45 een financieel overzicht. Daar viel mij iets op. Ziet u het ook?

Regeerakkoord punt G45.

Ziet u links het verschil in bewoording? Voor onderwijsachterstand het woord ‘beleid’, voor hoogbegaafdheid het woord ‘aandacht’. Geen beleid dus.

Vreemd. En niet vrolijk makend. Aandacht hebben we immers al gehad (zie bovenstaand stukje over Sander Dekker). Passend beleid is wat er nu nodig is in de praktijk. Beleid is immers veel meer dan aandacht.

Ik heb via Twitter – de snelste manier tegenwoordig – meteen om opheldering gevraagd aan de partijen die het regeerakkoord samengesteld hebben:

@VVD @cdavandaag @D66 @christenunie Waarom voor #onderwijs achterstand beleid & voor #hoogbegaafd-e kinderen alleen aandacht? #regeerakkoord

D66 was zo vriendelijk om meteen te reageren:
“Ambities voor #onderwijs liggen in de bestrijding van kansenongelijkheid en de stimulering van talent, goede docenten met een sterke positie, toponderzoek en krachtig beroepsonderwijs.”, Mooie reactie, welke echter geen antwoord was op mijn vraag.

Ik heb mijn vraag op Twitter verduidelijkt met de opmerking dat aandacht niet hetzelfde is als beleid. Ik hoop nog op antwoord. Het is namelijk belangrijk dat er beleid komt op hoogbegaafdheid. Er ligt nu immers voor deze kinderen een grote kansongelijkheid. Hoe gaan we om met kinderen die niet in het gangbare schoolsysteem passen. Voor wie achterafaandacht na schade vervangen moet worden door vroegsignalering en preventie.

In verschillende gesprekken hierover met het ministerie van OCW, VWS en andere grote (overheids)instanties wordt steeds beaamt dat ook deze kinderen beleid verdienen om niet alleen uitval maar ook misdiagnoses en stagnatie in de ontwikkeling te voorkomen. Men snapt in alle gesprekken dat het ook in het belang van Nederland is – op alle gebieden – als we inzetten op beleid voor deze kinderen. Beleid om er voor te zorgen dat er niet alleen achteraf aandacht is via drop-out klasjes of als ze thuiszitter zijn geworden. Juist inzetten op preventie en  maatwerk door beleid op vroegsignalering, al vanaf de consultatiebureaus. Beleid op dat kinderen niet zwaar beschadigd raken op een plek waar ze door de leerplicht gedwongen worden te zijn en niet weg kunnen. Ook als het duidelijk is dat ze deze kinderen daar niet kunnen bieden wat ze nodig hebben. Beleid op een (onderwijs)systeem dat deze kinderen en hun behoeftes kan zien en de vertaalslag kan maken naar maatwerk. Waar leerplicht leerrecht is en je aanwezigheid in een gebouw niet belangrijker is dan recht op onderwijs en je (geestelijke) gezondheid. Beleid op aandacht voor ook dit thema op onder andere lerarenopleidingen. Beleid dat een einde maakt aan het gesteggel tussen schoolbesturen en samenwerkingsverbanden. Beleid op kindbudget, waardoor het geld het kind volgt in behoeften en mogelijkheden, ook als de oplossing soms buiten de reguliere zetting ligt. Beleid dat het onmogelijk maakt dat de kosten voor voltijds hoogbegaafden onderwijs, onderzoek en bijkomende kosten zoals reiskosten verhaalt worden op ouders, ook als ze dit niet kunnen betalen. Beleid op respect voor de rechten van ouders al zijnde wettelijk verantwoordelijke en deskundige op het gebied van hun kind.

De vertaalslag naar dit beleid wordt echter weer niet gemaakt. Het stopt bij aandacht.

Het wordt nu dus tijd om de aandacht om te zetten in beleid. Laten we vanaf nu om tafel gaan voor nieuw beleid voor deze kinderen en aanpassing van huidig beleid voor meer maatwerk.

Met vertrouwen samen aan de slag voor de toekomst, ook voor deze kinderen.

Met dank aan Wanda Glebbeek.

Dorien Kok

Psychische kindermishandeling is strafbaar. Ook in het onderwijs?

KindermishandelingAanleiding voor deze blog is een artikel in het dagblad de NRC:

Ook psychische kindermishandeling is strafbaar
“Een kind kleineren laat soms een leven lang sporen na. Strafrechtelijk kom je daar als ouder niet zomaar mee weg, schrijft advocaat-generaal Miranda de Meijer.”

Kindermishandeling
Kindermishandeling is ‘elke vorm van voor een minderjarige bedreigende of gewelddadige interactie van fysieke, psychische of seksuele aard, die de ouders of andere personen ten opzichte van wie de minderjarige in een relatie van afhankelijkheid of van onvrijheid staat, actief of passief opdringen, waardoor ernstige schade wordt berokkend of dreigt te worden berokkend aan de minderjarige in de vorm van fysiek of psychisch letsel’. (Uit de Jeugdwet artikel 1.1: Wet van 1 maart 2014 ‘inzake regels over de gemeentelijke verantwoordelijkheid voor preventie, ondersteuning, hulp en zorg aan jeugdigen en ouders bij opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen.’)

Als een kind geregeld wordt uitgescholden of vernederd is er sprake van psychische mishandeling. Als een kind niet de nodige zorg krijgt voor zijn geestelijk welzijn, is er sprake van psychische verwaarlozing. Of dit nu door een kind, ouder of andere volwassenen gedaan wordt maakt hierin niet uit.

Aanhoudende of extreme frustratie van elementaire emotionele behoeften van het kind. Het kind geen veilige omgeving bieden. Ongevoeligheid voor het ontwikkelingsniveau van het kind. Het niet handelen of nalaten van dat wat een kind behoeft om te groeien, op alle gebieden. Allemaal vormen van psychische mishandeling.

Psychische mishandeling
Artikel in NRC: “Het Openbaar Ministerie heeft voor de rechter aangevoerd dat ook psychische mishandeling die zorgt voor een achterstand in de sociaal-emotionele ontwikkeling van het kind onder de werking van ons Wetboek van Strafrecht moet vallen. Het gerechtshof gaf het Openbaar Ministerie gelijk en oordeelde dat dit inderdaad onder omstandigheden het geval kan zijn. De rechter vindt hiervoor steun in bovengenoemde Wet op de jeugdzorg en de Jeugdwet.

Bovendien – zo stelt de rechter – blijkt niet uit de wetsgeschiedenis van het Wetboek van Strafrecht dat de wetgever de psychische vorm van mishandeling heeft willen uitsluiten. De rechter maakt hierbij nog wel een kanttekening: niet íedere kleinerende of denigrerende handeling of opmerking kan als mishandeling worden aangemerkt. Het hangt ervan af, van de situatie en van de gedraging.”

Psychisch letsel laat net zoals bij lichamelijke mishandelingen zijn sporen na. De sporen zijn meestal minder zichtbaar, kunnen een kind echter levenslang bijblijven.

Burgerlijk Wetboek
Het Burgerlijk Wetboek geeft in artikel 247 sub 1 & 2 de volgende omschrijving van ouderlijk gezag en opvoeding:
•Het ouderlijk gezag omvat de plicht en het recht van de ouder zijn minderjarig kind te verzorgen en op te voeden.
•Onder verzorging en opvoeding worden mede verstaan de zorg en de verantwoordelijkheid voor het geestelijk en lichamelijk welzijn van het kind en het bevorderen van de ontwikkeling van zijn persoonlijkheid.

De gezondheidstoestand en de veiligheid van het kind zijn bepalend hiervoor.

Psychische mishandeling op school
Een tekort op school in het geven van aandacht, warmte, bescherming en daarnaast eventuele cognitieve verwaarlozing – bijvoorbeeld een kind niet passend onderwijs bieden, is ook een vorm van psychische verwaarlozing. Ongevoeligheid in school voor het ontwikkelingsniveau van het kind, het aanbieden van een te laag cognitief niveau met emotionele en didactische schade tot gevolg is wat in de praktijk helaas veel voor komt. Dit staat nog los van pesten op school, door leerling of leraar.

De kinderen gaan aanpassingsgedrag vertonen: ‘verdwijnen’ of vertonen juist opvallend gedrag. Dit wordt vanuit het kind uitgelegd, vaak met diagnostiek tot gevolg. Onvoldoende kennis over de normale ontwikkeling van dit specifieke kind is niet voorhanden. Er is een verhoogd drop-out risico, waardoor een kind verdwijnt richting speciaal onderwijs of thuiszitter wordt.

Schoolbeleid
In het schoolprotocol omschrijft men de kaders voor het optreden bij pesten, agressie, geweld en vermoedens van kindermishandeling. In elke school dient een zodanig leer- en werkklimaat te heersen dat dit door niemand, of het nou personeel, leerling of ouders betreft, getolereerd wordt.

Het slachtoffer meldt deze incidenten echter meestal niet vanwege schaamte, uit angst voor het vervolg of uit loyaliteit aan de leerkracht. Bij ouders zien we deze loyaliteit ook. Je gelooft in het begin ook snel de volwassenen. Als ouder denk je misschien in het begin ‘doorzetten, hier wordt je sterk van’. Je gaat ook uit van de goede bedoelingen van de school en de directie.

Als het gaat om psychische mishandeling op school is een kind of de ouder zich (eerst) vaak ook niet bewust van dat wat er wel of juist niet gebeurt psychische mishandeling is. In Nederland ligt de link naar deze vorm van mishandeling immers primair bij ouders, vreemgenoeg óók als de school diegene is die de mishandeling faciliteert. Ook het artikel in het NRC spreekt alleen over oudermishandeling.

De praktijk laat zien dat professionals deze psychische mishandeling eigenlijk altijd vertalen naar verschillen in visie op onderwijs- en kindbehoeftes. De meldingen van ouders worden daarmee niet vertaald vanuit mishandeling, ook als deze vertaling wel terecht zou zijn. We spreken dan over het aantoonbaar onthouden van zorg voor een kind.

Voorbeelden uit de praktijk
Als voorbeeld scholen die ADHD-medicatie als voorwaarde stellen om een kind toe te laten op school en ouders die voor de keuze worden gesteld: of medicatie of uw kind moet naar het speciaal onderwijs (zie uitzending De Monitor).

Kinderen die gepest worden en daarom zelf een sociale vaardigheidstraining moeten volgen “om er mee om te leren gaan” of worden naar huis gestuurd. Pesters – ook leraren- worden, ondanks het protocol hiervoor, niet aangepakt, geschorst of verwijderd. ‘We hebben het protocol gevolgd’ is ook een standaard antwoord.

(Hoogbegaafde) kinderen die geen maatwerk in onderwijs krijgen, soms ook op scholen die zich specifiek op bepaalde groepen kinderen richten, omdat de expertise mist. Onderpresteren, depressiviteit en soms ook suïcidaal gedrag tot gevolg.

In situaties waarbij het gedrag van de leerkracht grensoverschrijdend is wordt geroepen dat wat ouders melden aannames zijn – ook als er getuigen zijn. De leerkracht wordt beschermt (‘anders zit ik met een hele klas’), ook door besturen. Zelfs als het kind depressief of overspannen is. Of als er sprake is van PTSS. Oorzaken worden thuis gezocht (gezinssituatie of pedagogische opvoedvisie), met AMK (Veilig Thuis) melding wordt gedreigd of gewoon gedaan – om ouders de mond te snoeren. Maatregelen die ouders voor hun kind nemen worden uitgelegd als wantrouwen in school, als niet meewillen werken en dat je een lastige ouder bent. Uitspraken van school worden blijkbaar door ouders ook verkeerd geïnterpreteerd, zo leggen directeuren en besturen uit.

De emotionele toestand van kinderen is niet van belang in de afweging van scholen en beleidsmakers. Dus heeft je kind een probleem en ligt het psychisch in de kreukels door een leerkracht of niet-passend onderwijs, dan kun je ook nog de kinderbescherming over je heen krijgen. En dan is je positie niet sterk. Emotionele en psychische schade is namelijk niet te bewijzen, dus zo’n heel verhaal heeft een hoog subjectief gehalte.

Aangifte doen tegen scholen is lastig: psychische schade is, zoals ik al zei, moeilijk te bepalen. De onderwijsinspectie verteld ouders daarbij niet of er onderzoek wordt gedaan. Leerplichtambtenaren ondernemen vaak geen acties tegen scholen.

Het is ook lastig om als bestuur of school je eigen beleid en handelen – en dat van je leerkrachten – te spiegelen en daar praktisch op te acteren. Slecht functionerende scholen en leerkrachten worden vaak geen strobreed in de weg gelegd. Makkelijker is het om een vertaalslag te maken naar individuele ouders, hun ‘overdreven’ emotionele betrokkenheid bij hun kind. Deze voelen zich vaak alleen staan in school. Ouders hebben ook een kennisachterstand ten aanzien van de onderwijsprocessen en worden daarom vaak overbluft. De leerplichtambtenaar en onderwijsinspectie is gericht op aanwezigheid in de school (leerplicht) en niet op maatwerk voor een individueel kind. Externe, door ouders betaalde, kindexperts zijn vaak niet welkom in school.

In hun poging om een einde te maken aan deze mishandeling hinderen scholen de ouders in een overstap naar een andere school, door deze vast te informeren over de ‘lastige ouders’. Je kunt dus vaak geen kant op.

Wat moet je nu als ouder?
Het belangrijkste advies:
Situaties lopen vaak uit de hand om dat ouders zich niet bij laten staan op juridisch gebied of te lang wachten met het inschakelen van juridische hulp. Wacht dus niet te lang met juridische advies of hulp te zoeken als dit nodig is. Bij een terecht punt en tijdige melding kan in bijna alle gevallen de situatie snel opgelost worden met kortdurende rechtshulp. Je kunt je ook bij laten staan zonder dat school dit weet. De regels rond onderwijs zijn niet slecht. Het is daarnaast altijd aan te raden om een rechtsbijstandsverzekering te nemen.

Adressen:
– Juridisch loket: https://www.juridischloket.nl
– Jurion: http://Jurion.nl

Verdere informatie:
– Ouders & Onderwijs: Bel gratis tussen 10:00 en 15:00 naar 0800-5010 of  mail naar vraag@oudersonderwijs.nl 
– In1School: https://www.in1school.nl

  • doe aan dossieropbouw, lees daarvoor hier verder;
  • maak gebruik externe klachtenregeling;
  • zijn er nog andere ouders op school in dezelfde situatie? Verenig je!;
  • neem gesprekken op;
  • laat je bijstaan, schakel eventueel zelf een professionele mediator in;
  • zorg dat je de regie houdt;
  • doe aangifte.

Artsen
De Meldcode van de KNMG geeft duidelijkheid over wat er van een arts wordt verwacht bij (vermoedens van) kindermishandeling: Zodra er bij het kind lichamelijke of psychische schade ontstaat of kan ontstaan tengevolge van de handelingen of nalatigheid van de ouders of andere personen ten opzichte van wie de minderjarige in een relatie van afhankelijkheid of van onvrijheid staat, is er sprake van kindermishandeling (KNMG, 2008). Vergeleken met de Meldcode uit 2002 is er in 2008 tot een belangrijke wijziging besloten: het uitgangspunt ‘zwijgen, tenzij’ is vervangen door het uitgangspunt ‘spreken, tenzij’. Ook onder andere huis- en schoolartsen kunnen dus een rol spelen van de aanpak van psychische kindermishandeling op scholen.

Taak overheid
Er moet meer oog komen voor de positie van kinderen en ouders in het onderwijs. Ouders hebben plichten ten aanzien van gezag. Instanties en personen mogen ouders niet hinderen in het uitvoeren van dit gezag en moeten hierin beter beschermd worden door de overheid.

Als je er niet uit komt met school.
Lees hier mijn blog met handige informatie voor als je er niet uit komt met school.

Aanvulling 24 juni 2017. Paul Mayer, voormalig onderzoeker bij het toenmalige AMK (Advies- en Meldpunt Kindermishandeling),  beschrijft deze vorm van mishandeling als ‘institutionele kindermishandeling’, als het gaat om instellingen die meewerken aan of gedogen van dergelijke “mis-handeling” (bron: Herman Baartman) of verwaarlozing. Ik denk dat hij dit zo correct omschrijft.

Aanvulling 15 november 2017 Oproep aan ouders
Veilig thuismelding over je gezin door school:
Ouders geven vaak aan dat ze de indruk hebben dat een veiligthuis-melding (opvolger van de Steunpunten Huiselijk Geweld en het Advies en Meldpunt kindermishandeling) wordt ingezet om het standpunt van de school over ondersteuning (of verwijzing naar speciaal onderwijs) kracht bij te zetten. Het argument is dan vaak pedagogische verwaarlozing, omdat ouders niet meegaan in het advies van school. Het aantal signalen over deze meldingen vallen op en je leest er ook in de media steeds vaker over. Ouders & Onderwijs roept ouders die in een situatie als deze zitten op om zich te melden. Er wordt vertrouwelijk omgegaan met uw informatie: Ouders & Onderwijs.

Dorien Kok
http://DorienKok.nl

Aanvulling december 2017: Lees ook de blog van Charlotte Visch over Marek en Kiet: Gelegaliseerd mishandelen van slimme kinderen.

Lees ook: #wiepakthetop Over bewustwording van het feit dat er in Nederland voor het kind vaak niet gehandeld wordt volgens de wet.

Brief aan de Tweede kamer, betreffende de knelpunten in het VMBO.

Lisette vdBLisette van den Beld wist niet wat haar overkwam toen ze op 10 mei een reactie op het Jeugdjournaal op haar Facebookpagina zette.

“Ik keek vandaag naar het Jeugdjournaal, het item over de Cito-toets wekte zoveel wrevel op bij mij dat ik ze gemaild heb.”

In haar bericht aan het Jeugdjournaal: “De VMBO leerling is zwaar ondergewaardeerd in onze samenleving en wordt maar gepusht om door te stromen naar havo/hbo en zonder het te beseffen werken jullie daar ook aan mee.”

In het filmpje over de Cito-toets was er vooral aandacht voor kinderen met een vwo-advies. Kinderen met een vmbo-advies zouden daar een rotgevoel van kunnen krijgen. Haar verzoek aan het Jeugdjournaal: “Help vmbo-leerlingen ook eens door hun prestaties in beeld te brengen! Wat is onze maatschappij zonder vakmensen als bouwvakkers, verzorgenden, monteurs, winkelmedewerkers, tuinmannen??” 

Haar brief aan het Jeugdjournaal maakte in heel Nederland wat los, zo ook  bij de redactie van het Jeugdjournaal. Ronald Bartlema,  Chef Nos Jeugdjournaal stuurde een brief terug en kwam op de school van Lisette filmen voor de volgende uitzending. Ook de kranten pikten haar schrijven op.

Het bericht van Lisette op Facebook is tot vandaag ruim 37.000 keer gedeeld. Bijna 13.000 reacties op Facebook, die aangaven dat ze haar boosheid begrepen en deelden. Voor Lisette een goede reden om zich ook tot de politiek te wenden, in de hoop dat er vanuit alle politieke partijen aandacht en actie komt om de knelpunten uit het VMBO aan te pakken en op te lossen. Ze deelt in de brief ook de met collega’s gedeelte visie over hoe de knelpunten verbeterd kunnen worden.

Hieronder de brief die ze vandaag verzonden heeft:

Betreft: Knelpunten VMBO

Geachte heer, mevrouw,

Sinds mijn afstuderen in 1997 werk ik in het onderwijs en al in het eerste jaar heeft het toenmalige (i)VBO nu VMBO BBL/KBL mijn hart gestolen. Ik ben gestart als docent scheikunde in het VSO maar de laatste 8 jaar werk ik fulltime als leerlingbegeleider op een grote VMBO school. Hier ligt mijn hart en is mijn overtuiging gegroeid dat alle leerlingen recht hebben op waardering en trots moeten kunnen zijn op zichzelf.

De laatste jaren echter is het overheidsbeleid en de maatschappij zodanig veranderd dat het voor deze groep leerlingen en scholen steeds moeilijker wordt om zich staande te houden. Dat dit gevoel breed gedragen wordt in de maatschappij bleek wel toen mijn brief aan het Jeugdjournaal (d.d. 10-05-2017) massaal gedeeld werd via Facebook (ruim 34.000 keer gedeeld, ruim 77.000 likes en bijna 14.000 reacties) en werd opgepikt door diverse media. Sinds die dag zie ik steeds meer aandacht voor het VMBO en het belang van vakmensen in de media. Op 14 juni, de dag van de examenuitslagen, zag ik zelfs Sander Dekker een variant op mijn woorden gebruiken.

De reden dat ik deze brief naar alle partijen uit de Tweede Kamer schrijf is dat ik hoop dat er vanuit alle politieke partijen aandacht en actie komt om de knelpunten uit het VMBO aan te pakken en op te lossen. Uiteraard heb ik, samen met mijn collega’s, ook een visie hoe onderstaande knelpunten verbeterd kunnen worden. Ik zal mij hieronder echter beperken tot het puntsgewijs benoemen van een aantal knelpunten met daarachter een toelichting waarom de VMBO’s en de leerlingen hierin vastlopen of knel zitten.

1. De beeldvorming in de maatschappij: Vanuit de huidige politiek is er heel veel aandacht voor excellentie. Leerlingen moeten meer mogelijkheden krijgen tot doorstromen, het resultaat van de eindtoets moet steeds hoger en het schooladvies vanuit het PO naar het VO mag naar boven bijgesteld worden na een onverwacht hogere score op de eindtoets (naar beneden bijstellen mag niet!), hoog scorende scholen worden beloond en in de media is er vooral aandacht voor hoge en dus goede prestaties. Aandacht voor de cognitief zwakkere leerling met een beneden gemiddeld IQ die binnen zijn/haar mogelijkheden heel goed presteert is er bijna niet. Door de veranderende maatschappij hebben de VMBO’s steeds meer een negatief imago gekregen. Ouders hebben hierdoor vaak moeite het advies VMBO te accepteren, vooral wanneer het advies basis/kader is. Vanuit het PO komen veel geluiden dat groep 8 docenten veel moeite hebben deze gesprekken te voeren met ouders als zij een hoger niveau willen/verwachten. Er ligt veel druk op de docent om een hoger advies uit te brengen.

2. De bindende schooladviezen vanuit het PO en het niet mogen terugkoppelen vanuit het VO: Er is geen discussie over het advies dat een basisschool meegeeft aan een kind. Het advies is bindend en wordt overgenomen door het VO. Krijgt een kind een hoger niveau advies dan op grond van het leerlingvolgsysteem (6 jaar voortgang zichtbaar) aannemelijk is, dan is de kans zeer groot dat de leerling na 1 of 2 jaar het niveau op het VO niet aan kan. Een Mavo-leerling van een MHV-school zal dan gevraagd worden de overstap te maken naar het kaderniveau op een VMBO-school. Deze leerling heeft het niveau niet kunnen waarmaken en moet overstappen naar een andere school. Vanuit de privacywetgeving mag een VO school deze informatie niet terugkoppelen naar de PO school waar deze leerling vandaan komt. Op deze manier krijgt een PO school geen zicht op het feit of de niveau advisering goed verloopt en ontneem je de groep 8 docenten de kans hiervan te leren en met ouders te spreken over niveau advisering vanuit hun ervaring vanuit eerdere jaren.

3. Het onderbouwrendement: Het onderbouwrendement wordt al sinds jaar en dag gemeten, in kaart gebracht en beoordeeld door de inspectie. Een voldoende onderbouwrendement houdt in dat de leerlingen volgens verwachting vanuit het PO doorstromen naar bepaalde niveaus in de bovenbouw van het VO. Het gaat hier vooral om meetbare cijfers en prestaties. Als VMBO-school strijden wij constant voor een hoger onderbouwrendement. Een frustrerende bezigheid wanneer daarbij de omstandigheden van een kind niet worden meegenomen. Ik kan u als leerlingbegeleider vertellen dat de omstandigheden van een VMBO-leerling “gemiddeld genomen” ongunstiger zijn dan die van een leerling op een MHV-school. Er is voldoende wetenschappelijk onderzoek die dit ook zal bevestigen. “Passend onderwijs” zou gunstiger zijn omdat de verantwoordelijkheid van het onderbouwrendement bij het PO komt te liggen. De advisering van het PO blijkt gemiddeld genomen (over alle niveaus in het VO) goed uit te pakken. Gemiddeld genomen betekent dat er wel wat verkeerde adviezen zijn maar gemiddeld genomen is de advisering goed. U begrijpt toch ook dat de pijn dan haast wel bij het VMBO moet liggen? Terugkoppelen over de voortgang van deze leerlingen mag niet, de overheid accepteert deze verkeerde adviezen als acceptabel? De VO school en dan met name het VMBO kunnen vanwege de (beperkende) cognitieve mogelijkheden van de leerling deze leerling niet altijd op het (te)hoge niveau houden. Een leerling “stroomt af” naar een lager niveau en het onderbouwrendement van een school wordt lager, deze VO school wordt hier weer op afgerekend door de inspectie met een negatieve beoordeling op dat punt.

4. De “afstromende” leerlingen moeten zich inschrijven op een school waar het lagere niveau wordt aangeboden, dit noodzakelijke overstappen kent ook vele knelpunten: Bij mij op school betekent dit elk jaar zo’n 20-25 aanmeldingen voor leerjaar 3 en 10-15 aanmeldingen voor leerjaar 2. In onze regio zijn 5 VMBO-scholen waar 80 – 100 leerlingen herplaatst moeten worden. Nadat wij hebben vastgesteld of de aangemelde leerlingen terecht naar ons zijn verwezen proberen we de toelaatbare leerlingen zo veel mogelijk te plaatsen. Helaas komt voor dat sommige vakrichtingen al helemaal gevuld zijn door de leerlingen die al bij ons op school zitten. De leerling die zich aanmeldt voor leerjaar 3 is dus afhankelijk van de overgebleven plaatsen. Hierdoor gebeurt het vaak dat als de gekozen afdeling vol zit, een leerling theoretisch wel geplaatst kan worden maar dan op een afdeling die niet past bij deze leerling. Voorbeeld: een leerling heeft affiniteit met zorg & welzijn, deze afdeling zit vol maar er is wel plaats bij de afdeling bouw. Deze leerling kan daar praktisch gezien niet geplaatst worden omdat de slagingskans nihil is voor een leerling die op een afdeling zit waar het geen affiniteit mee heeft. Omdat er aan praktijklokalen een maximaal aantal leerlingen zit vanwege de inrichting van het aantal werkplekken en we te maken hebben met veiligheidsregels kan er niet “nog even een leerling bij” en voor 4-5 leerlingen kun je geen extra klas opzetten omdat je daar als VMBO de financiële middelen niet voor hebt. Dit zorgt voor veel verdrietige reacties bij de niet-geplaatste leerlingen en hun ouders, maar ook een groot gevoel van onmacht bij zowel de school waar de leerling naar toe wil als de school waar de leerling vandaan komt.

5. Geen heldere landelijke procedure voor de zij-instroom: De aanmelding zij-instroom komt pas laat op gang, de toeleverende scholen vinden deze gesprekken lastig, ouders en leerlingen willen vaak nog extra tijd om te bewijzen dat ze het wel halen op de huidige school en wachten lang met aanmelden. Hiervoor zijn geen landelijke beleidsregels en geen wettelijke kaders behalve de wet op passend onderwijs die VMBO scholen dwingt deze geschikte leerlingen aan te nemen of te verwijzen naar een andere geschikte school met plek. Tussen de verschillende regio’s zijn grote verschillen qua organisatie van het zij-instroom beleid. Voor 1 mei maakt elke school zijn formatieplan voor het nieuwe jaar, het gros van de aanmeldingen voor zij-instroom komt nadat de formatieplannen al klaar zijn. Het komt voor dat er op geen enkele school meer passende beschikbare plekken zijn voor deze leerlingen in de regio en dan? Daar lopen de VMBO scholen vast. Ook hier stel ik vast dat er in het overheidsbeleid niet nagedacht is over het VMBO.

6. Het aanbod van MBO-niveau 1 en 2 opleidingen wordt steeds minder (vaak de route na het behalen van een diploma VMBO BBL of als een diploma niet haalbaar blijkt): Leerlingen kunnen na het verlaten van het VMBO (al dan niet met diploma) niet altijd meer de richting volgen waar hun hart ligt omdat deze niveaus steeds minder keuze bieden. Gevolg hiervan is dat deze groep een opleiding moet gaan doen waarvoor ze niet gemotiveerd zijn, ik hoef niet uit te leggen dat als er geen motivatie is, de slagingskans ook kleiner is. Halen ze het wel en hebben ze na die demotiverende periode op school nog de energie om een niveau 3 opleiding te starten dan kiezen ze vaak iets totaal anders waarmee de aansluiting niet soepel loopt qua vakinhoud. Zeker voor deze groep leerlingen is dat lastig vanwege hun cognitieve niveau.

7. Opwaartse druk en de effecten daarvan: Naast de al eerder genoemde effecten van de opwaartse druk (knelpunten zij-instroom, onderbouwrendement, PO adviezen) is er een marktwerking rondom het onderwijs ontstaan. Er zijn veel particuliere bureaus opgericht gericht op de verschillende knelpunten voor ouders. Voorbeeld 1: Vanuit diverse persoonlijke overwegingen kiezen steeds meer ouders voor een kindercoach in plaats van dat ze naar de gespecialiseerde Jeugd GGZ gaan als hun kind vastloopt. Kindercoach is geen beschermd beroep en de kwaliteit van deze bureaus zijn zeer divers. De dynamische driehoek school-ouders-leerling worden door de minder goede bureaus niet altijd in een goed evenwicht gebracht en de resultaten die behaalt worden voldoen vaak niet aan het doel dat gesteld werd en noodzakelijk was voor een verdere, betere schoolgang. Voorbeeld 2: De wildgroei van particuliere huiswerkbegeleiding-instituten. Voorbeeld 3: de Cito-training bureaus, de leerling leert de beste strategie hoe hij/zij de citovragen moet beantwoorden. De uitkomst zegt in dat geval dus niets meer over de kennis van deze leerling. De citoscore valt hoger uit en de leerling krijgt een opgehoogd advies dat niet altijd reëel is. Voorbeeld 4: het verkrijgen van een dyslexie- of dyscalculie verklaring, het percentage leerlingen met een verklaring is heel erg hoog. Het programma Rambam heeft in een reportage nog laten zien hoe makkelijk deze soms worden afgegeven. 
Aan een aantal van bovenstaande voorbeelden hangt een flink kostenplaatje dat door veel ouders uit het VMBO niet betaald kan worden omdat deze groep ouders gemiddeld vaak een lager besteedbaar inkomen heeft. De leerlingen uit gezinnen met een hoger besteedbaar inkomen hebben hier profijt van waardoor de kansen van de leerlingen steeds verder uiteen lopen.

8. De aandacht die naar de score van de CITO eindtoets uitgaat: Elk jaar komt CITO met een persbericht over hoe de eindtoets gemaakt is. Dit wordt opgepakt door de media en overal in de media verschijnen deze cijfers. De CITO eindtoets is een toets die test waar een leerling staat qua cognitie, dit is geen prestatiemeter. Een cognitief zwakke leerling heeft uiteraard een lagere eindscore voor deze toets. De gemiddelde score van elke school wordt gepubliceerd in diverse lijsten waar de kwaliteit van de scholen opgezocht kan worden. Uit een gemiddelde citoscore van een school kan echter helemaal geen kwaliteitsoordeel gehaald worden. Een school die een cognitief zwakkere leerling populatie heeft zal altijd zwakker scoren dan een school met een grote groep hoog intelligente leerlingen. Het kan zijn dat de eerstgenoemde school hun leerlingen wellicht tot zeer goede prestaties kan krijgen in verhouding tot de cognitieve mogelijkheden van deze leerlingen. De school met een populatie van hoog intelligente leerlingen kan, ondanks een hoog gemiddelde, toch onder verwachting scoren. Waarom dan toch die aandacht voor CITO elk jaar?

9. Erkenning kennis en deskundigheid van schoolmedewerkers: In de wet op passend onderwijs houdt een school altijd de zorgplicht. Dit betekent dat als een leerling het niet redt op de huidige school en de school handelingsverlegen is, de school samen met de ouders op zoek gaat naar een passende geschikte plek voor deze leerling. Vroeger werd de kennis en de deskundigheid van medewerkers op school zelden in twijfel getrokken en begrepen ouders dat het overstappen soms noodzakelijk was voor een verdere goede ontwikkeling van hun kind. Tegenwoordig zijn er zoveel (zelfbenoemde) deskundigen te vinden via het internet/sociale media dat er een steeds grotere groep ouders is die meer vertrouwen hebben in wat zij lezen van deze deskundigen, dan vertrouwen in de mensen die dagelijks met hun kind werken. Het gevolg is vaak dat ouders en school niet op 1 lijn staan en dat een leerling te lang op een plek blijft die in sommige gevallen zelfs beschadigend is voor deze leerling. Als ouders niet inschrijven op een passende plek of geen stappen ondernemen voor de noodzakelijke hulp kun je als school niets meer dan deze leerling zo goed mogelijk ondersteunen terwijl je handelingsverlegen bent. Dit soort situaties vragen ook veel van het incasseringsvermogen van de klasgenoten en de docenten.

10. De grote hoeveelheid veranderingen die het VMBO heeft gehad en nog krijgt, de werkdruk de financiële druk die dit oplevert: Het vernieuwd VMBO is dit jaar ingevoerd, de docenten zijn in hun taakuren (niet lesgebonden taken) heel hard aan het werk om voor dit vernieuwde VMBO hun lessen te schrijven. Dit vergt echter zoveel tijd en overleg dat de werkdruk door een combinatie van passend onderwijs en de steeds voortdurende veranderingen omhoog schiet. Docenten krijgen vaak extra taakuren voor het organiseren van alles rondom het vernieuwd VMBO, hierdoor zijn zij minder beschikbaar voor het geven van lessen. Een docent die minder lessen geeft is duurder voor de school. Maar hoeveel docenten kun je minder lessen laten geven? Voor het vernieuwd VMBO moeten ook de praktijklokalen aangepast worden en moet er veel nieuw materiaal aangeschaft worden. Al die veranderingen geven veel financiële druk op de VMBO’s die straks door deze druk genoodzaakt zijn keuzes te maken en afdelingen te sluiten. Het sluiten van afdelingen zorgt er weer voor dat minder leerlingen een opleiding kunnen volgen waar zij affiniteit mee hebben en dus voor gemotiveerd zijn. Ongemotiveerde leerlingen zorgen weer voor meer werkdruk bij docenten en een kleinere diplomakans bij de leerlingen.

11. Moet het vernieuwde VMBO het programma aanpassen aan de leerlingen die te laat afstromen naar VMBO. Doordat de afstroom zolang mogelijk wordt tegengegaan stromen binnenkort de leerlingen te laat in. In het vernieuwd VMBO worden de praktijkvakken al in leerjaar 2 gegeven en het praktijkexamen al in leerjaar 3 gedaan. Instromen in leerjaar 3 wordt hierdoor steeds complexer. De docenten moeten dan voor elke zij-instromer een programma op maat maken.
12. De LWOO-gelden: Een andere zorg is de verandering van de LWOO gelden. Nu krijgt een school voor een leerling die extra aandacht nodig heeft nog gelden voor de gehele schoolperiode, straks is dat alleen nog maar voor het eerste leerjaar. Door de verminderde financiële ruimte kun je deze groep leerlingen niet meer de extra steun bieden die zij zo hard nodig hebben.
De VMBO’s zitten klem, klem in de regelgeving, klem in het beeld dat de maatschappij van het VMBO heeft, klem qua financiën, klem in het passend onderwijs dat ze heel graag willen bieden maar niet altijd kunnen bieden en de VMBO docenten zitten klem in de enorme werkdruk die door al dit bovenstaande veroorzaakt wordt. VMBO docenten kiezen vaak heel bewust voor dit type onderwijs, maar wat ik om mij heen zie gebeuren is dat docenten de moed verliezen en steeds minder plezier hebben in hun werk. Het is ook steeds lastiger om docenten te vinden en de docenten die wel beschikbaar zijn op de arbeidsmarkt kiezen liever voor een schooltype als VMBO-t, havo en vwo.

Ik wil u vragen: Laat dit niet langer gebeuren. Zorg dat u beleid maakt waarbij de VMBO’s gehoord en begrepen worden en zorg ervoor dat deze knelpunten verdwijnen door een solide en betrouwbaar beleid waarbij de VMBO scholen ook financieel de ruimte krijgen de verschillende vakrichtingen open te houden. Ga eens kijken op een VMBO en praat met het team i.p.v. met een overkoepelende organisatie of een (vaak duurbetaalde) adviseur die alles vanaf een bureau ver van de werkvloer bedenkt. Ik nodig u van harte uit om eens op mijn school rond te kijken en in gesprek te gaan met mij en mijn collega’s over de knelpunten in het VMBO. Zowel de VMBO leerlingen als de collega’s die dagelijks zorgen voor deze leerlingen verdienen het om waardering te krijgen.

Vriendelijke groet,

Lisette van den Beld
Leerlingbegeleider VMBO

(Blog van Dorien Kok)

Klik op onderstaande afbeelding om het interview met Lisette in het dagblad De Gooi- en Eemlander te lezen. 

Schermafdruk Lisette

 

 

 

Gesprekshandleiding belang van vroegsignalering van een ontwikkelingsvoorsprong

31 mei 2017 Gesprekshandleiding overleg ministerie OCW en VWS met Dorien Kok (I-CARUS) en Lilian van der Poel (XL-leren) over het belang van vroegsignalering van een ontwikkelingsvoorsprong. 

Longread bij artikel Vroeg signaleren van begaafdheid bij jonge kinderen: het startdocument

Kinderen met een ontwikkelingsvoorsprong laten soms een ontwikkeling zien die wel 2, 3 of 4 jaar voorloopt op  leeftijdsgenoten. De meesten hebben niet meer dan 4 jaar nodig om de basisschoolstof te beheersen en enkelen van hen kunnen zelfs in een paar maanden het complete schoolprogramma doorlopen. Velen beheersen voor ze starten op school al meerdere einddoelen van groep 2 en sommige kinderen beheersen zelfs alle einddoelen. Helaas moeten ook zij gewoon aan het begin van het onderwijspad beginnen en dit pad jarenlang volgen, met als uitgangspunt leeftijd. In de praktijk betekent dit dat het kind ‘in de wachtkamer’ gezet wordt. Zo zit hij of zij daar iedere dag opnieuw te wachten – hopend dat hij gezien zal worden, aan de beurt zal komen en men snapt wat hij kan en weet en wat hij dus nodig heeft. Wachtend tot er leerstof langskomt die hij nodig heeft om zich verder te kunnen ontwikkelen. Hopend dat ook hij nieuwe dingen mag leren, onderzoeken, kan sponsen – eigenlijk gewoon groeien – zoals hij tot nu toe thuis gewend was. Gewoon zijn eigen ontwikkelingslijn volgen.

Het ministerie van onderwijs zet in op de toptalenten en excellentie. Excellentie is iets anders dan hoogbegaafdheid. Hoogbegaafdheid is een potentie: het geeft geen garantie op excelleren, in ieder geval niet per definitie op schoolgebied.

Het excellentiebeleid van het ministerie richt zich op  – zoals OCW dat zelf definieert – de ‘schoolloopbaan van leerlingen met hoge Citoscore’. Het toptalentenbeleid is gericht op ‘de top 20% best presterende leerlingen van een klas of groep’. Er is bij het ministerie dus geen beleid gericht op hoogbegaafden en daarmee ook niet op het ontwikkelen van hun potentieel en hun optimale groei.

Frappant detail is dat steeds minder leerlingen zichzelf in de definitie van toptalent herkennen: het blijkt dat 16% (2015) van de leerlingen in het Voortgezet onderwijs zich tot toptalenten rekent, in 2013 was dit nog 23% (cijfers CBS). Hoeveel leerlingen daarvan (mogelijk) hoogbegaafd zijn is niet onderzocht.

Op basis van het feit dat hoogbegaafde leerlingen niet automatisch ‘excelleren’ kun je dus stellen dat het excellentie- en toptalentenbeleid vanuit het ministerie en de scholen geen relatie heeft met hoogbegaafdheid. Je loopt hiermee het risico veel potentieel over te slaan.

Er is in de afgelopen jaren vanuit de scholen zelf meer aandacht voor hoogbegaafdheid in het onderwijs gekomen, onder andere via voltijds scholen voor hoogbegaafdheid. Toch gaat het nog steeds niet goed met deze groep kinderen. Te vaak vallen deze leerlingen uit, of hebben onderweg ondersteuning nodig om het schoolsysteem te doorlopen. Het lijkt erop dat juist een bepaalde groep hoogbegaafde leerlingen vaker uitval laat zien dan anderen groepen. In de volgende alinea gaan we daarom in op die verschillende groepen.

Ontwikkelingsvoorsprong: meerdere groepen kinderen.
Het gebruik van verschillende criteria voor hoogbegaafdheid om hoogbegaafde kinderen te signaleren is een onderwerp waar nog weinig over gesproken wordt. Een onderscheid dat van belang is omdat er momenteel maatschappelijk en onderwijstechnisch geen aandacht is voor meerdere soorten hoogbegaafdheid, en deze ook niet gezien en benoemd worden. De manier waarop we met kinderen met een ontwikkelingsvoorsprong op een ander gebied dan cognitief (bijvoorbeeld op het gebied van sport, kunst of muziek) omgaan verschilt daarentegen enorm. Dit is te linken aan het vlak waarop ze een ontwikkelingsvoorsprong hebben. Het bepaalt ook voor een groot deel hun kans op gezien (gesignaleerd) te worden en daarmee meteen hun kans op juiste begeleiding.

1. Sportbegaafde en kunstbegaafde kinderen
Kinderen met een talent op het gebied van muziek of kunst of zij die een groot atletisch- of danstalent bezitten worden vaak al op jonge leeftijd gesignaleerd, gescout en geselecteerd. De kinderen worden door specialisten op hun talentgebied begeleid om deze ontwikkeling te optimaliseren. Hierbij wordt er speciaal aandacht geschonken aan hun intrapersoonlijke ontwikkeling: de kinderen leren zichzelf en hun ontwikkeling te analyseren en te reflecteren op die ontwikkeling. Hard werken om een hoog niveau te halen is daarbij het startpunt, waarbij er duidelijk geïnvesteerd wordt in een growth mindset en motivatie. Ouders worden nauw betrokken bij de begeleiding.

Hier ligt een significant verschil met het onderwijs. Daar waar hard werken in sport en kunsten als normaal gezien wordt, wordt hard werken in het onderwijs gekoppeld aan achterstand, aan het niet goed zijn in leren of aan onnodig streberig gedrag. Het is niet standaard dat er positief gereageerd wordt op kinderen die meer weten dan de leerkracht op bepaalde gebieden. Sterker nog, veel leerkrachten ervaren het als een bedreiging als een leerling meer weet. Ook onder medeleerlingen wordt het niet gemakkelijk geaccepteerd als je leergierig bent. Je loopt al snel het risico buitengesloten te worden uit de groep. De sociale druk als je ‘anders’ in elkaar zit, is daarom van jongs af aan al hoog. Specifieke subgroepen van hoogbegaafde kinderen die door leraren niet gesignaleerd of geïdentificeerd worden – onder andere te wijten aan onderpresteren, geen aansluiting hebben met leeftijdsgenoten of in het onderwijs ondergewaardeerde talenten zoals creativiteit -, lopen het risico op een verminderd psychologisch welbevinden. De groep hoogbegaafde kinderen is daarmee automatisch een kwetsbare groep.

2. Academisch begaafde kinderen
Kinderen met academische talenten op school worden daarnaast vaak nauwelijks uitgedaagd. Ze leren weinig op school en worden niet gemotiveerd. Dat geldt niet alleen voor de basisschool. Zelfs op het gymnasium en de universiteit is er nauwelijks uitdaging te vinden en raken leerlingen en studenten opnieuw teleurgesteld en gedemotiveerd. Voor hun resultaten hebben ze vaak niet hoeven werken of leren, waardoor ze geen vaardigheden geleerd hebben. Kinderen die goed presteren zijn meestal degenen die zich het beste aan het schoolsysteem aanpassen. Deze aanpassing aan het systeem is een ernstige belemmering voor het signaleren van deze groep en daarmee de ontwikkeling van deze kinderen. Omdat ze goede cijfers halen gaan de onderwijsinstellingen ervan uit dat het onderwijs dat gegeven wordt voor deze kinderen passend is. Wij willen graag deze aanname omdraaien: als kinderen zo hoog kunnen presteren terwijl ze nauwelijks moeite hoeven te doen, leren ze dan wel iets? En excelleren ze dan wel? Er blijft een hoop potentie onbenut! Motivatie is onlosmakelijk gekoppeld aan inzet en prestatie. Pas als een kind kan reiken naar een ‘leerlevel’ hoger (zone van naaste ontwikkeling) is het mogelijk te laten zien wat je kunt.

Het merendeel van deze leerlingen loopt vast door de combinatie van een niet passend onderwijsprogramma, niet passende benadering, gemis aan expertise en onbegrip zorgt ervoor dat deze kinderen faalangst ontwikkelen en een fixed mindset opbouwen. Investeringen op (intra)persoonlijke ontwikkeling en ruimte voor kritisch denken zijn factoren die te weinig aandacht en ruimte krijgen krijgen in het onderwijs, terwijl dit juist erg belangrijk is en vaak ook bepalend voor een optimale talentontwikkeling. Een hoog IQ alleen is niet voldoende.

Voor deze groep, de academisch hoogbegaafden, kan verbreding en versnelling in het onderwijs met een juiste benadering vanuit de leerkrachten (‘leraar nominatie’) ’een oplossing kan zijn. Voorwaarde is daarbij wel dat ze gesignaleerd worden en blijven, zodat hier op ingezet kan worden.Vroegsignalering speelt een grote rol bij preventie van uitval van deze groep. Dit geldt niet alleen voor de kinderen die over een domein- of schoolspecifiek of (bijvoorbeeld wiskunde, science, talen of techniek) talent beschikken, maar ook voor de creatief begaafde kinderen.

3. Creatief begaafde kinderen
Creatieve hoogbegaafden worden gehinderd in hun ontwikkeling omdat onderwijs ingedeeld is in specifieke en cognitieve domeinen en er weinig ruimte is voor hun vaak niet-schoolse talenten, hun out-of-the-box manier van denken en specifieke leerstijl en -behoeftes. De talentontwikkeling vindt vaker naast school plaats, alleen niet op schoolse vaardigheden. Hun talenten vallen ook vaak buiten schoolse vaardigheden, vragen divergent denken en passen daarom ook niet in de schoolse setting.

Het signaleren van deze groep is nog extra lastig door afleidende factoren die verkeerd uitgelegd kunnen worden zoals leergierig maar niet zichtbaar, niet naar buiten gericht: verlegen meisjes, kinderen met een ontwikkelingsvoorsprong die alleen onder voorwaarden zichtbaar is (thuis, in veilige omstandigheden), stuiterballen, explosieve kinderen, drop-outs, kinderen met grote faalangst of met een scheve ontwikkeling, Daarnaast is er nog sprake van een groep kinderen met een groot potentieel die leerproblemen heeft, vaak door de conventionele leerbenadering in school. Zeer creatieve hoogbegaafde kinderen ervaren bovendien minder gevoelens van welbevinden dan minder creatief begaafde kinderen, terwijl het omgekeerde geldt voor kinderen die door hun leraar worden genomineerd.

4. Meervoudig begaafde kinderen
Wat het signaleren en begeleiden bemoeilijkt is dat de begaafdheid soms breed is: kinderen die academisch een voorsprong hebben kunnen bijvoorbeeld ook een groot sporttalent zijn of creatief in denken. Creatief hoogbegaafde kinderen hebben misschien ook een zangtalent, die tijd, aandacht en investering eist.

Een dubbel getalenteerd kind kan er dan voor kiezen om zijn talent echt hoofdzakelijk in te zetten op buitenschools gebied, en school ‘erbij’ te doen – zeker als de begaafdheid daar niet gesignaleerd is. Op school laten deze kinderen gemiddelde prestaties zien. Als de buitenschoolse carrière op school niet bekend is, is dit kind automatisch buiten beeld.

De breedte om bij meerdere en verschillende talenten in een kind aan te sluiten wordt gehinderd door het onderwijssysteem, dat gericht is op het volgordelijk doorlopen van het schoolcurriculum in een strak georganiseerde omgeving volgens vaste (denk)kaders. Dat is jammer omdat juist hun talenten hen helpen om ook op school redelijke prestaties te laten zien.

Er is voor deze kinderen weinig ruimte om de eigen ontwikkelingslijn te volgen. De kans dat we zien dat deze kinderen grote talenten hebben is daarmee beperkt. Tenzij we de moeite nemen om vroegtijdig te signaleren. Hoe eerder signalering plaatsvindt, des te sneller kan er ingespeeld worden op de behoeften die specifiek horen bij dit kind. Aan een goede signalering zijn wel voorwaarden verbonden.

Voorwaarden (h)erkenning
• signalering start vanaf het moment dat kinderen op de wereld zijn. Hierbij wordt ook   rekening gehouden met  hoogbegaafdheid in de familie;
• het consultatiebureau signaleert wat het kind daadwerkelijk kan op het moment dat hij wordt gezien, in plaats van te kijken naar wat het kind volgens zijn leeftijd zou moeten kunnen;
• investering in kinderopvangorganisaties op het thema hoogbegaafdheid is aantoonbaar aanwezig in verband met de begeleiding van het kind;
• scholen aanvaarden het advies van het consultatiebureau en/of kinderopvangorganisatie als daar al een voorsprong is gesignaleerd;
• investering op thema hoogbegaafdheid is in school aantoonbaar aanwezig;
• kennis ontwikkelingsvoorsprong/hoogbegaafdheid is aanwezig;
• tools voor het herkennen van een ontwikkelingsvoorsprong/hoogbegaafdheid zijn aanwezig;
• kennis in opvang, onderwijs en op het consultatiebureau van onderscheid karakteristieken van hoogbegaafdheid en karakteristieken stoornissen om verwarring en misdiagnoses te voorkomen;
• kennis over het psychologisch welzijn van hoogbegaafden;
• professional heeft een open houding naar ouders ten aanzien van hun positie als kind-expert;
• besef dat het niet alleen draait om cognitieve vaardigheden, hoge cijfers/scores en schoolprestaties;
• besef dat er, in tegenstelling tot  gangbare gedachte, geen sprake is van een verhoogde mate van sociale en emotionele problematiek bij een ontwikkelingsvoorsprong of hoogbegaafdheid. Soms is het zelfs zo dat er sprake is van een snellere sociale en emotionele ontwikkeling en dat deze ontwikkeling op een hoger niveau plaatsvindt;
• besef dat kinderen er niet altijd op eigen kracht komen, dat ook zij soms extra ondersteuning nodig hebben en dat ze net zoveel recht en en baat hebben bij uitleg als hun klasgenoten;
• zich bewust zijn van de mythes over hoogbegaafdheid;
• expertise is aantoonbaar aanwezig in het curriculum voor de opleiding tot pedagogisch medewerker;
• expertise is aantoonbaar aanwezige op dit thema bij de opleiding tot leerkracht; Samenwerkingsverbanden, leerplichtambtenaren, onderwijsinspectie en onderwijsconsulenten hebben de verplichting om expertise en budget in te zetten bij het samenwerkingsverband op dit thema;
• bewustzijn over het feit dat kinderen niet altijd specifiek in één categorie van begaafdheid vallen;
• besef het signaleren van hoogbegaafdheid met hulp van een IQ test zijn beperkingen kent: er zijn kinderen die ondanks hun begaafdheid niet boven de 130 scoren op de test. Dit bijvoorbeeld vanwege gebrek aan kennis bij de tester of omdat de gekozen test of een IQ test in het algemeen niet past bij de vaardigheden van een kind.

Gevolgen niet correcte of niet (tijdige) (h)erkenning
• niet gezien worden;
• niet krijgen wat je nodig hebt of past bij je sociale, emotionele en
cognitieve ontwikkeling;
• negatieve effecten op zelfbeeld;
• negatieve ontwikkeling op motivatie;
• ontwikkeling faalangst en fixed mindset;
• ontbreken van een stimulerende omgeving;
• natuurlijke ontwikkeling raakt verstoord;
• verhoogd risico op uitval in het onderwijs;
• verhoogd risico op uitval qua gezondheid;
• risico op depressie, angsten, psychische of psychiatrische problemen en
zelfmoord;
• risico wachtkamersituatie op school;
• risico op schade op alle vlakken bij het kind;
• leert niet de vaardigheden die hij later nodig heeft;
• risico dat de signalen die een beschadigd kind afgeeft verkeerd worden
geïnterpreteerd, mede door diagnosticering door het onderwijs zelf;
• risico onnodige verwijzing naar jeugdgezondheidszorg, de huisarts, de
psycholoog, psychiater en/of het ziekenhuis bij verkeerd lezen signalen;
• risico onnodige verwijzing naar verkeerd speciaal onderwijs bij verkeerd lezen
signalen;
• verkeerd lezen van de onderwijsopbrengsten bij niveauverwijzing voortgezet
onderwijs, met tot gevolg niet passend advies Voortgezet onderwijs;
• als gevolg van de vorige twee stappen: opnieuw risico op wachtkamersituatie;
• risico misdiagnoses;
• risico verkeerde behandelstrategieën;
• risico tijdelijk of permanent thuiszittersschap;
• risico verdwijnen uit het onderwijssysteem, en daarmee het uit beeld raken van
het kind;
• uitval ouders op het werk/opzeggen baan;
• kosten voor ouders ten aanzien van niet-vergoede hulp;
• akkoord van ouders voor misdiagnostiek ivm vergoeding kosten en vergoeding
voor hulp op school; Hulp wordt alleen vanuit diagnose vergoed. Er wordt dan
geen rekening gehouden met hoogbegaafdheid;
• geen optimale start in arbeidssituatie bij volwassenheid;
• niet benutten van volledig potentieel in het arbeidzaam leven;
• als gevolg daarvan risico op arbeidsconflicten, uitval, burn-out, depressie
etc.

Stand van zaken nu op consultatiebureau
Dossieronderzoek (stichting 360grView) duidt dat vroegsignalering op ontwikkelingsvoorsprong alleen gebeurt als de consultatiebureau-arts:
• ervaren is met het thema;
• zelf een achtergrond heeft vanuit hoogbegaafdheid vanuit persoon of gezin;
• het van Wiechenschema breed ingezet wordt en er structureel doorgetoetst
wordt: niet kijken naar wat het kind nu moet kunnen, maar wat het kind
daadwerkelijk kan op het moment dat het gezien wordt;
• er een pro-actieve signaleringssituatie gecreëerd wordt door positieve
uitwisseling van informatie met ouders;
• er niet alleen wordt uitgegaan van normaalnorm.

Conclusie dossieronderzoek: vroegsignalering van een ontwikkelingsvoorsprong/hoogbegaafdheid gebeurt nauwelijks via het consultatiebureau. Er is slechts sprake van signalering van P10 uitval op de norm. Daarnaast is het consultatiebureau voor veel ouders met een kind met een ontwikkelingsvoorsprong niets meer dan een weeg- en meetbureau. Ouders ervaren geen kundige sparringpartner in de consultatiebureau-artsen en -verpleegkundigen. Daarnaast zijn ouders bang voor misvattingen, voelen ze zich niet gehoord en krijgen ze te vaak adviezen die niet passen bij kinderen met een ontwikkelingsvoorsprong.

Oplossing vanuit vroegsignalering m.b.v. startdocument: rapportage vanuit vroegsignalering door o.a. het consultatiebureau
1. Zorg ervoor dat het consultatiebureau de taak en mogelijkheden krijgt om
vroeg te signaleren.
2. De bevindingen van 4 jaar continu signaleren kunnen dan, indien de ouders dat
wensen, als startdocument ter ondersteuning aan hen meegeven worden.
3. Met het startdocument kunnen zij gericht op zoek naar een school met passende
expertise.
4. Scholen kunnen met het startdocument van consultatiebureau vanaf het begin
van de onderwijscarrière van het kind op zijn minst insteken op het
ontwikkelingsniveau van het kind.
5. De mogelijkheden en het potentieel van het kind kunnen op deze manier beter
benut worden.

De opbrengsten:
• goed gedocumenteerde rode lijn in de ontwikkeling;
• het startdocument helpt de scholen bij de voorbereiding op passend onderwijs
voor het kind;
• voorkomen van niet correcte of niet (tijdige) (h)erkenning is beter dan
schade voor kind, ouders en maatschappij;
• ouders kunnen bewust kiezen voor de juiste basisschool;
• scholen kunnen zich beter voorbereiden op onderwijsbehoeften van instromende
kinderen;
• leerkracht heeft op de eerste schooldag meteen handvatten om het kind te
benaderen op een manier die past bij een kind met een voorsprong;
• er kan meteen een start gemaakt worden met het opstellen van een OPP
(ontwikkelingsperspectief);
• het risico op misvattingen over het kind wordt sterk teruggedrongen;
• minder risico op een wachtkamersituatie;
• minder risico op uitval/thuiszitten;
• sociale en emotionele groei van het kind is beter geborgd door het plaatsen in
een peergroep;
• het onderwijs kan zich weer bezighouden met waar ze goed in is, namelijk
onderwijs, in plaats van met conflictsituaties met kind en ouders.

Willen we passend onderwijs leveren voor hoogbegaafdheid leerlingen, dan moeten we inzetten op (vroeg-)signalering. Volg de rode draad in de ontwikkeling van het kind. Na de (h)erkenning moet de nadruk liggen op individueel maatwerk in het onderwijs, het op de correcte manier uitleggen van signalen en voorkomen van een verkeerde kijk op het kind en uitval op het gebied van gezondheid. Dit is iets wat de ministeries van OCW en VWS samen op moeten pakken. Hoogbegaafden komen er niet vanzelf, daar is degelijk hoogbegaafdenbeleid voor nodig, zowel in de groep 0-4 jarigen als in de groep 4 en ouder.

Een lang, vaak pijnlijk en nutteloos duur traject voor school, ouders en kind met misdiagnoses en onnodige zorgkosten worden hiermee voorkomen. Het onderwijs kan weer doen waar ze goed in is: het kind vanaf het begin passend onderwijs bieden en

ervoor zorgen dat de leerlijn van het kind daadwerkelijk stijgt. Door vroegsignalering wordt het mogelijk problematiek rondom hoogbegaafde kinderen voorgoed uit te bannen.

Winstpunten zitten hierin dus zowel aan de kant van het ministerie van VWS als aan de kant van het ministerie van OCW. We vragen om de samenwerking tussen de twee ministeries te intensiveren en op die manier bij te dragen aan het daadwerkelijk optimaliseren van de kindontwikkeling – met brede opbrengsten voor (alle inwoners van) Nederland, het mogelijk maken van Passend Onderwijs – het speerpunt van het onderwijsbeleid en een correct invulling van het volksgezondheidsbeleid – met vermindering van onnodige kosten.

De belangen zijn groot, niet alleen voor de kinderen zelf maar ook voor Nederland in zijn geheel. Juist hoogbegaafde kinderen zijn degenen die de problemen van nu kunnen oplossen, die oog hebben voor welke richtingen we kunnen kiezen en die antwoorden kunnen geven over vraagstukken met betrekking tot de toekomst en problemen die we mogelijk in de toekomst krijgen. Zij kunnen Nederland naar de top van de kenniseconomie en de wereldeconomie brengen. Innovatief zijn. Banen gaan creëren. Het bedrijfsleven zit hier smachtend op te wachten.

Verdere aanbevelingen:
• Onderzoek naar de groep P90 kinderen om meer informatie te krijgen over
ontwikkelingsvoorsprong is noodzakelijk. Alleen als we weten wanneer er sprake
is van een voorsprong en wanneer we zicht krijgen wat de werkelijke signaleren
van een voorsprong zijn, wordt signaleren ook werkelijk signaleren.
• Vroegsignalering, specifieke kennis over de verschillende vormen van
begaafdheid en de onderwijsbehoeften van deze kinderen moeten vast onderdeel
worden van de lerarenopleidingen.
• Inventarisatie van mogelijkheden tot vroegsignalering op de kinderopvang en
peuterspeelzaal is noodzakelijk gevolgd door scholing van de pedagogisch
medewerkers.

Dorien Kok                        &       Lilian van der Poel

contact@I-CARUS.info              info@XL-leren.com

035-887 0567                              06-18 53 27 75