Categorie archief: Onderpresteren

Herken hoogbegaafdheid vroegtijdig.

Opiniestuk in het Reformatorisch Dagblad van 22 december 2017.

Dorien Kok: “Er zijn veel misvattingen rond hoogbegaafdheid. Het is belangrijk dat een school een heldere visie heeft op hoogbegaafdheid en het vroegtijdig herkennen daarvan. Gedegen kennis is het beste medicijn tegen misvattingen en aannames over hoogbegaafdheid. Ik heb het niet over een beetje kennis. Dat is namelijk voer voor mythes over hoogbegaafdheid. En die zijn er al genoeg.”

Het volledige opiniestuk leest u hier: Herken hoogbegaafdheid vroegtijdig.

Psychische kindermishandeling is strafbaar. Ook in het onderwijs?

KindermishandelingAanleiding voor deze blog is een artikel in het dagblad de NRC:

Ook psychische kindermishandeling is strafbaar
“Een kind kleineren laat soms een leven lang sporen na. Strafrechtelijk kom je daar als ouder niet zomaar mee weg, schrijft advocaat-generaal Miranda de Meijer.”

Kindermishandeling
Kindermishandeling is ‘elke vorm van voor een minderjarige bedreigende of gewelddadige interactie van fysieke, psychische of seksuele aard, die de ouders of andere personen ten opzichte van wie de minderjarige in een relatie van afhankelijkheid of van onvrijheid staat, actief of passief opdringen, waardoor ernstige schade wordt berokkend of dreigt te worden berokkend aan de minderjarige in de vorm van fysiek of psychisch letsel’. (Uit de Jeugdwet artikel 1.1: Wet van 1 maart 2014 ‘inzake regels over de gemeentelijke verantwoordelijkheid voor preventie, ondersteuning, hulp en zorg aan jeugdigen en ouders bij opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen.’)

Als een kind geregeld wordt uitgescholden of vernederd is er sprake van psychische mishandeling. Als een kind niet de nodige zorg krijgt voor zijn geestelijk welzijn, is er sprake van psychische verwaarlozing. Of dit nu door een kind, ouder of andere volwassenen gedaan wordt maakt hierin niet uit.

Aanhoudende of extreme frustratie van elementaire emotionele behoeften van het kind. Het kind geen veilige omgeving bieden. Ongevoeligheid voor het ontwikkelingsniveau van het kind. Het niet handelen of nalaten van dat wat een kind behoeft om te groeien, op alle gebieden. Allemaal vormen van psychische mishandeling.

Psychische mishandeling
Artikel in NRC: “Het Openbaar Ministerie heeft voor de rechter aangevoerd dat ook psychische mishandeling die zorgt voor een achterstand in de sociaal-emotionele ontwikkeling van het kind onder de werking van ons Wetboek van Strafrecht moet vallen. Het gerechtshof gaf het Openbaar Ministerie gelijk en oordeelde dat dit inderdaad onder omstandigheden het geval kan zijn. De rechter vindt hiervoor steun in bovengenoemde Wet op de jeugdzorg en de Jeugdwet.

Bovendien – zo stelt de rechter – blijkt niet uit de wetsgeschiedenis van het Wetboek van Strafrecht dat de wetgever de psychische vorm van mishandeling heeft willen uitsluiten. De rechter maakt hierbij nog wel een kanttekening: niet íedere kleinerende of denigrerende handeling of opmerking kan als mishandeling worden aangemerkt. Het hangt ervan af, van de situatie en van de gedraging.”

Psychisch letsel laat net zoals bij lichamelijke mishandelingen zijn sporen na. De sporen zijn meestal minder zichtbaar, kunnen een kind echter levenslang bijblijven.

Burgerlijk Wetboek
Het Burgerlijk Wetboek geeft in artikel 247 sub 1 & 2 de volgende omschrijving van ouderlijk gezag en opvoeding:
•Het ouderlijk gezag omvat de plicht en het recht van de ouder zijn minderjarig kind te verzorgen en op te voeden.
•Onder verzorging en opvoeding worden mede verstaan de zorg en de verantwoordelijkheid voor het geestelijk en lichamelijk welzijn van het kind en het bevorderen van de ontwikkeling van zijn persoonlijkheid.

De gezondheidstoestand en de veiligheid van het kind zijn bepalend hiervoor.

Psychische mishandeling op school
Een tekort op school in het geven van aandacht, warmte, bescherming en daarnaast eventuele cognitieve verwaarlozing – bijvoorbeeld een kind niet passend onderwijs bieden, is ook een vorm van psychische verwaarlozing. Ongevoeligheid in school voor het ontwikkelingsniveau van het kind, het aanbieden van een te laag cognitief niveau met emotionele en didactische schade tot gevolg is wat in de praktijk helaas veel voor komt. Dit staat nog los van pesten op school, door leerling of leraar.

De kinderen gaan aanpassingsgedrag vertonen: ‘verdwijnen’ of vertonen juist opvallend gedrag. Dit wordt vanuit het kind uitgelegd, vaak met diagnostiek tot gevolg. Onvoldoende kennis over de normale ontwikkeling van dit specifieke kind is niet voorhanden. Er is een verhoogd drop-out risico, waardoor een kind verdwijnt richting speciaal onderwijs of thuiszitter wordt.

Schoolbeleid
In het schoolprotocol omschrijft men de kaders voor het optreden bij pesten, agressie, geweld en vermoedens van kindermishandeling. In elke school dient een zodanig leer- en werkklimaat te heersen dat dit door niemand, of het nou personeel, leerling of ouders betreft, getolereerd wordt.

Het slachtoffer meldt deze incidenten echter meestal niet vanwege schaamte, uit angst voor het vervolg of uit loyaliteit aan de leerkracht. Bij ouders zien we deze loyaliteit ook. Je gelooft in het begin ook snel de volwassenen. Als ouder denk je misschien in het begin ‘doorzetten, hier wordt je sterk van’. Je gaat ook uit van de goede bedoelingen van de school en de directie.

Als het gaat om psychische mishandeling op school is een kind of de ouder zich (eerst) vaak ook niet bewust van dat wat er wel of juist niet gebeurt psychische mishandeling is. In Nederland ligt de link naar deze vorm van mishandeling immers primair bij ouders, vreemgenoeg óók als de school diegene is die de mishandeling faciliteert. Ook het artikel in het NRC spreekt alleen over oudermishandeling.

De praktijk laat zien dat professionals deze psychische mishandeling eigenlijk altijd vertalen naar verschillen in visie op onderwijs- en kindbehoeftes. De meldingen van ouders worden daarmee niet vertaald vanuit mishandeling, ook als deze vertaling wel terecht zou zijn. We spreken dan over het aantoonbaar onthouden van zorg voor een kind.

Voorbeelden uit de praktijk
Als voorbeeld scholen die ADHD-medicatie als voorwaarde stellen om een kind toe te laten op school en ouders die voor de keuze worden gesteld: of medicatie of uw kind moet naar het speciaal onderwijs (zie uitzending De Monitor).

Kinderen die gepest worden en daarom zelf een sociale vaardigheidstraining moeten volgen “om er mee om te leren gaan” of worden naar huis gestuurd. Pesters – ook leraren- worden, ondanks het protocol hiervoor, niet aangepakt, geschorst of verwijderd. ‘We hebben het protocol gevolgd’ is ook een standaard antwoord.

(Hoogbegaafde) kinderen die geen maatwerk in onderwijs krijgen, soms ook op scholen die zich specifiek op bepaalde groepen kinderen richten, omdat de expertise mist. Onderpresteren, depressiviteit en soms ook suïcidaal gedrag tot gevolg.

In situaties waarbij het gedrag van de leerkracht grensoverschrijdend is wordt geroepen dat wat ouders melden aannames zijn – ook als er getuigen zijn. De leerkracht wordt beschermt (‘anders zit ik met een hele klas’), ook door besturen. Zelfs als het kind depressief of overspannen is. Of als er sprake is van PTSS. Oorzaken worden thuis gezocht (gezinssituatie of pedagogische opvoedvisie), met AMK (Veilig Thuis) melding wordt gedreigd of gewoon gedaan – om ouders de mond te snoeren. Maatregelen die ouders voor hun kind nemen worden uitgelegd als wantrouwen in school, als niet meewillen werken en dat je een lastige ouder bent. Uitspraken van school worden blijkbaar door ouders ook verkeerd geïnterpreteerd, zo leggen directeuren en besturen uit.

De emotionele toestand van kinderen is niet van belang in de afweging van scholen en beleidsmakers. Dus heeft je kind een probleem en ligt het psychisch in de kreukels door een leerkracht of niet-passend onderwijs, dan kun je ook nog de kinderbescherming over je heen krijgen. En dan is je positie niet sterk. Emotionele en psychische schade is namelijk niet te bewijzen, dus zo’n heel verhaal heeft een hoog subjectief gehalte.

Aangifte doen tegen scholen is lastig: psychische schade is, zoals ik al zei, moeilijk te bepalen. De onderwijsinspectie verteld ouders daarbij niet of er onderzoek wordt gedaan. Leerplichtambtenaren ondernemen vaak geen acties tegen scholen.

Het is ook lastig om als bestuur of school je eigen beleid en handelen – en dat van je leerkrachten – te spiegelen en daar praktisch op te acteren. Slecht functionerende scholen en leerkrachten worden vaak geen strobreed in de weg gelegd. Makkelijker is het om een vertaalslag te maken naar individuele ouders, hun ‘overdreven’ emotionele betrokkenheid bij hun kind. Deze voelen zich vaak alleen staan in school. Ouders hebben ook een kennisachterstand ten aanzien van de onderwijsprocessen en worden daarom vaak overbluft. De leerplichtambtenaar en onderwijsinspectie is gericht op aanwezigheid in de school (leerplicht) en niet op maatwerk voor een individueel kind. Externe, door ouders betaalde, kindexperts zijn vaak niet welkom in school.

In hun poging om een einde te maken aan deze mishandeling hinderen scholen de ouders in een overstap naar een andere school, door deze vast te informeren over de ‘lastige ouders’. Je kunt dus vaak geen kant op.

Wat moet je nu als ouder?
Het belangrijkste advies:
Situaties lopen vaak uit de hand om dat ouders zich niet bij laten staan op juridisch gebied of te lang wachten met het inschakelen van juridische hulp. Wacht dus niet te lang met juridische advies of hulp te zoeken als dit nodig is. Bij een terecht punt en tijdige melding kan in bijna alle gevallen de situatie snel opgelost worden met kortdurende rechtshulp. Je kunt je ook bij laten staan zonder dat school dit weet. De regels rond onderwijs zijn niet slecht. Het is daarnaast altijd aan te raden om een rechtsbijstandsverzekering te nemen.

Adressen:
– Juridisch loket: https://www.juridischloket.nl
– Jurion: http://Jurion.nl

Verdere informatie:
– Ouders & Onderwijs: Bel gratis tussen 10:00 en 15:00 naar 0800-5010 of  mail naar vraag@oudersonderwijs.nl 
– In1School: https://www.in1school.nl

  • doe aan dossieropbouw, lees daarvoor hier verder;
  • maak gebruik externe klachtenregeling;
  • zijn er nog andere ouders op school in dezelfde situatie? Verenig je!;
  • neem gesprekken op;
  • laat je bijstaan, schakel eventueel zelf een professionele mediator in;
  • zorg dat je de regie houdt;
  • doe aangifte.

Artsen
De Meldcode van de KNMG geeft duidelijkheid over wat er van een arts wordt verwacht bij (vermoedens van) kindermishandeling: Zodra er bij het kind lichamelijke of psychische schade ontstaat of kan ontstaan tengevolge van de handelingen of nalatigheid van de ouders of andere personen ten opzichte van wie de minderjarige in een relatie van afhankelijkheid of van onvrijheid staat, is er sprake van kindermishandeling (KNMG, 2008). Vergeleken met de Meldcode uit 2002 is er in 2008 tot een belangrijke wijziging besloten: het uitgangspunt ‘zwijgen, tenzij’ is vervangen door het uitgangspunt ‘spreken, tenzij’. Ook onder andere huis- en schoolartsen kunnen dus een rol spelen van de aanpak van psychische kindermishandeling op scholen.

Taak overheid
Er moet meer oog komen voor de positie van kinderen en ouders in het onderwijs. Ouders hebben plichten ten aanzien van gezag. Instanties en personen mogen ouders niet hinderen in het uitvoeren van dit gezag en moeten hierin beter beschermd worden door de overheid.

Als je er niet uit komt met school.
Lees hier mijn blog met handige informatie voor als je er niet uit komt met school.

Aanvulling 24 juni 2017. Paul Mayer, voormalig onderzoeker bij het toenmalige AMK (Advies- en Meldpunt Kindermishandeling),  beschrijft deze vorm van mishandeling als ‘institutionele kindermishandeling’, als het gaat om instellingen die meewerken aan of gedogen van dergelijke “mis-handeling” (bron: Herman Baartman) of verwaarlozing. Ik denk dat hij dit zo correct omschrijft.

Aanvulling 15 november 2017 Oproep aan ouders
Veilig thuismelding over je gezin door school:
Ouders geven vaak aan dat ze de indruk hebben dat een veiligthuis-melding (opvolger van de Steunpunten Huiselijk Geweld en het Advies en Meldpunt kindermishandeling) wordt ingezet om het standpunt van de school over ondersteuning (of verwijzing naar speciaal onderwijs) kracht bij te zetten. Het argument is dan vaak pedagogische verwaarlozing, omdat ouders niet meegaan in het advies van school. Het aantal signalen over deze meldingen vallen op en je leest er ook in de media steeds vaker over. Ouders & Onderwijs roept ouders die in een situatie als deze zitten op om zich te melden. Er wordt vertrouwelijk omgegaan met uw informatie: Ouders & Onderwijs.

Dorien Kok
http://DorienKok.nl

Aanvulling december 2017: Lees ook de blog van Charlotte Visch over Marek en Kiet: Gelegaliseerd mishandelen van slimme kinderen.

Lees ook: #wiepakthetop Over bewustwording van het feit dat er in Nederland voor het kind vaak niet gehandeld wordt volgens de wet.

Vroeg signaleren van begaafdheid bij jonge kinderen: het startdocument.

Vroeg signaleren van begaafdheid bij jonge kinderen
Op 15 juli 2013 hebben wij vanuit stichting 360grView, waarvan ik in die tijd voorzitter was, staatssecretaris Martin van Rijn benaderd met de vraag of het mogelijk is om onderzoek te starten naar het gebruik van het Van Wiechenschema bij het vroeg signaleren van begaafdheid bij jonge kinderen en of het mogelijk was om hier meer aandacht voor te genereren. De staatsecretaris reageerde hier schriftelijk positief op.

Wat is er al gedaan
Het NCJ heeft in overleg met stichting 360grView succesvol het onderwerp vroegsignalering aangepakt. In goede samenwerking is de brochure ‘Jonge hoogbegaafde kinderen: een bijzondere groep. Kenmerken en problemen’ ontwikkeld. Met deze brochure hebben professionals in de JGZ een duidelijk handvat voor het signaleren van potentiële hoogbegaafdheid bij kinderen in de consultatiebureauleeftijd. De brochure is zowel binnen het zorgveld als daarbuiten zeer positief ontvangen.
Daarnaast is er de door de stichting gemaakte informatieve website http://ontwikkelingsvoorsprong.info, voor ouders, onderwijs- en zorgspecialisten.
Ook is er dossieronderzoek gedaan. Dit werd mogelijk met hulp van ouders, die de consultatiebureaudossiers van hun kinderen op hebben gevraagd.

Dossieronderzoek
Conclusies dossieronderzoek: vroegsignalering van een ontwikkelingsvoorsprong/hoogbegaafdheid gebeurt nauwelijks via het consultatiebureau. Er is slechts sprake van signalering van P10 uitval op de norm. Daarnaast is het consultatiebureau voor veel ouders met een kind met een ontwikkelingsvoorsprong niets meer dan een weeg- en meetbureau. Ouders ervaren geen kundige sparringpartner in de consultatiebureau-artsen en -verpleegkundigen. Daarnaast zijn ouders bang voor misvattingen, voelen ze zich niet gehoord en krijgen ze te vaak adviezen die niet passen bij kinderen met een ontwikkelingsvoorsprong.

Toptalenten en excellentie
Omdat vroegsignalering binnen de consultatiebureaus in lijn is met de in het ‘Plan van aanpak toptalenten 2014-2018’ geformuleerde doelstellingen, hebben wij Staatssecretaris Sander Dekker in het verleden eveneens op de hoogte gebracht van het verschijnen van de NCJ-brochure en ons onderzoek naar dit thema.

Het Ministerie van onderwijs zet in op de toptalenten en excellentie. Excellentie is iets anders dan hoogbegaafdheid. Hoogbegaafdheid is een potentie: het geeft geen garantie op excelleren, in ieder geval niet per definitie op schoolgebied. Het excellentiebeleid van het ministerie richt zich op  – zoals OCW dat zelf definieert – de ‘schoolloopbaan van leerlingen met hoge Citoscore’.

Het toptalentenbeleid is gericht op ‘de top 20% best presterende leerlingen van een klas of groep’. Er is bij het ministerie dus geen beleid gericht op hoogbegaafden en daarmee ook niet op het ontwikkelen van hun potentieel en hun optimale groei.

Frappant detail is dat steeds minder leerlingen zichzelf in de definitie van toptalent herkennen: het blijkt dat 16% (2015) van de leerlingen in het Voortgezet onderwijs zich tot toptalenten rekent, in 2013 was dit nog 23% (cijfers CBS). Hoeveel leerlingen daarvan (mogelijk) hoogbegaafd zijn is niet onderzocht.

Op basis van het feit dat hoogbegaafde leerlingen niet automatisch ‘excelleren’ kun je dus stellen dat het excellentie- en toptalentenbeleid vanuit het ministerie en de scholen geen relatie heeft met hoogbegaafdheid. Je loopt hiermee het risico veel potentieel over te slaan.

Scholen
Er is in de afgelopen jaren vanuit de scholen zelf meer aandacht voor hoogbegaafdheid in het onderwijs gekomen, onder andere via voltijds scholen voor hoogbegaafdheid. Toch gaat het nog steeds niet goed met deze groep kinderen. Te vaak vallen deze leerlingen uit, of hebben ze onderweg ondersteuning nodig om het schoolsysteem te doorlopen. Het lijkt erop dat juist een bepaalde groep hoogbegaafde leerlingen vaker uitval laat zien dan anderen groepen.

Van Wiechenschema
Om het vroegsignaleren een vaste plaats in de systematiek van het consultatiebureau te kunnen geven, is er in die periode ook gekeken in hoeverre de Van Wiechenschema’s een adequaat instrument vormen voor het signaleren van talent. Voor ouders en voor basisscholen biedt het een concreet aanknopingspunt bij de vraag welk onderwijs het meest passend is voor een kind. De zorgvraag die nu vaak in de loop van een schoolcarrière ontstaat kan zo worden beperkt, hetgeen binnen de werkvelden volksgezondheid en onderwijs leidt tot een daling van het gebruik van voorzieningen, misdiagnoses en langdurende uitval op school (thuiszitters). Vroegsignalering van talent op het consultatiebureau leidt ook tot meer maatwerk in het onderwijs en op termijn ook tot kostenbesparing.

Waar staan we nu
Inmiddels zijn we een aantal jaren verder. Mijn dagelijkse professionele betrokkenheid bij maatwerk in het onderwijs en de thema’s vroegsignalering, misdiagnoses en thuiszitters noden mij om nogmaals contact met de staatsecretarissen van Rijn en Dekker te zoeken, ook nu ik niet meer betrokken ben bij stichting 360grView.

Zeker ten aanzien van thuiszitters kan, zoals geconcludeerd in de sessies Preventie op de Thuiszitterstop, vroegsignalering 0-4 jaar een grote rol spelen – niet alleen rond een ontwikkelingsvoorsprong.

Onderlinge afstemming tussen de ministeries die gaan over volksgezondheid (VWS) en onderwijs (OCW) hierover leek mij zinvol, omdat een succesvolle implementatie van vroegsignalering staat of valt met de zorgvuldige overdracht van gegevens tussen de zorgprofessionals van het consultatiebureau en de onderwijsprofessionals van de basisschool.

Overleg met OCW en VWS
De ministeries OCW en VWS hebben mijn uitnodiging om samen om tafel te gaan om te praten over het belang van vroegsignalering van een ontwikkelingsvoorsprong aangenomen. Op 31 mei ging ik daarvoor naar Den Haag. Natuurlijk ging Lilian van der Poel met me mee, we werken immers al ruim 5 jaar samen aan het thema ontwikkelingsvoorsprong.

In een gesprek kun niet alles vertellen en onthouden. Daarom is er een gesprekshandleiding geschreven waarin we de onder andere huidige situatie, knelpunten, oplossingen en opbrengsten van een ander beleid hebben beschreven. Deze longread is hier te lezen.

Startdocument
Willen we passend onderwijs leveren voor hoogbegaafdheid leerlingen en gaan voor een optimale ontwikkeling dan moeten we inzetten op (vroeg-)signalering. De manier waarop is eigenlijk simpel: volg daarvoor de rode draad in de ontwikkeling van het kind. Stimulerend signaleren en een breder gebruik van het Van Wiechenschema zijn daarvoor de juiste gereedschappen, die leiden tot wat ik noem een startdocument, die niet alleen voor kinderen met een voorsprong te gebruiken is:
1. Zorg ervoor dat het consultatiebureau de taak en mogelijkheden krijgt om vroeg te signaleren.
2. De bevindingen van 4 jaar continu signaleren kunnen dan, indien de ouders dat wensen, als startdocument ter ondersteuning aan hen meegeven worden.
3. Met het startdocument kunnen de ouders gericht op zoek naar een school met passende expertise.
4. Scholen kunnen met het startdocument van consultatiebureau vanaf het begin van de onderwijscarrière van het kind op zijn minst insteken op het ontwikkelingsniveau van het kind.
5. De mogelijkheden en het potentieel van het kind kunnen op deze manier beter benut worden.

Aan de ontwikkeling van het startdocument wordt door mij al gewerkt.

Verdere aanbevelingen
• Onderzoek naar de groep P90 kinderen om meer informatie te krijgen over ontwikkelingsvoorsprong is noodzakelijk. Alleen als we weten wanneer er sprake is van een voorsprong en wanneer we zicht krijgen wat de werkelijke signaleren van een voorsprong zijn, wordt signaleren ook werkelijk signaleren.
• Vroegsignalering, specifieke kennis over de verschillende vormen van begaafdheid en de onderwijsbehoeften van deze kinderen moeten vast onderdeel worden van de lerarenopleidingen.
• Inventarisatie van mogelijkheden tot vroegsignalering op de kinderopvang en peuterspeelzaal is noodzakelijk gevolgd door scholing van de pedagogisch medewerkers.

(H)erkenning, en dan
Na de (h)erkenning moet de nadruk liggen op individueel maatwerk in het onderwijs, het op de correcte manier uitleggen van signalen en voorkomen van een verkeerde kijk op het kind en uitval op het gebied van gezondheid. Dit is iets wat de ministeries van OCW en VWS samen op moeten pakken. Hoogbegaafden komen er niet vanzelf, daar is degelijk hoogbegaafdenbeleid voor nodig, zowel in de groep 0-4 jarigen als in de groep 4 en ouder.

Een lang, vaak pijnlijk en nutteloos duur traject voor school, ouders en kind met misdiagnoses en onnodige zorgkosten worden hiermee voorkomen. Het onderwijs kan weer doen waar ze goed in is: het kind vanaf het begin passend onderwijs bieden en ervoor zorgen dat de leerlijn van het kind daadwerkelijk stijgt. Door vroegsignalering wordt het mogelijk problematiek rondom hoogbegaafde kinderen voorgoed uit te bannen.

Winstpunten zitten hierin dus zowel aan de kant van het ministerie van VWS als aan de kant van het ministerie van OCW.

We vragen om de samenwerking tussen de twee ministeries te intensiveren en op die manier bij te dragen aan het daadwerkelijk optimaliseren van de kindontwikkeling – met brede opbrengsten voor (alle inwoners van) Nederland, het mogelijk maken van Passend Onderwijs – het speerpunt van het onderwijsbeleid en een correct invulling van het volksgezondheidsbeleid – met vermindering van onnodige kosten.

De boodschap is, zo hebben we het idee, deels goed binnengekomen bij VWS en OCW. Het andere deel moet, om de woorden van Lilian van der Poel te gebruiken: ‘net als een wasmiddel eerst inwerken’.

Dorien Kok
http://DorienKok.nl

Onderwijs uitgelegd: Doortoetsen

DoortoetsenAls een ouder of school denkt dat een leerling een ontwikkelingsvoorsprong of hiaten (het ontbreken van kennis) heeft of als hoogbegaafd is gezien moet een school deze leerling gaan ‘doortoetsen’. Ook als de leerling verder is dan de geboden leerstof of als uit de DLE scores blijkt dat een kind voorloopt.

Wat betekent doortoetsen voor een leerling met een leervoorsprong?

Doortoetsen: wat is dat?
Bij doortoetsen verzamel je informatie over een individuele leerling zodat je kunt zien wat het startpunt is voor je onderwijsaanbod. Het geeft een duidelijk beeld waar een leerling didactisch (onderwijstechnisch) staat in de ontwikkeling, iets wat een IQ test niet doet. Het kan – als de leerling niet onderpresteert en het doortoetsen goed wordt gedaan – duidelijkheid geven en voorkomt discussie intern of tussen school en ouders. Het vormt een aantoonbare basis om beslissingen te nemen voor een leerling. Het duidt ook of de leerling op slechts één vlak voorloopt of op meerdere vlakken, of het meer kan of op juist de tenen loopt. Het resultaat geeft geen inzicht in wat deze leerlingen niet kunnen.

Het is ook een hulpmiddel bij de keuze om wel of niet te versnellen – tussentijds doorstromen naar het volgende leerjaar. Doortoetsen is niet een eenmalige gebeurtenis, maar een proces van herhaling. Het is natuurlijk erg belangrijk dat school en de leerkracht iets kan met de resultaten. Als dit niet zo is, is hulp van buitenaf een must.

Wie doortoetsen
Niet alleen leerling waarvan de leervoorsprong zichtbaar is toets je door. Het doortoetsen kan ook andere vraagtekens over een leerling helder maken, bijvoorbeeld bij leerlingen die zich anders gedragen dan verwacht. Heeft een leerling zich misschien aangepast aan school (onderpresteren). Leerlingen die geen belangstelling tonen voor het huidige onderwijsaanbod, ongepast gedrag laten zien of gedemotiveerd zijn en daardoor niet gezien worden als ‘snelle snapper’ moeten ook doorgetoetst worden.

We hebben het hier ook over kleuters.

Het doortoetsen
Voor de start van het doortoetsen moet er eerst een onderzoeksdoel vast worden gesteld: niveaubepaling, mogelijk versnellen, hiaten opsporen of een andere reden.

Het afnemen van de toetsen vanuit het leerlingvolgsysteem (LVS) is specialistenwerk. Gedrag als aanpassen, faalangst en onderpresteren moet gesignaleerd worden. Dit kan immers de uitslag beïnvloeden. Ook wie de toetsen afneemt kan van grote invloed zijn. Per schooljaar zijn er 2 toetsen per vaardigheid (het lezen, hoofdrekenen, spellen, rekenen/wiskunde en begrijpend lezen) beschikbaar. Bijna alle toetsen worden in januari en juni afgenomen. Startpunt is de kalendertechnisch eerstvolgende leerstofafhankelijke toets, waarvan de leerstof nog niet is behandeld in de klas of met de leerling. Tempotoetsen zijn geen onderdeel van het doortoetsen.

Het gaat er niet om dat de leerling de toets foutloos maakt. Je kijkt alleen naar de totaalscore. Als de leerling een score A, B, of C haalt pak je er de eerstvolgende toets bij en neem je die ook af. Fouten worden geanalyseerd en geïnterpreteerd. Bij onverwachte uitval ga je nog verder met doortoetsen.

Groep 8 niveau
Er zijn geen verdere toetsen meer die aansluiten bij het niveau van de leerling als deze de lesstof van groep 8 vóór groep 8 (ruim) beheerst. Doortoetsen kan dus niet. Het is dan raadzaam om, bijvoorbeeld één keer per jaar, een toets af te nemen om vast te stellen of de lesstof bij de leerling beklijft en er geen terugval plaatsvindt. Dan moet zeker de lesstof aangepast worden.

Lesaanpak
Iets wat een leerling beheerst hoeft hij niet meer te leren. De foutenanalyse geeft aan wat een leerling nog niet beheerst. Je kijkt naar mogelijke hiaten of dat het gehele hoofdstuk nog niet beheerst wordt. Is er sprake van hiaten of wordt het hoofdstuk nog niet volledig beheerst dan wordt hier instructie en oefening op gezet, waarbij de mate van benodigde oefening lager zal zijn dan bij andere leerlingen. Ook het aantal leerstappen zal mogelijk minder zijn.

Aandachtspunt is dat deze leerling de rest van diens schoolcarrière waarschijnlijk geen 10 onderwijsmaanden nodig heeft voor een schooljaar, mogelijk beheerst het de leerstof zelfs in de helft van de tijd. Iets wat dus ook meteen gestart moet worden is het compacten (indikken leerstof) en verrijken (leerstof die tegemoet komt aan de specifieke leerlingbehoeften). Dit moet serieuze leerstof zijn, zodat deze leerlingen echt iets te doen heeft wat zoden aan de dijk zet. Het is niet de bedoeling dat de leerlingen maar een beetje bezig gehouden worden.

Versnellen
Soms is de voorsprong zo groot dat nadenken over versnellen verstandig is. Hierbij speelt niet alleen het doortoetsresultaat een rol, maar ook zullen ouders en school rekening moeten houden met factoren als welbevinden, aansluiting, persoonlijke omstandigheden enz. Observatie maar ook heldere communicatie tussen school en ouders spelen hierbij een belangrijke rol. Indien nodig is het verstandig hier een derde partij bij te betrekken, zoals een HB-specialist.

De Versnellingswenselijksheidslijst van het CBO in Nijmegen kan een tool zijn bij de besluitvorming hierover.

Lees ook:

Onderwijs uitgelegd: DL en DLE, wat kun je daar als ouder mee.

Onderwijs onderzocht: Versnellen, ja of nee.

Dorien Kok

Wachtkamerkind

Wachtkamer

En dan is je verjaardag voorbij, je bent nu 4 geworden. Eindelijk, na zo lang wachten, mag je naar school. Nu mag je echt gaan leren. Je kan al lezen, rekenen en schrijven en hebt er echt zin in.

Je vraagt op de eerste dag aan de juf: “Krijg ik hier ook les in Spaans?” Juf zegt: “Nee, alleen het ABC.” Je eerste teleurstelling: die komt hard binnen. Je kent de letters immers al lang. Je wilt dingen leren die je nog niet weet.

Dit is niet het verhaal van één kind. Er zijn veel meer kinderen, die de kleuterschool binnen komen en eigenlijk meteen al op groep 3 niveau functioneren. Helaas moeten zij gewoon aan het begin van het onderwijspad beginnen. Ze lopen 2, 3 of soms wel 4 jaar voor op leeftijdsgenoten.

In de praktijk betekent dit, dat het kind ‘in de wachtkamer’ gezet wordt. Zo zit hij (of zij) daar iedere dag opnieuw – hopend dat hij gezien zal worden, aan de beurt zal komen en men snapt wat hij kan en weet en wat hij dus nodig heeft. Wachtend tot er leerstof langskomt die hij nodig heeft om zich verder te kunnen ontwikkelen. Hopend dat ook hij nieuwe dingen mag leren, onderzoeken, sponsen – eigenlijk gewoon groeien – zoals hij tot nu toe thuis gewend was. Gewoon zijn eigen ontwikkelingslijn volgen.

We hebben het niet alleen over kinderen zoals deze, die hier als voorbeeld wordt genoemd: leergierig en tot nu toe succesvol in zijn ontwikkeling. Bij hem zijn de kenmerken zodanig dat er mogelijk direct een ontwikkelingsvoorsprong in herkend kan worden, als men er in investeert en er de kennis en tools voor heeft. We hebben het ook over kinderen die niet direct zichtbaar zijn: verlegen meisjes, stuiterballen, explosieve kinderen, drop-outs, kinderen met grote faalangst of met een scheve ontwikkeling.

Veel van deze kinderen blijven hun hele schoolse leven in de wachtkamer zitten. Dat in de wachtkamer zitten, houdt namelijk vaak niet op als ze naar groep 3 gaan. Dit los van het feit dat, als ze wel gezien worden, ze vaak nog niet krijgen wat ze nodig hebben om zich te kunnen blijven ontwikkelen. De vraag is wat dit voor het kind betekent?

Het antwoord: schade. Niet gezien worden als kind, niet aangesproken worden op de manier, die bij jou past, niet dat leeraanbod krijgen dat je nodig hebt en jou laat groeien. Het ontbreken van een stimulerende omgeving, die een kind uitdaagt. Dat doet wat met een kind: het beschadigt het kind. Het kind wordt geremd in zijn ontwikkeling en leert niet de vaardigheden, die het later nodig heeft.

Daar komt bij dat de signalen, die een beschadigd kind afgeeft verkeerd gelezen (kunnen) worden. Het kind verhuist hierdoor opnieuw naar een wachtkamer. Deze keer naar die van de jeugdgezondheidszorg, de huisarts, de psycholoog, het ziekenhuis – noem maar op – waar ze hem helemaal niet kunnen helpen. In het ergste geval verdwijnen kinderen zelfs helemaal uit het onderwijssysteem en komen ze thuis te zitten.

Hoe los je dit nu op? Voorkomen is beter dan genezen. Als je weet dat een kind bij aanvang van zijn schoolcarrière een ontwikkelingsvoorsprong heeft, kun je meteen inspelen op de onderwijsbehoefte van het kind. Het is dus van groot belang dat we dit gaan signaleren, voordat een kind naar school gaat. Aandacht voor vroegsignalering, zodat je als juf of meester op de eerste schooldag meteen handvatten hebt om het kind te zien en het daardoor meteen passend onderwijs kunt geven.

Dorien Kok

Onderwijs in terra incognita: over thuisonderwijs en hoogbegaafdheid

Voor meer van Sytze Steenstra: http://sytzesteenstra.wordpress.com

Sytze Steenstra Blog

Laat ik met de deur in huis vallen: mijn vrouw geeft mijn hoogbegaafde dochter thuisonderwijs. (Ik doe er zelf ook wel iets aan, maar veel minder). Dat is geweldig, een stuk beter dan de beste school die we konden vinden. Zoals onderwijskundigen het uitleggen: thuisonderwijs werkt één op één, is flexibel, sluit aan bij de vragen van de leerling, en is daardoor veel effectiever dan klassikaal onderwijs. Dat het voor mijn dochter een stuk beter is, zegt ook de schooljuf die mijn dochter een jaar lang les gaf, dat zegt de logopediste waar ze wekelijks heen gaat omdat ze dyslectisch is, dat schreef de orthopedagoge in haar verslag nadat ze haar twee dagen lang had getest. Natuurlijk vergt het veel inzet van ons. Het lesgeven kost veel tijd, en het zoeken naar goed lesmateriaal kost ook tijd, en geld. Het is, kortom, een prestatie waarvoor je als ouders best eens…

View original post 4.840 woorden meer

Onderwijs onderzocht: Versnellen, ja of nee

VersnellingIn Nederland staan we huiverig tegenover versnellen. Doe maar gewoon, dan doe je al gek genoeg is het motto. Keuzes hierover worden vaak niet op feiten gebaseerd. Middelbare scholen zijn ook erg huiverig over versnellen, hebben het idee dat zij de problemen van de basisschool op hun bord geschoven krijgen – voor wie de keuze tot versnellen vaak gebaseerd is op ‘wij weten het ook niet meer’.

De meeste leraren blijken (onderzoek Southern & Jones, Townsend & Patrick) nauwelijks op de hoogte zijn van bestaande literatuur over dit onderwerp. Struikelblok voor leerkrachten in het voortgezet onderwijs is ook de angst voor isolatie van de leerling en emotionele problemen. De praktijk wijst daarbij uit dat er bij leerkrachten ook weinig kennis voorhanden is over dat niet elke leerling met hoge intelligentie capaciteiten ook goed presteert, door bijvoorbeeld motivatieproblemen of faalangst.

Je kunt in een klas alle lessen aanpassen en eigenlijk zo ‘intern’ versnellen, maar dat is voor de meeste kinderen geen passende oplossing. De argumenten om niet te versnellen liggen zogezegd vaak op het sociale en emotionele vlak.  De sociale omgeving aanpassen in dezelfde klas is echter veel moeilijker. Een jaar overslaan is dan juist een betere oplossing.

Ouders staan ook vaak alleen en ongesteund voor deze beslissing, kunnen ook weinig informatie vinden hierover.

CITO eindtoets 2006: van de leerlingen die meededen aan de Cito eindtoets (145.742) waren van 144.274 leerlingen de gegevens over geboortedatum en geslacht bekend. Van deze groep waren 150 leerlingen 2 of meer keer versneld (dwz 10 jaar of jonger op 1 oktober in de brugklas), 91 jongens en 59 meisjes, dat is 0,1%.

 (cijfers: Leonieke Boogaard)

In Nederland is er al 2 keer onderzoek gedaan naar dit onderwerp. Ook internationaal liggen er antwoorden, uit langdurend onderzoek. Deze onderzoeken geven een ‘ja’ voor versnellen. In 2003 verscheen er in Nederland via CBO/KUN en Drs Lianne Hoogeveen het onderzoeksrapport  ‘Jonge, versnelde leerlingen in het Voortgezet onderwijs: Hoe om te gaan met leerlingen die, door het versneld doorlopen van de basisschool, als (zeer) jonge leerling het voortgezet onderwijs binnen komen. Vragen die hierin gesteld en beantwoord worden:

– Horen ze eigenlijk wel thuis op een middelbare school
– Lopen ze meer risico om problemen te krijgen binnen het voortgezet onderwijs
– Vragen zij om specifieke begeleiding?
– Hoe zou je deze leerlingen dan kunnen begeleiden

Het rapport geeft duiding over hoe de zorg om deze groep leerlingen bij de docenten te verminderen en biedt handvatten voor de begeleiding. Het rapport is daarmee een aanrader voor leerkrachten uit het voortgezet onderwijs en voor ouders.

Tijdens haar opleiding tot Specialist in Gifted Education (2008) deed Leonieke Boogaard onderzoek naar hoe het (extreem intelligente) leerlingen in het voortgezet onderwijs verging nadat ze op de basisschool twee of drie keer versneld waren, zodat ouders die voor een zelfde moeilijke keus stonden wél informatie zouden hebben over de mogelijke gevolgen. 6 jaar na haar eerste onderzoek herhaalde ze de vragen. De gemiddelde leeftijd bij de start van het voortgezet onderwijs van haar onderzoeksgroep was 10 jaar en 4 maanden. De jongste was 9 jaar en 7 maanden, de oudste 10 jaar en 11 maanden. Om te mogen meedoen aan het onderzoek moesten ze op 1 oktober in de brugklas 10 jaar of jonger zijn. De leeftijd van de ondervraagde leerlingen die meededen aan het onderzoek varieerde van 10 tot 18 jaar, dwz zeggen van brugklas tot 1e jaars student. De grootste groep zat in klas 3, daarna de grootste groep (evenveel leerlingen ) in klas 2 en 5. Zowel de leerlingen uit haar onderzoek als hun ouders gaven aan dat in het voortgezet onderwijs de contacten met klasgenoten en het aantal vriendschappen meer en beter waren dan op de basisschool. De angst van veel docenten dat jonge leerlingen op sociaal gebied geen aansluiting zullen vinden lijkt dus ongegrond. Dit komt ook naar voren uit het feit dat leerlingen én ouders aangeven dat er geen problemen zijn met de reacties van klasgenoten op zulke jonge medeleerlingen. Bovendien blijkt het merendeel van deze kinderen ook in hun vrije tijd, bij sport, muziek en andere buitenschoolse activiteiten voornamelijk met (veel) oudere kinderen en volwassenen om te gaan.

Uit onderzoek (Silverman) blijkt dat duurzame vriendschappen gebaseerd zijn op wederzijdse interesses en waarden, niet op leeftijd en dat hoogbegaafde kinderen in het algemeen een grotere sociale competentie hebben en eerder psychologisch volwassen zijn dan hun niet-begaafde leeftijdgenoten.

Sommige kinderen en ouders gaven in het onderzoek van Boogaard ongevraagd aan dat de versnellingen erg goed zijn geweest voor hun sociale leven: “Het heeft mijn sociale leven omhoog geschoten”, “Nu heb ik vrienden van gelijk niveau en gelijke ontwikkeling”, Mijn dochter bloeide emotioneel op na de versnellingen”.

Op cognitief gebied gaat het met alle jongeren redelijk tot goed, waarbij opvalt dat leerlingen op scholen die extra programma’s en/of begeleiding hebben voor hoogbegaafde leerlingen (meestal in de vorm van Compacten en Verrijken) betere resultaten halen dan leerlingen op scholen waar geen extra aandacht is voor deze groep. De angst van sommige docenten dat het te zwaar zou zijn voor zulke jonge leerlingen wordt weersproken door het feit dat de leerlingen op één na allemaal meerdere buitenschoolse activiteiten hebben. Ze doen bijna allemaal aan één of meer sporten, vaak op heel hoog (soms nationaal) niveau. Ook doet het merendeel aan muziek, dans of toneel.

Op de vraag aan leerlingen en ouders of ze met de huidige kennis achteraf wéér voor twee of drie keer versnellen zouden hebben gekozen antwoordt het merendeel (ouders 81%, leerlingen 85%) volmondig ja. Niemand antwoordde nee! Degenen die geen ja zeiden wisten het niet omdat het zowel voor- als nadelen had in hun ogen. De meeste ouders geven aan dat je domweg geen andere keuze hebt als je wilt dat je kind gelukkig is. “Ze is er erg van opgeknapt, zag het leven niet meer zitten. Dat is na de tweede versnelling nooit meer voorgekomen”.

Zes jaar later werd nogmaals de vragenlijst voorgelegd. Van de 27 leerlingen die Boogaard terugvond hebben er 22 gereageerd (14 meisjes en 8 jongens). Van hen studeerden er 17 aan de universiteit, deden er drie een tussenjaar en werkten er twee. Nog steeds deden ze gemiddeld 8 uur per week aan sport en werkten de meesten naast hun studie gemiddeld 9 uur per week. Op de herhaalde vraag of ze met de, inmiddels uitgebreide achteraf kennis, weer dezelfde keuze zouden maken antwoordde weer niemand met nee. Ja werd gezegd door 82%, een meer genuanceerd ‘weet ik niet’ door de rest. Sommigen hadden liever nog vaker versneld.

In 2013 werd het onderzoek ‘A Nation Deceived: How Schools Hold Back America’s Brightest Students – A Nation Deceived highlights disparities between the research on acceleration and the educational beliefs and practices that often run contrary to the research’* gepubliceerd, die de voorgenoemde bevindingen bevestigen. Conclusies Nicolas Colangelo na 50 jaar onderzoek:
– versnellen is goed en effectief
– versnellen levert geen schade aan emotionele sociale ontwikkeling
– onderzoek kan zeer stevig gefundeerd aantonen maar vecht tegen de praktijk die het niet gaat toepassen
– onderzoek en praktijk komen niet bij elkaar vanwege het systeem van onderwijs, sociaal en emotioneel aspect en de politieke trend’iedereen gelijk’
– angst voor het onbekende
– uit onderzoek blijkt de nummer 1 overtuiging/angst heel sterk is: we zijn bang dat er sociaal emotionele problemen ontstaan bij het kind.

Let op, dit rapport bestaat uit 2 delen! Download hier. De informatie in Volume II vormt de basis voor de inhoud van Volume I

Conclusie: In de praktijk blijkt er weinig reden tot zorg. Versnelling blijkt een praktische en productieve manier om deze kinderen passend onderwijs te geven en hun prestatie-motivatie te verhogen. Ook op sociaal-emotioneel gebied blijken de versnelde leerlingen goed te functioneren. Wat van belang is dat er indien ingezet wordt op gestructureerde extra begeleiding, gebaseerd op vertrouwen. De houding van de mentor en leerkrachten is daarbij ook van groot belang. Erkennen dat deze kinderen ‘anders’ zijn en andere behoeftes hebben is daarvoor de basis, net zoals aandacht voor het hebben van een juist beeld over deze kinderen. Aanpassing van het programma kan bestaan uit het variëren van de verrijking van de lesstof, zodat deze uitdagend is tot – indien dit eerste niet afdoende blijkt – het aanbieden van een apart lesprogramma en/of individuele begeleiding. Een investering van leerkrachten en scholen ten aanzien van kennis over deze doelgroep is een must. Tolerantie en extra ‘ruimte’ voor deze kinderen is daarbij ook een vereiste. *

Met dank aan Wijssein – Sonja Morbé voor de vertaling van de conclusies van A Nation Deceived: How Schools Hold Back America’s Brightest Students

Aanvulling 7 april 2015:

‘Versnelling in het funderend onderwijs’ – een onderzoek van Onderwijs in cijfers

Onderwijs in Cijfers is een samenwerking tussen het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS), Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) en het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW).

“Sommige leerlingen in het primair onderwijs (po) en voortgezet onderwijs (vo) hebben behoefte aan extra uitdaging. Scholen kunnen dan, onder andere, een versnelde leerroute aanbieden.

In deze thema-analyse onderzoeken we de loopbaan van twee groepen versnelde leerlingen: herfstkinderen en leerlingen die versneld hebben, maar geen herfstkind zijn. We gaan in op hoeveel en welke leerlingen versnellen, hoe succesvol deze leerlingen zijn in hun verdere schoolloopbaan en de effecten van versnellen voor de ontwikkeling van kinderen.”

Lees hier verder.

Lees ook:

Onderwijs uitgelegd: DL en DLE, wat kun je daar als ouder mee

Onderwijs uitgelegd: Doortoetsen

Dorien Kok