Categorie archief: Leerproblemen

Verwijzing naar speciaal onderwijs

Volgens artikel 24 van het VN-gehandicaptenverdrag mogen leerlingen niet vanwege hun beperking worden „uitgesloten van het algemene onderwijssysteem”. 

De Verenigde Naties: “dit betekent dat landen er geen regulier en speciaal systeem op mogen nahouden.” Landen mogen inclusief onderwijs geleidelijk invoeren, een termijn noemt het verdrag niet.

Volgens de Wet gelijke behandeling zijn scholen al jaren verplicht leerlingen met een beperking toe te laten, tenzij zij hiervoor aanpassingen moeten doen die „onevenredig belastend” zijn.

Nederland heeft in 2014 de Wet Passend onderwijs ingevoerd.  Met Passend onderwijs wil de overheid bereiken dat:

  • alle kinderen een passende plek in het onderwijs krijgen;
  • een kind naar een gewone school gaat als dat kan;
  • een kind naar het speciaal onderwijs gaat als intensieve begeleiding nodig is;
  • scholen de mogelijkheden hebben voor ondersteuning op maat;
  • de mogelijkheden en de onderwijsbehoefte van het kind bepalend zijn, niet de beperkingen;
  • kinderen niet meer langdurig thuis komen te zitten.

Op 12 april 2016 is het Verdrag inzake de Rechten van Personen met een Handicap (VRPH) aangenomen in de Eerste Kamer, met startdatum juli 2016.  In dit verdrag wordt nadrukkelijk verwacht van landen dat ze streven naar een inclusieve samenleving, en dus ook inclusief onderwijs.

Het ministerie van OCW vult het streven naar inclusief onderwijs in vanuit Passend onderwijs. Passend onderwijs is echter niet hetzelfde als inclusief onderwijs, het systeem van speciaal onderwijs blijft bestaan. Dit betekent dat verwijzing naar het speciaal onderwijs nog steeds gebeurt in Nederland. Lees hier meer over het verschil tussen Inclusief onderwijs en Passend onderwijs.

Scholen moeten vanuit het Verdrag inzake de Rechten van Personen met een Handicap  toegankelijker gemaakt worden voor kinderen met een beperking. De overheid moet niet alleen streven naar onderwijs waar kinderen met én zonder beperking samen kunnen leren, werken en spelen, ze moet ook actief acteren en sturen op maatwerk in de klas  en inclusief onderwijs op school. Alleen zo kunnen we stigmatisering van leerlingen met een beperking stoppen.

Meer informatie over het VN verdrag vindt u bij Ieder(in).
Meer informatie over inclusief onderwijs vindt u bij In1School.

Huidige procedure Rijksoverheid – verwijzing naar speciaal onderwijs

Toelating leerling tot het speciaal onderwijs

kinderen‘Het speciaal onderwijs is er voor leerlingen die specialistische of intensieve begeleiding nodig hebben. Bijvoorbeeld omdat zij een handicap of stoornis hebben. Uw kind moet toestemming krijgen om speciaal onderwijs te volgen. Dit is een toelaatbaarheidsverklaring (TLV). Voor slechtziende, blinde, slechthorende of dove kinderen gelden andere toelatingsregels.’

Toelaatbaarheidsverklaring

‘Deze verklaring is een bewijs dat uw kind recht geeft op een plek in het speciaal onderwijs. De school voor speciaal onderwijs vraagt de toelaatbaarheidsverklaring aan bij het samenwerkingsverband. Een samenwerkingsverband bestaat uit een samenwerking tussen gewone scholen en scholen uit het speciaal onderwijs uit een bepaalde regio.’

Toelating slechtziende, blinde, slechthorende, dove kinderen

‘Is uw kind slechtziend of blind? Of slechthorend of doof? Dan onderzoekt de Commissie voor Onderzoek van de school of uw kind speciaal onderwijs mag volgen. In deze commissie zitten onder andere een leerkracht, spraaktaaldeskundige en een maatschappelijk werker.’

Waarom de aanvraag voor een toelaatbaarheidsverklaring? 

  • omdat de leerling meer nodig heeft dan de basisondersteuning biedt
  • omdat de extra hulp niet in de gewone school gegeven kan worden
  • omdat de extra hulp niet genoeg effect heeft
  • een toelaatbaarheidsverklaring wettelijk nodig is voor plaatsing in het speciaal basisonderwijs (SBO) en speciaal onderwijs (SO)

TLV-commissie

Vragen waarop de TLV-commissie graag een antwoord wil hebben om kinderen in aanmerking te laten komen voor een toelaatbaarheidsverklaring.
1. Wat zijn de onderwijs- en ondersteuningsbehoeften van deze leerling?
2. Wat heeft de school er aan gedaan om hieraan tegemoet te komen?
3. Welke interventies waren succesvol en waarom?
4. Wat is er niet gelukt en waarom niet?
5. Als er onderzoek heeft plaatsgevonden (intern of extern) wat is er dan gedaan met de resultaten van de onderzoeken en wat was daarvan het effect.
6. Is er een verslag van de bijeenkomst waarin besloten is tot aanvraag van de TLV en welke deskundigen zijn betrokken geweest bij die afweging? Voeg dit verslag toe.
7. Wat is de visie van de ouders?
8. Waarom denk je dat deze leerling (nog steeds) is aangewezen op speciaal (basis) onderwijs?
9. Welke andere vormen van onderwijs zijn overwogen? Wat waren de argumenten voor en/of tegen deze vormen van onderwijs?

In een dossier moeten altijd de meest recente onderzoeksverslagen en leervorderingen worden toevoegen! Het dossier moet in zijn geheel als één PDF bestand aangeleverd worden. Lees hier meer over de toelaatbaarheidsverklaring.

Niet eens met de verwijzing naar speciaal onderwijs

Ouders kunnen in de huidige situatie bij geschillen over toelating en verwijdering bezwaar maken bij de school en vervolgens beroep aantekenen bij de rechter. Tevens bestaat de mogelijkheid om de Commissie gelijke behandeling in te schakelen. Gebleken is echter dat er behoefte bestaat aan een aanvullende voorziening, waarbij het ouders vrij staat om hiervan wel of niet gebruik te maken.

In het amendement 91 op de Wet Passend onderwijs wordt deze aanvullende voorziening geregeld. Er is  één landelijke geschillencommissie (voor po, (v)so en vo gezamenlijk) die oordeelt in geschillen over (de weigering van) toelating van leerlingen die extra ondersteuning behoeven en de verwijdering van leerlingen alsmede over het ontwikkelingsperspectief.

Geschillencommissie passend onderwijs (GPO) 

Lees ook: – Wet- en regelgeving rondom ouderschap en onderwijs                  

                  – Als je er niet uit komt met school

Dorien Kok
http://I-CARUS.info

Bronnen: Samenwerkingsverband Waterland Primair onderwijs & Amstelronde Passend Onderwijs

 

Advertenties

Schrijven met je oren? #dyslexie

We gebruiken de hele dag taal, maar wat weten we er eigenlijk van? Op school zijn we er uren mee bezig: welke regels zijn er, hoe schrijf je een woord zoals het hoort. Moeilijke woorden en teksten leren lezen, schrijven en begrijpen.

Taal is niet nieuw voor je als je op school komt. Je hebt in de jaren er voor al een aardige woordenschat opgebouwd, weet al op jonge leeftijd welke woorden je wel of niet in bepaalde situaties kunt toepassen en wat de juiste woordvolgorde is. Je ontwikkelt je daar op een natuurlijke manier in, breidt je woordenschat in de loop der jaren uit.

Taal is een communicatiemiddel. Jij kunt aan een ander duiden wat je wilt, nodig hebt. Andersom ook. Taal helpt je om elkaar te begrijpen, informatie te geven en emotie te duiden. Je kunt ervaringen en belevenissen met elkaar delen door taal. Het is dus goed dat er taalafspraken zijn, om het communiceren zo goed mogelijk te laten verlopen. Met ‘handen en voeten’ kom je op vakantie in een ander land ook best wel ver, maar in het dagelijks leven is dat natuurlijk niet afdoende.

Inzicht geven aan kinderen in wat taal eigenlijk is helpt kinderen in hun taalontwikkeling. Inzicht over hoe ze zelf met taal omgaan ook. Zeker ten aanzien van spelling. Veel kinderen vinden spelling lastig: je moet zoveel afspraken onthouden. En er zijn zo veel uitzonderingen! Taal is ook best wel vaak onlogisch.

Kinderen die problemen hebben met het juist spellen lopen vaak ook tegen leesproblemen aan. Wanneer kinderen hun eigen teksten en boeken kunnen kiezen – die aansluiten bij hun ontwikkeling of interesses, zijn ze automatisch ook veel meer gemotiveerd om te lezen. En dan kan zelfs een Donald Duck pocket het juiste leesvoer zijn!

Best wel veel kinderen – daarnaast ook volwassenen – weten niet hoe ze de spellingregels correct toe moeten passen. Ik werk met kinderen aan hun taalinzicht, zonder het regels leren in de klas te verstoren.

In de sessies die ik met kinderen doe, in bijzijn van een ouder en bij voorkeur ook van de leerkracht, IB-er of directeur van de school, gaan we niet alleen schriftelijk aan de slag met taal. We praten er ook over. Mijn eerste vraag aan het kind is dan: hoe schrijf jij woorden. Schrijf jij ze net zoals ik het liefst met je oren?  ‘Huh?’ Is dan meestal hun eerste reactie. Ook van de volwassenen.

Schrijf jij ook met je oren. Schrijf jij woorden zoals je ze hoort. Veel kinderen doen dit. Na even nadenken komen ze zelf ook vaak met ‘ik schrijf zoals ik de woorden hoor, dus ik schrijf woorden met mijn oren.’ En dan gaan we praten over taalafspraken en het nut daarvan. En over het nut van woordenboeken.

Over de dubbele a, e, o en u. Ook over de dubbele i. Is net een vergeten groente, maar bestaat ook in het Nederlands. Vroeger werd de i nog vaak zonder punt geschreven, wat bij een verdubbeling verwarring gaf met de u. Sinds het jaar 1804 hebben we daarom de lange ij, gewoon een staartje aan de tweede i. Hiermee kan ik laten zien dat taal iets is wat veranderd, maar dat dit niet over één nacht ijs gebeurt. Dat dit een natuurlijk proces is. Net zoals het ontstaan van straattaal of sms-taal, wat we niet voor alles gebruiken.

Taal leren door verbindingen te leggen, er mee te spelen in plaats van er alleen oefeningen in je schrift mee te doen na aanleiding van een nieuw aangeleerde spellingsregel.

Hoe schrijf jij het woord station. Ik kan tig manieren bedenken. Volgens het woordenboek is echter maar één manier goed. Als je ‘stasjion’ zou schrijven, zou ik je dan op de verkeerde plek ophalen of begrijp ik dan prima wat je bedoelt?

Naast schrijven met hun oren schrijven kinderen soms ook met hun ‘denk’. Zeep met een s bijvoorbeeld, omdat zeep altijd zacht is en de s ook. Dit bij een 15-jarige VWO-er.

Zelfs goede lezers kunnen problemen hebben met spelling, omdat dit veel moeilijker is dan lezen. Correct spellen is zeer belangrijk. Het niet juist gebruiken van de spellingregels kan een oordeel uitlokken over de schrijver. Online zie je dit heel veel. Het oordeel over de schrijver is meestal niet aardig, betreft meestal diens vermeende intelligentie. De aandacht gaat dan ook niet meer naar de inhoud van de tekst. Incorrecte spelling in je sollicitatiebrief kan er zelfs voor zorgen dat je de baan niet krijgt die je graag wilt.

Problemen met spelling zegt echter niets over intelligentie. De knapste koppen uit de hele wereld hebben hier problemen mee.

Het mooie is dat kinderen meer openstaan voor het aanleren van spelling als je het waarom van spelling uitlegt. Geldt toch immers voor alles wat je een kind wil aanleren? Inzicht helpt bij hun motivatie voor taal.

En na het uitzoeken van hoe je het woord station volgens het woordenboek schrijft blijkt het woord niet eens zo moeilijk. Werken we er zelfs aan dat het kind het achterstevoren kan spellen, zodat we zeker weten dat het woord goed bewaard wordt in het hoofd. En als je deze techniek van woorden visueel in je hoofd bewaren door hebt zijn de mogelijkheden eindeloos. Dan zijn veel woorden zelfs te makkelijk en ga je zelf opzoek naar andere woorden om visueel te bewaren, achterstevoren te spellen. Autoventieldopje bijvoorbeeld, of voor de echte durfal de langste plaatsnaam van Nederland: Gasselteboerveenschemond. Deze komt van een 16-jarige, die wilde groeien en dus op zoek was naar uitdaging. Hij kwam bij mij omdat hij zich door zijn taalontwikkeling niet staande kon houden op school.

Voor mij betekent een dyslexieverklaring niet dat je taalzwak bent, maar dat we het taalaanbod anders moeten brengen, zodat je inzicht, verbindingen en gereedschappen krijgt. Dit zodat je relatie met taal verbetert. Zo is taal leren echt leuk. Niet alleen spelling leren volgen regels en oefeningen maken. En het mooie is: dit kan ook gewoon in de klas!

Dorien Kok
http://I-CARUS.info

Leeskilometers maken – veilig leren lezen

Hoe stimuleer je het maken van leeskilometers en visualiseer je de opbrengsten? Heel simpel!

Per zelf gelezen bladzijde in een boek mag een kind, na afloop van het lezen, een cm op het meetlint inkleuren. Eén kleur per gelezen centimeter of één kleur voor het totaal aantal bladzijden per keer. Zo kun je goed zien hoeveel je gelezen hebt. 🙂 Dit kan individueel thuis of op school met een meetlint voor ieder kind in de klas.

De papieren meetlinten zijn verkrijgbaar bij diverse bouwmarkten en de Ikea. Overleg even met de winkel als je er meerdere mee wilt nemen.

Tip: op de school van een cliënt hebben de kinderen, na introductie van dit systeem,  in de zomervakantie zowel hun reiskilometers als hun leeskilometers bijgehouden!

Ook interessant:
* Strips voor de beginnende lezer. 
* Veilig leren schrijven.

Dorien Kok

 

ADHD of …

loepIk krijg veel kinderen in mijn praktijk waarvoor het vermoeden bestaat dat er sprake is van ADHD of bij wie de diagnose al gesteld is, maar waar nog vraagtekens bij zijn omdat de gestelde aanpak of medicatie niet werkt. Soms wordt de diagnose ook gesteld omdat er dan een budget vrijkomt voor hulp, ook al wordt er niet aan alle diagnosevoorwaarden voldaan.

Ik bekijk de situatie van een kind niet van uit het handboek voor de classificatie van psychische stoornissen (DSM-5), ik ben immers geen psychiater. In het onderwijs gaat men helaas te vaak op diens stoel zitten.

Bij veel kinderen die bij mij komen is er vaak sprake van grote dossiervorming en soms ook al diagnosestelling, terwijl de antwoorden op vragen over onderliggende oorzaken en een daarbij passende en werkende aanpak ontbreekt.

Mijn specialisme is signaleren: kijken wat de aanleiding kan zijn voor gedragskenmerken  (vanuit geschiedenis of huidige situatie/omgeving) en in dossiers tussen de regels door lezen. Dit doe ik alleen of indien nodig via het samenwerkingsverband Buiten de lijntjes (http://Buitendelijntjes.net).

Via voorbeelden uit de praktijk wil ik laten zien dat gedragsproblemen niet altijd hun oorzaak vinden in de psychiatrie. Dat we voorzichtig moeten zijn met labelen, om een onjuist beeld en een incorrecte benadering te voorkomen. De bedoeling is dat de voorbeelden uit de praktijk steeds aangevuld worden.

Voorbeeld 1. ADHD of …

Tom* wordt bij mij aangemeld omdat school vermoedt dat er sprake is van ADHD. Ouders hebben zich hier op ingelezen, maar herkennen hun zoon hier niet in. Wel zien ze dat er problemen zijn.

Tom heeft erg last van motoriek onrust, is soms erg druk in de klas. Zijn schoolwerk spiegelt niet zijn leercapaciteiten. Tom zit in een iPadklas. Hij komt vaak erg moe uit school. Is snel overprikkeld.

Ik verwijs Tom door naar een optometrist met wie ik samenwerk.

Test wijst uit: klantje ziet met zijn ogen meer dan 100%. Hij neemt teveel prikkels op met zijn ogen. De optometrist ziet dit ook als verklaring voor zijn wiebeligheid (compensatie) en andere ADHD gedragingen. Valt dus onder sensorische integratie.

Opdracht: weinig beeldscherm en veel fietsen, vliegeren ed waardoor hij veel ‘ver weg’ moet kijken. Tom gaat naar een school waar het beeldscherm een minder belangrijke rol speelt.

Resultaat: de motorieke onrust en overprikkelbaarheid verminderen duidelijk. Zijn leerresultaten verbeteren. Tom is minder moe als hij uit school komt. Er is geen aanleiding meer ook te kijken naar de diagnose ADHD.

*De namen zijn fictief, het gebruik van een specifieke jongens- of meisjesnaam geeft geen garantie dat het in het echt ook een jongen/meisje betreft. Er is toestemming van de ouders voor het plaatsen van de situatie van hun kind. 

Hoe werkt je (werk)geheugen.

Werk in uitvoeringWe weten absoluut nog niet zeker waarom het brein werkt zoals het werkt en hoe het werkt, over het algemeen is men het wel over veel dingen wel eens – wat de basis vormt voor hoe we denken problemen op dit gebied aan te moeten pakken. Naar het (werk)geheugen op zich wordt wel veel onderzoek gedaan, ook in Nederland – zoals bij de Universiteit van Utrecht. Maar naar veel therapieën en de (lange termijn) effecten daarvan is nog geen (goed) onderzoek gedaan.

Hoe werkt dat nou, dat verwerken van informatie en het onthouden daarvan.

Sensorisch geheugen
Het verwerken en onthouden van informatie is een complex proces, dat via je zintuigen verloopt. Informatie, een verzameling indrukken, die binnenkomt wordt via sensorische zenuwbanen naar je hersenen gebracht. Je zou snel gek worden als je alle informatie die via je ogen, oren, neus, tong, huid en motoriek binnenkomt bewust zou moeten verwerken. Gelukkig komt de meeste informatie onbewust binnen. Elk zintuig heeft een kleine eigen opslagruimte, echter de informatie wordt maar heel kort vastgehouden.

Werkgeheugen
Informatie die in het sensorische geheugen binnengekomen is en van belang blijkt te zijn gaat door naar de volgende ronde: het werkgeheugen. Hier probeert men verbanden te leggen met oudere informatie, die al is opgeslagen in het lange termijngeheugen. De informatie krijgt dan betekenis. Hoe meer je verbinding maakt met het lange termijngeheugen des te beter kun je informatie herinneren. Dit komt omdat er dan een diepere verbinding is gelegd. Het lange termijngeheugen is de hekkensluiter in het onthoudproces.

Lange termijngeheugen
Het woord zegt het al: het gaat om informatie die lang bewaard of opgeslagen wordt. Die informatie kun je indelen in 2 categorieën:

  1.  – Kennis van feiten (een cirkel is rond, mijn fiets is blauw en Slag bij Nieuwpoort 1600).
    – Persoonlijke ervaringen en indrukken (toen ik 4 was zijn we naar de dierentuin  geweest, dat je je been gebroken had, eerste dag naar de brugklas)
  1. Procedures (traplopen, fietsen, jas dicht doen) – executieve functies

Informatie in het lange termijngeheugen is keurig georganiseerd door het toevoegen van kleine kenmerken, waardoor de informatie die je binnen hebt gekregen via je zintuigen waardevol wordt en ook weer opgeroepen kan worden. Als je bijvoorbeeld ergens bent en een blauwe fiets ziet kan dat de herinnering terugbrengen van je 6de verjaardag, toen je jouw blauwe fiets kreeg. Je herinnert je, doordat diezelfde kenmerken deels ook aangebracht zijn op andere informatie, ook de rest van je verjaardag weer. Hoe het rook naar seringen omdat je feest in de tuin was. Je gaat ook weer bijna watertanden als je aan de taart denkt. Eigenlijk werkt het in je computer ook zo, als je zogeheten tags aan je document toewijst. Alleen is het zoeken in de computer een bewuste actie, het zoeken in je hoofd kan ook onbewust.

Korte termijngeheugen
Je kunt je werkgeheugen ook zien als korte termijngeheugen, echter het werkgeheugen is veel meer dan dat: het bewerkt informatie. Het korte termijngeheugen (informatie vasthouden) is werkzaam als onze aandacht bewust op iets is gericht is, wat we maar een bepaalde tijd kunnen. Gaan we wat anders doen of worden we gestoord in het aandacht hebben dan stopt dat proces, de informatie komt dan niet in het lange termijngeheugen. Het korte termijngeheugen ontwikkelt zich tot ongeveer 11 jaar, het werkgeheugen tot 17 jaar. Drugs, alcohol, stress, verkeerde voeding, gezondheidsproblemen en medicijnen kunnen de werking van het korte termijngeheugen verstoren. De tijdsspanne van onthouden in het korte termijngeheugen verschilt ook per persoon.

Herhalen werkt prima voor het korte termijngeheugen. Terughalen van korte termijninformatie kan door aan de tijdslijn te denken – even weer de trap aflopen als je niet meer wist wat je boven ging doen – of door er betekenis aan te koppelen, zoals een gebeurtenis.

Om weer even terug te gaan naar het werkgeheugen, dit is geheugen met de minste capaciteit. Vol = vol is hier de regel, oude informatie verdwijnt als er nieuwe binnenkomt of nieuwe komt er niet in als er even geen ruimte voor is. Bij de eerste optie verdwijnt informatie niet richting lange termijngeheugen, bij de laatste optie wordt de informatie gewoon niet opgemerkt.

Het maximum aan bewaarcapaciteit wat gesteld wordt aan het werkgeheugen is wat men noemt 7 elementen (letters, cijfers of woorden/codes). Door te groeperen kan je er meer gebruik van maken. Als je een telefoonnummer van 10 cijfers verdeelt in groepjes is deze dus beter te onthouden. Je zoekt dan naar een patroon tussen de getallen. 0612389012 (10 eenheden) is lastig, 06 123 890 12 (4 eenheden) neemt minder ruimte in. Ongeveer vanaf de leeftijd van 7 jaar zijn we in staat informatie langer te onthouden door deze in onszelf te herhalen of steeds hardop te zeggen. Dit noemt men fonologische lus. Het geeft echter geen permanente opslag.

De visuele Rakit-2 intelligentietest kan op het onderdeel geheugen de werking van de fonetisch lus goed laten zien. Zijn de plaatjes herkenbaar dan kan een kind deze via de fonologische lus meestal goed onthouden. Je hoort het kind mompelen. Voor abstracte plaatjes kun je de fonologische lus niet gebruiken, er is geen herkenning. Onthouden is dan een stuk lastiger. In de praktijk heb ik één keer gezien dat een creatieve denker dit laatste oploste door de cijfercode, die de tester op de achterkant van de abstracte plaatjes had gezet voor zichzelf, te gebruiken. 😉

Problemen met het werkgeheugen
Wat in je werkgeheugen gebeurt is een actief proces. Er vindt twee kanten op een continue uitwisseling met het lange termijngeheugen plaats. Men gaat er van uit dat er een verbaal werkgeheugen (gesproken informatie) en een visueel-spatieel werkgeheugen (afbeeldingen) is. Waar je voorkeur ligt kan mede bepaalt worden door omstandigheden, zoals doofheid, blindheid of persoonlijke voorkeur. Aandacht is het toverwoord ten aanzien van het werkgeheugen. Concentratie en het zelf kunnen reguleren van aandacht spelen hierbij een grote rol.

Hoe kom je er achter of er sprake is van problemen met het werkgeheugen
Signalen die makkelijk zijn op te pikken zijn problemen met concentreren en automatiseren. Echter voor het concentreren geldt: is dit alleen op bepaalde momenten (minst favoriete vak, niet bij het gamen/tv kijken of alleen op school) of is dit continue aanwezig. Alleen in dat laatste geval spreek je van een echte concentratiestoornis.

Voor het automatiseren geldt: kinderen die slim zijn kunnen dit probleem lang verdoezelen omdat ze bijvoorbeeld snel kunnen rekenen.

De kinderen lijken veel (onlogische) fouten te maken, slordig te werken, wisselende resultaten te hebben. Gaat het kind na de instructie eigenlijk wel aan de slag, gaat het raden, doet het maar wat of doet het zelfs niets.

Checklist
* is de instructie wel binnengekomen. Ga dit na, laat het navertellen

* wordt het kind te veel afgeleid door de omgeving, of gestoord.

* vraag of zeg je niet te veel in één keer (overbelasting capaciteit)

* heb wel je het einddoel uitgelegd en daarna de ‘brokken hapklaar gemaakt’

* heb je jouw informatieaanbod niet alleen verbaal gegeven maar ook visueel (afbeeldingen) ondersteund (beide werkgeheugens aanspreken)

* heb je verbanden gelegd, zodat het kind zelf associaties kan maken

* heb je gerefereerd naar eigen kennis, ervaringen en indrukken (lange termijngeheugen) van het kind (wat weet je al)

* is het kind bekend met het werkmateriaal

* zit er opbouw en structuur in wat je aanbiedt (procedures)

* heb je het kind geleerd hoe het moet leren, lesstof moet benaderen en heb je geheugenstrategieën aangeboden

* beheerst het kind dat wat je aanbiedt misschien al (interesse en motivatie)

* is dat wat je aanbiedt niet te saai, of de manier waarop je het aanbiedt niet interessant genoeg (interesse en motivatie)

* gebruik je genoeg zintuigen, kun je er meer gebruiken

* heb je het kind al gevraagd wat een mogelijk oorzaak van de problematiek kan zijn

* hoe zit het met het intelligentieniveau van het kind, ook hoogbegaafde kinderen kunnen immers problemen met het werkgeheugen, automatiseren en concentreren hebben

* mag het kind zachtjes hardop denken bij het rekenen en lezen

* mag het kind een kladblad, honderdveld, tafelkaart of voorbeeld van (schrijf)letters gebruiken

Oefenen heeft echt zin
Onderzoek (Geary) toont aan dat bij de helft van de kinderen met automatiseringsproblemen dit opgelost kan worden door oefening aan te bieden en handige strategieën aan te leren. De strategieën moet je dan verbinden aan de favoriete manier van informatieverwerking van het kind en aan de verschillende zintuigen. Zo worden beter verbanden gelegd. Het heeft dus geen zin om een blind kind te ondersteunen vanuit visuele informatie. Gehoor, tast en motoriek werken daar beter.

Het alfabet is een geheel, biedt het om te starten ook zo aan. Laat zien dat er woorden in zitten, tel het aantal letters na. Welke letters ken je al.

Gebruik niet alleen het korte termijngeheugen om te leren, controleer ook of de informatie verwerkt wordt door het werkgeheugen. Voorbeeld: laat een kind een woord dat het gehoord en gezien heeft van voor naar achteren spellen (korte termijngeheugen – informatie vasthouden), daarna van achter naar voren (werkgeheugen – verwerken). Dit kan je ook met getallen doen, start met korte reeksen. Het kan natuurlijk ook toegepast worden op dicteewoorden en om bij topografie de plaatsnamen te onthouden. Het gebruik van rekenmachines werkt contra-productief.

Eerst losse woorden oefenen met lezen gaat makkelijker ten aanzien van betekenisvol bezig zijn dan hele zinnen. Je moet het woord lezen, weten wat het betekent en dan ook nog onthouden. Dit geeft snel overbelasting als dit voor elk woord van een zin moet gebeuren, zeker gezien de maximum aan capaciteit in het werkgeheugen. Je kunt voor het leren lezen beter verbanden leggen als je gelijk lijkende woorden leest. Selecteer deze woorden uit een boek en laat het kind met de klanken spelen. Kan er een andere letter voor of achter? Laat de woorden in het boek aanwijzen, alleen deze woorden lezen. Speel ook met de middelste klanken. Bouw zo op. Praat ook over de betekenis van een woord, zoek het eventueel op.

Er is vuur van Tuur. En er is rook. ‘Geen vuur in huis, Tuur. En ook geen rook. In je hok, Tuur!’ ‘Ik niet’, zegt Tuur. ‘Ik ben weg!’ **

Lezen en rekenen verbeteren als je het kind leert verbindingen te maken en hun geheugen te gebruiken. Leer het kind het gehele woord op te slaan. Geef voor het verklanken visuele ondersteuning van het plaatje + woord. Start pas met zelfstandig oefenen als het kind het verklanken beheerst. Voor rekenen betekent dit stoppen met het op je vingers tellen als je aan het verbeteren van het werkgeheugen wil werken.

Meng de rekensommen niet, plus is plus en min is min. Als je daar doorheen ook nog keer en delen doet vergt dat weer extra veel van het werkgeheugen.

Spreek beide werkgeheugens aan (auditief en visueel), maar echter ook gebruik van alle zintuigen. Bal overgooien bij het automatiseren van tafels helpt echt. Klassikaal hardop oefenen ook.

De concentratie is altijd beter als de omgeving rustig is. Faciliteer dit als leerkracht voor de gehele klas of thuis bij het huiswerk maken.

Er zijn ook spelletjes waarmee je het werkgeheugen kunt trainen. Kijk hier voor tips. Vraag er ook naar bij een echte spellenwinkel.

Oefening baart kunst. Hoe meer er geautomatiseerd is des te minder belast men het werkgeheugen.

Trainingspogramma’s
Er zijn trainingsprogramma’s zoals Cogmed, Jungle memory en Braingame Brian, die aangeven dat je door het volgen van die training informatie beter onthoudt, je aandacht bij de les of het werk blijft en dat leerproblemen verminderen. Het werkgeheugen gaan door de speciale geheugentraining tijdelijk iets vooruit, maar na langere tijd is er niets meer van te merken. Deze trainingen zijn aldus de kosten en moeite niet waard. Lees hier: NRC Next 16 maart 2016 – Geheugentraining Cogmed beklijft niet bij kinderen

Dorien Kok
http://I-CARUS.info

** Het boek Vuur van Tuur is onderdeel van de Strips voor beginners collectie van uitgeverij Zwijssen. Zwijsen ontwikkelde de strips speciaal voor kinderen in groep 3. Het lettertype is goed leesbaar en de illustraties helpen om de tekst beter te begrijpen. De boeken zijn gemaakt door bekende kinderboekenillustratoren en -schrijvers, zoals Mark Janssen, Rick de Haas en Jan Jutte.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Hoogbegaafden kunnen goed leren. Toch?

Labyrint Een hoogbegaafde leerling kun je herkennen aan de A en A+ scores of negens en tienen. Huiswerk hoeft niet voor een hoogbegaafd kind, ze onthouden alles altijd meteen. Bij hoogbegaafde kinderen lukt altijd alles, falen doen ze niet. Als er geen hoge leerresultaten niet gehaald worden is het kind niet hoogbegaafd. Toch?

Deze opvattingen heersen. Helaas.

Dat hoogbegaafden goed kunnen leren is een vooroordeel. Dat ze niet hoeven te leren of geen hulp nodig hebben ook. Vooroordelen die je niet alleen op scholen hoort , maar ook bij ouders en in de maatschappij. Twijfel of de IQ test achteraf wel klopt – misschien is er wel per ongeluk hoog gescoord. Als hoogbegaafd kind ga je ook knap aan jezelf twijfelen als je bovengenoemde vooroordelen hoort.

De termen hoogbegaafd en leerproblemen worden als tegenstellingen gezien.

Het is echter niet vanzelfsprekend dat een hoogbegaafde leerling goed kan leren. Ook hoogbegaafde kinderen kunnen leerproblemen hebben.

Deze verkeerde opvattingen zorgen voor 2 risico’s: deze kinderen worden niet opgemerkt (als hoogbegaafd) en ze krijgen niet het aanbod of de hulp die ze nodig hebben. Dit ontneemt ze de kans om hun potentieel – wat hoogbegaafdheid eigenlijk inhoudt – te ontwikkelen.

Hoogbegaafden zijn geen kopieerapparaten die foutloos kennis kopiëren en reproduceren. Zij nemen informatie op en gaan er creatief in hun hoofd mee aan de slag. Zoeken verbinding met wat ze al weten, draaien het rond als ware het een dobbelsteen die je van 6 kanten kunt bekijken en laten hun gevoel er op los.

Als je als leerkracht onderwijs via een logische opbouw en in stappen insteekt kan deze denkwijze conflicteren. Ook kan het er voor zorgen dat leerlingen niet geïnteresseerd zijn in het aanbod op school, omdat het ze geen ruimte geeft voor hun manier van denken. Antwoorden die je als leerkracht als fout ziet kunnen wel kloppen met hun manier van denken. Wees je je als leerkracht hier van bewust.

Deze kinderen investeren graag hun tijd, energie en creativiteit in school als ze daar de ruimte voor krijgen. In school kan het startpunt dat hoogbegaafde leerlingen goed kunnen leren kan daarbij knap in de weg staan.

Welke leerlingen hebben we het over:

  • Niet opgemerkte leerlingen: de hoog scorende leerlingen die hun leerproblemen lange tijd kunnen maskeren met hun slimheid, waardoor de problemen niet echt zichtbaar zijn.

Deze leerlingen scoren vaker hoog op de IQ test of in cijfers, maar lijken de testscores in de loop der tijd niet meer waar te maken. In deze groep zitten ook de kinderen wiens testscores niet in balans zijn. Er zitten tegenstellingen in hun ontwikkeling, verbaal zijn ze bijvoorbeeld sterk – ze vallen echter vaker uit op spelling en schrijfvaardigheid. Automatiseren en planning zijn ook gebieden waar ze op uitvallen. Ze lijken slordig te werken en ongeorganiseerd te zijn. Hoe verder je komt in jaren, hoe moeilijker ze het krijgen – mede door de steeds hogere eisen die gesteld worden. Ze redden het dus niet meer op hun slimheid. De gedachte, bij school, ouders maar soms ook de leerlingen zelf, is dat dit zich wel oplost als ze zich maar beter inzetten en harder werken. Ze moeten zich dus bewijzen.

Deze kinderen zijn absoluut expert op hun interessegebied, vallen echter uit op schoolse zaken. In het voortgezet onderwijs zie je ze vaak afzakken in niveau.

Het komt door de hoogbegaafdheid en het hiermee kunnen maskeren van de problemen in niemand op om anders naar de problemen te kijken en deze kinderen als ondersteuningsbehoeftig te zien. Het gebrek aan expertise in de scholen op het gebied van de combinatie van hoogbegaafdheid en leerproblemen speelt hier ook een belangrijke rol in. Deze leerlingen hebben baat bij een visueel-ruimtelijk leeraanbod en hulp bij het organiseren en plannen.

  • Hoogbegaafde kinderen die niet gezien worden omdat hun grote leerproblemen hun hoogbegaafdheid bedekken.

Bij deze kinderen wordt niet aan hoogbegaafdheid gedacht omdat de leerproblemen zeer groot zijn. Alleen dat laatste trekt aandacht. Ook bij hun is er de behoefde aan een programma dat aangepast is aan hun begaafdheid, echter hun leeropbrengsten geven hiervoor geen aanwijzingen. Hun geluk ligt in een leerkracht die hun talenten wel signaleert en daarop anticipeert, of ze moeten een speciaal talent hebben die los staat van leerproblemen. Deze hoogbegaafden vinden helaas vaak pas als ze volwassen zijn de antwoorden over zichzelf.

  • Onsuccesvolle hoogbegaafde kinderen wiens leerproblemen gezien worden

Emotie speelt een grote rol bij deze kinderen, een negatief zelfbeeld en faalangst liggen op de loer. Worden deze gevoelige kinderen wel gezien dan draait alles om de leerproblemen of vaker bijkomende afwijkende gedragingen (teruggetrokken of juist opvallend aanwezig), die wil men eerst oplossen of diagnostiseren – wat nog belemmerd wordt doordat ze vermijdend gedrag vertonen voor schoolwerk. Aandacht voor de talenten moet de basis zijn voor de aanpak, is er echter vaak niet. Thuis, waar schoolvaardigheden geen rol spelen is hun talent en zijn hun passies vaak wel zichtbaar. Hun potentie wordt echter niet vertaald naar schoolresultaten.

  • Hoogbegaafde kinderen met leerproblemen door motivatieproblemen ten gevolge van een verkeerd aanbod

Deze kinderen zien het nut van school niet in. Het schoolaanbod sluit niet aan bij hun behoeftes. Ze hebben een ander level van denken dan de omgeving, zijn ook slimmer dan die omgeving. Hebben vaker een succesvol leven naast school, investeren veel in hun talentgebied. Nadruk van ouders en school ligt vaak op schoolopbrengsten, waardoor er risico is bij de volwassenen voor het geen oog of ruimte hebben voor de buitenschoolse talentgerichte activiteiten. Dit zijn potentiële drop-outs, die door het oplopen van een achterstand leerproblemen krijgen.

Buiten de factoren op de basisschool niet geleerd hebben hoe te leren omdat men daar niet aan dacht of omdat dit ‘niet nodig was’ en een niet passend aanbod krijgen speelt ook een tekort aan expertise over hoe een hoogbegaafde leert een grote rol. Ook kan het zijn dat een kind hoogbegaafd is op een deelgebied, niet op alles of niet op schoolse zaken. Liggen de verwachtingen niet te hoog. Hoe is het met de motivatie gesteld. Is school wel net zo belangrijk voor het kind als voor de omgeving, ligt de motivatie misschien buiten de school en doen cijfers er voor hem of haar misschien niet toe. Zijn de kinderen sociaal en emotioneel wel in balans. Wordt er wel met de leerlingen zelf gecommuniceerd, of alleen over ze heen.

Dit zijn allemaal kinderen met een hoog potentieel, die uitvallen omdat ze niet gezien worden en niet de begeleiding krijgen die ze nodig hebben. Dit komt zoals gezegd omdat we hoogbegaafdheid niet associëren met leerproblemen en expertise over de combinatie hoogbegaafd en leerproblemen te weinig voorhanden is in scholen. De aanpak is of alleen gericht op het ‘hoogbegaafdheid en alles kunnen principe’ of de reguliere aanpak van leerproblemen.

Startpunt moet zijn hun expressiestijl (Renzulli), denkprofiel (Sternberg), hun intelligenties (Gardner) en persoonlijkheidskenmerken. Deze kun je onderzoeken. De vraag is daarna: wat heeft deze leerling op dit moment nodig om tegemoet te komen aan zijn of haar behoeften op cognitief, sociaal en emotioneel gebied. Belemmerende factoren zijn hierin aandachtspunten, stimulerende factoren aanknopingspunten. Dus school en ouders moeten samen met de leerling aan de slag. Belangrijk hierbij is dat men zich onbevooroordeeld opstelt. Daarbij geen mooie woorden maar creatieve oplossingen. Dit zorgt er voor dat ze zich optimaal kunnen ontwikkelen.

Dorien Kok
http://DorienKok.nl

Klap-pen in let-ter-gre-pen of inzetten op klankbewustzijn

Het systeem van de Nederlandse taal is eenvoudiger en logischer dan veel mensen denken. Als het maar op een goede en duidelijke manier wordt aangeboden en geoefend.

Het klankbewustzijn is een belangrijke voorspeller voor het leren lezen (Ukrainetz en collega’s, 2011). Voldoende reden dus om extra in te zetten op dat klankbewustzijn in de kleuterklas.

In dit artikel van de website Kleutergewijs wordt de noodzaak om het klankbewustzijn te stimuleren bij de oudste kleuters goed uitgelegd:

Klap-pen in let-ter-gre-pen: overbodig en zelfs hinderlijk volgens recent onderzoek

Het artikel spreek over  lettergrepen (let-ter-gre-pen). Deze hebben bij het (leren) lezen geen functie. Wel functie hebben het auditieve verdelen en het ontsleutelen: als je het woord lettergrepen auditief (je hoort het) moet verdelen, is het le-ter-gree-pen.  Wanneer je het woord moet ontsleutelen (je leest het) lees je let-ter-gre-pen. Deze oefening is van belang voor het goed leren lezen.

Het is dus noodzakelijk voor de leesontwikkeling om niet gebruik te maken van het klappen van lettergrepen.

Wellicht is het verdelen in klankgroepen voor een niet-Nederlandse taal minder belangrijk, maar hier is het van groot belang om deze twee belangrijke spellingregels goed aan te kunnen leren, te weten het kunnen toepassen van de verenkeling van de lange klinker en verdubbeling van de medeklinker.

taalinblokjesDe in mijn praktijk gebruikte F&L-methode Taal in Blokjes gaat uit van de klanken van de taal. Aan de hand van de verschillende groepen klanken wordt het taalsysteem met de bijbehorende regels duidelijk gemaakt. Hierbij worden wetmatigheden behandeld die in het normale onderwijs niet aan bod komen. Met een beperkt aantal basisregels kan het grootste deel van de Nederlandse woorden al correct worden geschreven.

Om de verschillen tussen de verschillende klanksoorten zichtbaar en tastbaar te maken, wordt gebruik gemaakt van een kleurcode en ´klankblokken´ in verschillende kleuren.

Taalregels

Elk blok stelt een letter voor, de klank bepaalt de kleur van het blok. Met behulp van deze klankblokken kunnen woorden worden samengesteld. Doordat de structuur van de woorden op deze manier goed zichtbaar wordt, kan het toepassen van de basisregels op een eenvoudige en overzichtelijke manier worden geoefend.

Binnen de F&L methode leren de kinderen zonder problemen onderscheid te maken. Inzicht in de structuur van de taal is belangrijk om de regels te kunnen toepassen.

Springpleinen

Aan de Universiteit Utrecht is in 2007 een onafhankelijk onderzoek uitgevoerd naar de effectiviteit van de F&L-methode. De dossiers van 117 Taalhulp-leerlingen zijn geanalyseerd. Uit dit onderzoek blijkt dat behandeling met de F&L-methode® effectief is bij kinderen met dyslexie. De resultaten zijn gepubliceerd in het Tijdschrift voor Orthopedagogiek nr. 9, 2008.
Lees hier meer over de methode Taal in Blokjes.

logoikleerandersmettekstEen goed vervolg op de methode Taal in Blokjes, of startpunt als de problematiek minder groot is is de methode Ik leer anders, waar oa gekeken wordt naar alfabet- en klankbeheersing. Automatiseren speelt in deze methode ook een grote rol.

In mijn praktijk zie ik te vaak dat leerlingen het alfabet en de klanken niet beheersen, terwijl dat de basis is voor het leren lezen. Scholen gaan er automatisch van uit dat dit beheerst wordt. Ook bij leerlingen in het voortgezet onderwijs, waarvoor  Ik leer anders een prima methode is om hieraan te werken.
Lees hier meer over de methode Ik leer anders.

Met dank aan Annet Homburg van Stichting Taalhulp.